Steenhuis te Langweer.
Afb. boven: "Oude Stins te Langweer" (1772). Bron: Wikepedia.

Borgen in Groningerland
In tegenstelling tot in de rest van Nederland, is in Groningen het oude woord 'burg' of 'burcht' in ere gehouden, waardoor kastelen in het noorden van Nederland twee kenmerkende benamingen hebben gekregen: in Friesland noeme we ze 'stinzen' en in Groningen heten ze 'borgen'. Toch is de benaming 'borg' aan enige devaluatie onderhevig geweest, doordat ook niet middeleeuwse kastelen, maar ook bepaalde huizen uit latere eeuwen de benaming 'borg' nemen of krijgen. Zo zijn er in de 17e eeuw buitenhuizen van verveners geweest die men 'borgen'of 'veenborgen' is gaan noemen. Later gaan zelfs gewone, maar wel rijke boeren en burgers hun huis 'borg' noemen en sinds ongeveer 1980 wordt het als een geliefde benaming voor flatgebouwen en bejaardenhuizen gebruikt.

 

Steenhuizen
Tot de 13e eeuw zijn, bij gebrek aan natuursteen, vrijwel alle huizen en gebouwen van ons land opgetrokken uit hout. De brandende pijlen van belegeraars vormen in die tijd de ernstigste bedreiging van mensen, die zich achter houten muren verschansen. Maar dan, als in de 13e eeuw de baksteen door premonstratenzer monniken wordt uitgevonden, kan men beginnen aan de bouw van sterke en minder brandbare, stenen huizen. De bakstenen of kloostermoppen zijn echter duur. De bouw van een steenhuis komt dan ook altijd voor rekening van een rijk grondbezitter. Zo'n steenhuis dat tussen 1300 en 1400 wordt gebouwd is ongeveer 11 meter lang en 8 meter breed. De muren worden stevig opgemetseld. Ze zijn wel een meter dik. De toegang ligt op de eerste verdieping. Het steenhuis wordt meestal niet bewoond, maar biedt in tijden van gevaar bescherming aan de heer en zijn gezin en vaak ook de omwonende boeren. Als de laatste vluchteling in het steenhuis is gevlucht, wordt de ladder achter hem opgehaald. Binnen is er zelfs een waterput, een stookplaats en er is een voedselvoorraad. Als het voedsel op is, verschijnt de gevaarlijkste vijand: de hongersnood. Hij kan de belegerden na verloop van tijd dwingen zich alsnog over te geven aan de belegeraars. Belegeringen komen vaak voor in de strijd om de macht. Koningen en keizers hebben in de het afgelegen, soms moerassige en door veel water doorsneden Groninger land in feite minder in te brengen. Vandaar dat iedereen zijn gang kan gaan. Pas in de 16e eeuw, als dikke muren niet meer bestand blijken tegen de steeds zwaardere vuurwapens, verliest het steenhuis zijn nut. Veel Groninger borgen zijn als steenhuis begonnen. Anderen zijn direct als borg gebouwd. Steenhuizen gebouwd in de 13e en de 14e eeuw, zijn ze in die tijd iets bijzonders. Er zijn maar enkele steenhuizen overgebleven, zoals het steenhuis te Bunde (Dld) en het Iwema steenhuis in Niebert.

 

Heerden
Steenhuizen staan altijd op de erven van hoofdelingen. Dat zijn in feite boeren die een heerd bezitten. Een heerd is een rijke (want het is van steen gebouwd) boerderij, die zich wat de vorm betreft ontwikkeld heeft uit een soort 'hallehuis', waarin vee en mensen nog in één ruimte ondergebracht zijn tot zogenaamde langhuizen.

 

Sommigen van die boeren krijgen een positie van hoofdeling, een naam die aangeeft, dat zij in een bepaald gebied de verantwoordelijkheid hebben voor het leiden van de verdediging tegen gewapende overvallers en vaak ook rechten hebben ten aanzien van de rechtspraak en andere rechten die horen bij heerlijkheden: benoemingen in de kerk, collatierecht (het heffen van belasting), jachtrecht, recht van zwanendrift en duivenvlucht en dergelijke van steenhuis tot borg.


Het steenhuis wordt soms uitgebreid met traptorens om de verdiepingen te kunnen bereiken. Woonvleugels worden bijgebouwd en er wordt een gevelsteen met wapenschild aangebracht, zodat het de allure krijgt van een adellijk onderkomen. Dit houdt niet altijd in dat de bewoners ook van adel zijn. Bij de drie Groninger borgen Fraeylemborg, Menkemaborg en Verhildersum is het oorspronkelijke steenhuis nog terug te vinden. In de keuken van de Fraeylemaborg zijn zelfs nog drie schietnissen te zien.

 

De bijbehorende boerderij blijft bestaan en bij de borg worden voorgebouwen gebouwd om de opbrengsten van het collatierecht te bewaren (het schathuis), voor paardenstallen en koetshuis en voor personeel. Hoofdelingenfamilies breiden soms hun steenhuizen uit en gaan er in wonen. Later worden er dus pas bijgebouwen en vleugels aangebouwd. Doordat de familie niet meer zelf een boerenbedrijf heeft, zijn deze gebouwen de schathuizen, waarin de 'schatting' bewaard kan worden, stallen en dienstwoningen voor personeel..

 

Van de ongeveer 110 steenhuizen en borgen die in 1650 in de provincie Groningen gestaan hebben (1), zijn er nog maar een paar over en een deel daarvan is eerder een restant te noemen dan een borg. Zij hebben later allemaal een bestemming gekregen, die weinig meer te maken heeft met het beheren van een landgoed of heerlijkheid.

Aristocratie
Van echte adel is echter meestal geen sprake in Groningerland. De benaming 'hoofdeling' is niet erfelijk en men is evenmin door een vorst tot ridder geslagen of in de adelstand verheven op een enkele uitzondering na. Ook al zijn soms door vorsten officiële heerlijkheidsrechten verleend, dan betekent dat nog niet, dat men in de adelstand verheven is. Men heeft in Groningen rond 1450 een eigen soort titel bedacht, die van 'jonker'. In Oost-Friesland is het de graaf Ulrick Cirksena die de Addinga's van Westerwolde tot de adelstand hebben verheven, waardoor deze zich in 1473 jonkers gaan noemen. Pas vanaf 1515 zijn er enkele families echt geridderd: Rengers, Lewe, Alma en later via rechten in Oost-Friesland ook Ripperda. Ook de Huninga's, de voorouders van o.a. NazatenDeVries noemen zich jonker. De invloed van de stad Groningen op de Ommelanden doet zich gelden. Vanaf 1600 wordt het voor patriciërs uit vooral de stad Groningen mogelijk om zich de titel jonker aan te meten indien men een borg heeft gekocht. Smalend wordt wel gesproken van 'stadsadel', maar er komt al met al een onderling afgesproken duidelijkheid over wie zich jonker mag noemen en nog voor 1700 worden in Groningen de stand van jonkers gesloten.

 

Toch is de machtspositie ten opzichte van eigenerfde boeren zeer beperkt. Dit feit vormt ook de achtergrond van de verhoudingen op het platteland in de 19e en 20e eeuw. Het boek 'De Graanrepubliek' (2) van Frank Westerman maakt duidelijk hoe de Groninger boeren zich heren hebben kunnen wanen.


Lees meer: Zie ook: Woordverklaringen > Steenhuizen.

Inhoud

1 Appingedam
1.1 Hettema te Jukwerd
1.2 Steenhuis Solwerd te Solwerd
1.3 Steenhuis Opwierde te Opwierde
1.4 Huis te Eelwerd te Eelwerd
2 Bedum
2.1 Alricsmahuis
2.2 Blauwhuis
2.3 Syckamaheerd
2.4 Widdama
3 Delfzijl
3.1 Bettingeheem
3.2 Ringenum
3.3 Steenhuizerborg
3.4 Wetterstein
4 Eemsmond
4.1 Eelkema
4.2 Eusema
4.3 Kruisstee
4.4 Stenhuisheerd
4.5 Walisware
5 Groningen
5.1 Haxtema
5.2 Hoytingehuis
6 Grootegast
6.1 Clamahuis
6.2 Hylema
6.3 Sappema

7 Loppersum
7.1 Aylkuma
7.2 Borgheem
7.3 Diddingehuizen

7.4 Enselens
7.5 Eukema
7.6 Gaykemahuis
7.7 Hayema

7.8 Haykema
7.9 Melkema
7.10 Nienhuis
7.11 Steenhuis bij Nittersheerd
7.12 Styama
7.13 Ter Mude
7.14 Wibena

8 De Marne
8.1 Bocum
8.2 Ewer
8.3 Rondenborg

9 Marum
9.1 Frimasteenhuis
10 Slochteren
10.1 Borg te Kolham
10.2 Kemenade
10.3 Nijenhoff
10.4 Rozenburg
10.5 Vossenborg

11 Ten Boer
11.1 Oldersum
11.2 Oostbroek
11.3 Steenhuis te Ten Boer

12 Uithuizen
12.1 Takuma-Dadinga,
12.2 Aylbada

13 Winsum
13.1 Hardeweer
13.2 Oostumborg

14 Zuidhorn
14.1 Meininga
14.2 Steenhuizen te Humsterland

Meer lezen. Internet: De stinzen in Friesland


Appingedam

Steenhuis Solwerd te Solwerd
In de bijlagen van de rekeningen van de rentmeester van Karel van Gelre, de toenmalige heer van Stad en Lande, wordt in 1530 vermeld, dat te Solwerd een oud steenhuis is "afgesleten", behorende aan Eppe Baukens (Formsma e.a. 1987, 372). Eppe Baukens is verwant aan de Gockinga's. De stenen zijn afgevoerd naar Delfzijl. Hiervan afkomstig was de familie Tho Solwerd in Appingedam. Op de plek van het steenhuis verrijst een boerderij, die nog in de 19e eeuw rechten op het zuidelijker gelegen Opwierdermeer heeft, vermoedelijk een restant van oudere heerlijke rechten.

 

Hettema te Jukwerd
Al in 1459 bestaat er in Jukwerd de Hettemaheerd. De Hettemaheerd ligt oostelijk van de kerk van Jukwerd en op het terrein zijn de fundamenten van dikke muren gevonden. Formsma e.a. (1987, 187) vermoeden dat het voorhuis van de huidige boerderij wel eens op de fundamenten van het voormalige steenhuis van Johan Rengers gebouwd zalkunnen zijn.


Steenhuis Opwierde te Opwierde
Het steenhuis van Opwierde moet al vroeg zijn verdwenen. Hoogstwaarscijnlijk staat het op de plek van een boerderij, waarop later het collatierecht berust. Ook hoort een deel van het Woldmeer bij deze boerderij. De oude burgplaats is nog in de 19e eeuw te zien. Een harnas dat in de pastorietuin wordt opgegraven, brengt men hiermee in verband. Vermoedelijk zijn de rechten van de borg overgegaan op de borg Snelgersma te Appingedam, die in Opwierde veel land in bezit heeft gehad.


Huis te Eelwerd te Eelwerd
Het Huys thoe Elswerd of Sissingheborg wordt genoemd in de 16e eeuw. Het bevindt zich dan op een omgracht perceel op de wierde, dat nog in de 19e eeuw herkenbaar is geweest. Vanouds woont hier de familie Tho Eelwert. Via de zuster van Galtho tho Eelwert (ov. 1571), een vooraanstaand burger van Appingedam belandt het huis bij de familie Sissingge. Het huis staat afgebeeld op de kaart van Van Starkenborg en wordt nog in 1690 vermeld als 'Kimmenade met annexen'.


Bedum

Alricsmahuis

Bekend is dat Jarich Scultema van Raskwerd e.a. een steenhuis verkopen in 1410. Dit steenhuis ligt, met bijbehorend land en heerlijkheden in Dijkshorn. Het gedeeltelijk binnen en buiten de Wolddijk.


Blauwhuis
In Zuidwolde heeft in 1475 een Blauwsteenhuis gestaan. Omdat het huis verpacht wordt aan meiers ontwikkelt het zich niet tot een borg. Het Blauwhuis is niet zo maar een boerderij, want hij staat aangegeven op de Beckeringhkaart uit 1781.


Syckamaheerd
In 1492 zal er te Dijkshorn een heerd in eigendom van de Van Ewsums gelegen hebben.


Widdama
In de 14e eeuw is er sprake van een steenhuis in de omgeving van Noordwolde (Groningen). Er is weinig over bekend. Formsma e.a. (1987, 297) vermelden dat het steenhuis in 1384 door Aweke Widdama wordt verkocht.


Delfzijl

 

Bettingeheem
Vlak ten oosten van het huidige woonzorgcentrum Betingeheem in Delfzijl heeft in de 16e eeuw een kleine borg met deze naam gestaan. In 1583 wordt de borg voor het eerste genoemd. Uit archiefstukken blijkt dat Bettingeheem in de 17e eeuw verschillende keren van eigenaar wisselt. Daarna is er niets meer over de borg te vinden. De boerderij die lange tijd op de plaats van de borg heeft gestaan, heeft plaats moeten maken voor het woonzorgcentrum.


Ringenum
Het huis Ringenum, ook wel Rengeheim, bestaat al in de tweede helft van de 16e eeuw. Dat valt af te leiden uit de aanwezigheid van de grafsteen van Haro Winken te Ringeheim in de kerk van Uitwierde, die in 1653 overlijdt. In 1695 bestaat er nog een borg met grachten, hoven en singels en 40 grazen land en in 1779 wordt Ringenum genoemd in relatie tot een 'lusthuis' dat op de singel is gebouwd. Wanneer de borg verdwenen is, is niet bekend. Het voormalige borgterrein heeft langs het Damsterdiep gelegen en is verdwenen in de uitbreiding van Delfzijl.


Steenhuizerborg
In het begin van de 16e eeuw staat er in Krewerd, iets ten zuiden van de kerk, een steenhuis. In sommige stukken is sprake van Veenhuuster- of Feenhuuster heerd. Beide namen zijn waarschijnlijk verschrijvingen van Steenhuusterheerd. De naam Feenhusesterheerd wordt al in 1464 genoemd. Formsma e.a. (1987, 197) vermoeden dat het steenhuis teruggaat op het huis (domus) te Krewerd. De bezittingen van dit huis worden door de weduwe Tyadeka gebruikt voor de stichting van de kerk van Krewerd.


Wetterstein
Wetterstein is een buitenplaats langs de trekweg van Appingedam naar Delfzijl. In de 18e eeuw bestaat de buitenplaats uit: “een royaal voorhuis, twee beneden- en één bovenkamer, keuken, schuur voor vier koeien en één of twee paarden, kelders, plantages, gracht, singel, visvijver, twee grote behovingen met 80 of meer vruchtdragende bomen” (Formsma e.a., 1987, 426).


Eemsmond

 

Eelkema
Aan het einde van de 14e eeuw moet er in Zandeweer een steenhuis hebben gestaan op Elecamaheerd. In de 15e eeuw wordt er niet meer van gerept en ook de naam Eelkamaheerd is verdwenen.


Eusema
In 1608 wordt er gesproken van een ‘steenklip’ bij Eppenhuizen, een plaats dus waar veel stenen van een steenhuis te vinden zijn. Later komt de Steenklip ook voor onder de naam Ewsuma en Eusema, een heerd groot 81 grazen.


Kruisstee
De 16e-eeuwse boerderij is nog geheel intact; hij behoort tot de proosdijgoederen van Usquert en valt als zodanig onder het gezag van het klooster Rottum. Het huis heeft vermoedelijk aan de meier behoord, een geleerde herenboer en rechter Johan Arends alias Johannes Arnoldi. Vermoedelijk is het oorspronkelijk een steenhuis. De naam is verbonden met een middeleeuwse legende over een aangespoelde crucifix.


Stenhuisheerd
De naam van dit steenhuis bij Uithuizermeeden is verbonden met de sage van een ridder, die de priester van Holwinde zou hebben vermoord, omdat die in zijn afwezigheid de mis heeft opgediend. Als straf verzinkt het huis in de grond. Over het steenhuis is verder niets bekend. De boerderij heeft tot 1718 op een verhoging gelegen in weliswaar omkaad, maar buitendijks gebied. Formsma e.a. (1987, 418) vermoeden dat het bij een stormvloed zal zijn weggespoeld.


Walisware
Walisware of Walsemaweer is een steenhuis dat ten noordoosten van Kantens heeft gelegen aan de oostzijde van de wierde van Walsweer. In een akte van 1415 wordt het genoemd. De naam komt in de eeuwen daarna nog wel voor, maar van een steenhuis is dan geen sprake meer.


Groningen

 

Haxtema
Haxtema is een steenhuis in Leegkerk geweest. Bekend is dat in 1402 een deel van het steenhuis Haxtema wordt verkocht. In 1466 omvat Haxtema 51 grazen land. Het is onbekend wanneer het steenhuis is verdwenen.


Hoytingehuis
In 1379 bestaat er te Hoogkerk een steenhuis. Het ligt westelijk van het Reitdiep langs de Lege Weg (momenteel ligt op die plaats de splitsing van de Edelsteenlaan en de Diamantlaan in de stad Groningen). Het steenhuis is ingetekend op een kaart van Henricus Teysinga. In 1379 wordt het huis gekocht door het Heilige Geestgasthuis te Groningen. Het blijft bezit van dit gasthuis tot 1851, waardoor het zich niet tot borg kan ontwikkelen. In 1851 wordt het verkocht met de bijbehorende 165 grazen land. Niet lang daarna zal het afgebroken zijn.


Grootegast

 

Clamahuis
In Lutjegast heeft in de 16e eeuw ook een steenhuis gestaan. Het enige dat bekend is, is dat het in 1522 in brand is gestoken.


Hylema
In 1828 wordt een stukje grond achter de kosterij in Lutjegast verkocht omdat het deel uitmaakt van de verkoop van de borg Rikkerda ook te Lutjegast gelegen. Bij dit stuk grond heeft de oude borgstede Hylema gelegen. Er is niet meer van bekend.


Sappema
De Sappemaheerd heeft langs de Westerhornsterweg ten noorden van Lutjegast gelegen. De heerd wordt al in 1540 genoemd. Wanneer het steenhuis is verdwenen, is niet bekend. Momenteel staat er een boerderij. Het hoge terrein met grachten is nog intact.


Loppersum

 

Aylkuma
De borg die gestaan heeft langs de Nieuwstraat in Loppersum wordt al in de 15e eeuw genoemd. Door huwelijk zijn de eigenaren van deze borg in de 17e eeuw verbonden met de borg Duirsum in Den Ham. In 1633 verwisselt Duirsum van eigenaar, maar Aylkuma blijft in bezit van de familie de Mepsche. In 1727 biedt de beruchte Rudolph de Mepsche van Faan het huis te koop aan. De er aan verbonden rechten worden afzonderlijk te koop aangeboden. Wie het huis daarna koopt is niet bekend.


Borgheem
In 1585 is er sprake van een ‘borchsheem’ in Westeremden, hoewel niet expliciet van een borg wordt gerept. Een boerderij in het dorp op de wierde draagt wel de naam Borgsheem. Formsma e.a. (1987) leggen een verband met Haye Wibben, een belangrijke hoofdeling die aan het einde van de 14e eeuw partij kiest voor de graaf van Holland. Het is echter niet bekend waar deze Hayo heeft gewoond. Borgheem is een mogelijkheid maar ook Wibena dat ten zuiden van het dorp heeft gelegen. Bij de afbraak in 1968 van het voorhuis van deze boerderij worden fundamenten van een steenhuis gevonden. Dat steenhuis is een rechthoekig gebouw van 9.5 bij 7.5 meter buitenwerks


Diddingehuizen
Uit oorkonden uit de periode 1439-1443 valt op te maken dat er te Middelstum een of twee complexen elk met een steenhuis te vinden zijn geweest. De stenen zijn gebruikt voor een verbouwing van de borg Ewsum (Formsma e.a., 1987, 270-271).


Enselens
Het steenhuis, dat in 1547 wordt genoemd, heeft waarschijnlijk op de helaas afgegraven wierde bij Loppersum gestaan.


Eukema
Het steenhuis of borg Eukema heeft in de omgeving van Loppersum gelegen, maar de exacte ligging is onbekend gebleven. In 1595 wordt het verkocht aan Rudolf de Mepsche. Leden van het geslacht De Mepsche noemen zich soms nog tot 1657 'toe Eukema'.


Gaykemahuis
In 1403 wordt het steenhuis Gaykema als 'castrum' genoemd. Het ligt dan noordelijk van Middelstum en ten oosten van Ewsum. In 1800 is er nog sprake van een terrein van het steenhuis met de benaming 'het hoogtje'. Er is in Kantens ook een Gaykemaheerd, maar dat is een ander pand.


Hayema
Dit steenhuis dat in 1458 in de archieven wordt genoemd, heeft ten zuidwesten van Middelstum gelegen. Het staat dan waarschijnlijk op de thans afgegraven wierde aan de trekvaart Onderdendam-Middelstum bij de boerderij Hayemahuisterheerd.


Haykema
Deze borg ligt oorspronkelijk ten zuiden van Zeerijp en het borgterrein is momenteel min of meer herkenbaar als een hoog weiland met grachten en bomen (Van Borckshof). In de 16e eeuw is er sprake van een heerd in eigendom bij de familie Ewsum. In de 17e eeuw woont er de familie Van Borck. Van enkele leden van deze familie hangen de rouwborden in de kerk van Zeerijp. In 1745 is de borg verkocht en afgebroken.


Melkema
Dit steenhuis heeft in Huizinge gestaan en wordt in 1371 genoemd.


Nienhuis
De boerderijen op de wierde van Nienhuis te Garrelsweer behoren in 1595 tot het bezit van het klooster Wittewierum. Over een borg is niets bekend. Het is echter waarschijnlijk dat hier al in 1057 een voorname edelman heeft gewoond, die als beschermheer verantwoordelijk is voor markt, muntslag en tolheffing te Garrelsweer. De Nienhuister zijleed wordt later ook wel Scherlinster zijl-eed genoemd. Mogelijk heeft hier de hoofdeling Rembertus Skerlinga uit Fivelgo gewoond, die in 1323 wordt genoemd.


Steenhuis bij Nittersheerd
Dit steenhuis heeft vermoedelijk aan de oostzijde van Leermens gelegen op een terrein dat wordt omsloten door een ronde gracht. Het wordt in 1510 genoemd bij de goederen die Doeke Grevinck. Hij is dan kerkheer van Middelstum en schenkt voor de stichting van een prebende in de kerk van Leermens.


Styama
In een oorkonde van 1449 wordt melding gemaakt van steenhuis ‘tho Styama’ in Zeerijp. Verder is er niets bekend (Formsma e.a., 1987, 532).


Ter Mude
Op het terrein van boerderij Muda bij de kruising van de Delleweg en de Trekweg te Loppersum zal een steenhuis gestaan hebben. In 1500 wordt het door de Groningers versterkt tot een bolwerk met een dubbele gracht, wat nu niet meer is te zien. Het huis is eigendom van het klooster Wittewierum en kan als zodanig niet tot de borgen worden gerekend.


Wibena
Zie Borgheem


De Marne

 

Bocum
In 1573 is er sprake van een steenhuis ten noorden van Kloosterburen. Op kaarten uit het begin van de 18e eeuw staat de oude boerderij waar het steenhuis gestaan zal hebben, nog aangegeven. Na de storm van 1717 wordt de boerderij buitengedijkt.


Ewer
Vermoedelijk heeft er langs het Reitdiep tussen Zuurdijk en Houwerzijl een steenhuis gestaan in de buurt van de boerderijen op de wierde van Ewer.


Rondenborg
Langs de weg door Zuurdijk op de kruising met de weg naar de boerderijen Castor en Pollux heeft zich tot de 19e eeuw een ringwal bevonden met daarin een hoogte. Op het terrein zijn resten van kloosterstenen en tufsteen gevonden. Dat wijst op het bestaan van een stinswier, mogelijk uit de 12e eeuw.


Marum

 

Frimasteenhuis
Voor 1455 moet er in Marum een steenhuis gestaan hebben. In ieder geval is er in 1455 sprake van 'de oldenstene', in 1540 is er sprake van een Fryemastede met 50 grazen en in 1558 en in 1629 heet het Frimasteenhuis. In 1606 en na 1695 wordt het huis aangeduid met Frimaheerd (Formsma e.a. 1987, 246). Een zekere Syerd Fryema wordt genoemd in 1455 en de laatst genoemde bewoner is Suen Fryema. Net als bij zoveel steenhuizen is ook van dit huis geen afbeelding bekend.


Slochteren

 

Borg te Kolham
In 1499 is jonker Nittert Fox, hoofdman van de hertog van Saksen, op rooftocht van Kropswolde naar Appingedam. Hij roof het Hof te Kolham. Op 17e eeuwse kaarten staat bij Kolham een 'minderhuis' aangegeven. Dit is de Roopoort geweest. Formsma e.a., (1987, 195) vragen zich af of Het Hof en Roopoort met elkaar in verband gebracht kunnen worden en of gesproken kan worden van een borg, maar zekerheid geven ze niet.


Kemenade
In 1459 staat er in Harkstede de stenen Kemenade. Johan Rengers van Ten Post, hoofdeling in Scharmer en burgemeester van Groningen, heeft het in dat jaar in eigendom verkregen. Waar het precies heeft gestaan is niet bekend.


Nijenhoff
Nijenhoff in Scharmer wordt in 1614 genoemd als eigendom van Assuerus Clant, jonker en hoofdeling. In 1722 en 1724 wordt Philip Rudolf Jarges genoemd als jonker en hoofdeling op de Nijenhoff. Van de Nijenhoff is echter geen beschrijving bekend. Formsma e.a. (1987, 350) opperen dat het huis ten zuiden van de boerderij Nijenhof gelegen kan hebben.


Rozenburg
Langs de weg van Scharmer naar Kolham aan de zuidzijde van Brookerswijk heeft de buitenplaats Rozenburg gelegen. Het huis is in 1835 gesloopt.


Vossenborg
Vossenborg is een buitenplaats bij Harkstede geweest. In de 18e eeuw staat het op de kaart van Beckeringh.


Ten Boer

 

Oldersum
In de kroniek van Sicke Benninghe van omstreeks 1400 staat een ‘steenhuis to Aldersum’ vermeld. Het steenhuis zal gelegen hebben tussen Ten Post en de Mude, vermoedelijk op de afgegraven dorpswierde van Oldersum. De kampvechter Tammo van Oldersum treedt in 1267 op als beschermheer van het klooster Wittewierum. Dat maakt het waarschijnlijk dat zijn voorouders tot de stichters van het klooster hebben behoord. Oldersum is bovendien de hoofdplaats van de zuidelijke helft van het Eesterrecht (Oostrum = Eenumerhoogte) geweest. In de noordelijke helft van deze rechtstoel (Zandtstervoorwerk bij Zijldijk) krijgt het klooster eveneens omvangrijke bezittingen.


Oostbroek
Op kaarten uit de 18e eeuw komt bij Lellens de ‘Hamminck borgh’ voor, het buitenverblijf van Lucas Hamminck. Hij zal dit buitenverblijf geërfd hebben van zijn moeder Albertine van Oosthoek. De familie Oosthoek zal de naam aan dit buiten hebben gegeven. In 1813 wordt de buitenplaats verkocht (Formsma, e.a., 1987, 218).


Steenhuis te Ten Boer
Van dit steenhuis dat in de 16e eeuw in Ten Boer heeft gestaan is slechts bekend dat het bewoond is geweest door Peter Keme.

 

Opgraving bij Uithuizen
Afb. boven: Opgraving bij Uithuizen. Bron v.d. foto: onbekend.

Uithuizen
Archeologen hebben rond 2006 bij Uithuizen de fundamenten blootgelegd van twee steenhuizen uit de 13e eeuw. De restanten liggen verborgen onder de natte klei en vele aardappelplantjes. Het gaat om het steenhuis Takuma-Dadinga, op een terrein achter het zwembad De Dinge en het steenhuis Aylbada dat halverwege de weg Zandeweer-Uithuizen heeft gelegen. Fundamenten van zogenaamde steenhuizen, zo oud als deze én in deze staat, tref je zelden aan.

 

De steenhuizen zijn te vergelijken met het oorspronkelijke steenhuis van de Menkema's, dat net zo oud is als deze huizen. Maar het steenhuis van de Menkema's is later tot borg uitgebouwd en deze zijn verdwenen.
Het onderzoek heeft enkele fraaie vondsten zoals munten en een boekbeslag (boeksluiting) opgeleverd. Het grachtenstelsel en een deel van het fundament blijken nog intact te zijn. De vondsten zijn van hoge archeologische en cultuurhistorische waarde gebleken.
Het steenhuis Takuma heeft ten zuiden van de Dingeweg richting Uithuizermeeden gestaan. Het steenhuis is gebouwd geweest op een wierde, een kunstmatige verhoging op een natuurlijke zandwal. Die is nog duidelijk herkenbaar, omdat hierop de grote dorpskernen van Eemsmond zijn gebouwd. Ook de spoorlijn naar Roodeschool is hierop aangelegd.
Het steenhuis Aylbada heeft halverwege de weg Zandeweer-Uithuizen gelegen. Twee van de drie broers Aylbada worden in 1285 in een kloosterkroniek vermeld, Godschalk en Aybold zijn geen lievertjes. Vanwege een conflict met kloosterlingen uit Rottum gaan ze over tot geweld. Met een 'vijandige bende', zoals de kroniek van Wittewierum zegt, plunderen Godschalk en Aybold een Rottumer kloosterboerderij, die in het veld ligt.


Kloostermoppen
Het verhoogde borgterrein heeft ruim een halve hectare omvat en is omgeven geweest door een gracht met singel. In de bodem zijn de fundamenten bewaard gebleven. Takuma is de familienaam van een van de voormalige bewoners van het steenhuis.
Steenhuizen ontaan in de middeleeuwen, als de rijke boeren hout-met-klei-huizen vervangen door zogenaamde steenhuizen van kloostermoppen (grote roodgebakken stenen). Zo kunnen ze zich beter verweren bij vijandelijke invallen. Eigenaars die het voor de wind blijft gaan, vergroten de steenhuizen en breiden deze later uit tot verfraaide borgen.
Steenhuizen zijn vaak 12e of 13e eeuws. Sommige steenhuizen, nadat ze hun defensieve functie hebben verloren, worden omgebouwd tot 'borgen', en dat is meestal vanaf de 14e en 15e eeuw.
De plekken van de steenhuizen staan allang aangegeven in 'Geschiedenis van Uithuizen' (1982), en 'De Moeshorn te Uithuizen' (1995), van de onvolprezen historicus Alje Bolt. De archeologen hebben op de beide plaatsen dus alleen maar de bovenste grondlaag verwijderd om te zien dat Alje Bolt het bij het rechte eind heeft gehad.


Winsum

 

Hardeweer
Ten zuiden van Ezinge is in 1606 in Hardeweer een steenhuis ‘met singel, grachten, kerkstoelen en gerechtigheden’ gebouwd. Het steenhuis is dan de eigendom van Marrijken Heddema.


Oostumborg
Aan het einde van de 16e eeuw ligt er bij Oostum een borg. Uit koopakten blijkt dat de borg zelf in 1627 al vervallen is.


Zuidhorn

 

Meininga
Tussen Grijpskerk en Niezijl staat een steenhuis op Meiningaheerd. Het steenhuis staat vermeld op o.a. de Coenderskaart. In de 17e eeuw is het een tijd in handen van de familie De Mepsche, maar aan het einde van die eeuw is Meininga overgegaan in gewone boerenhanden (Formsma e.a., 1987, 288).


Steenhuizen te Humsterland
Volgens Formsma e.a. (1987, 306) moeten er in 1366 zeker 16 steenhuizen in Humsterland hebben gestaan. In de klauwboeken zijn de namen van deze heerden terug te vinden.

 

 

Steenhuis Iwema
Afb. boven: Het enige nog bestaande steenhuis in de prov. Groningen is
steenhuis Iwema aan het Pad 15, te Niebert / Marum. Bron v.d. foto: Wikipedia.

 

De stinzen in Friesland

 

 

Stinzen

Het Friese woord stins betekent steenhuis. Een stins is een versterkt stenen woonhuis, meestal omgeven door een gracht en vaak voorzien van bijgebouwen. Stinsen dateren uit de Middeleeuwen, net als de Groningse borgen. De oorspronkelijk functie is ook hier een verdedigbaar huis, maar in de 16e en 17e eeuw zijn sommige stinsen omgevormd tot buitenplaatsen met een park of tuin.

In Friesland beginnen de adellijke families omstreeks 1300 met het bouwen van stenen huizen. In deze roerige tijden bieden de stinsen de bewoners niet alleen onderdak, maar ook bescherming tegen belegeraars en plunderaars in een regio waarin een centraal gezag ontbreekt. In heel Friesland staan nog meer dan 120 stinsen.

 

De stins van Veenwouden


De torenstins

Oorspronkelijk is een stins een verdedigbaar huis geweest dat zich van de andere huizen onderscheidt omdat het van steen gebouwd is. Gewone huizen zijn van leem en hout gebouwd. Alleen de welgestelden kunnen zich zo'n kostbaar huis veroorloven. De vroegste stinsen uit de tweede helft van de 13e eeuw zijn versterkte torens, waar de bewoners van een boerderij zich in tijd van oorlog terug kunnen trekken. Ze bestaan meestal uit een kelder met gewelven, waarboven drie verdiepingen gebouwd zijn. De stins kan alleen met een trap van buitenaf bereikt worden. Wanneer de vijand komt, wordt de trap weggehaald en zitten de bewoners veilig. De kelder is afgesloten van de rest van het gebouw uit veiligheidsoverwegingen. Een dergelijke torenstins is nog te vinden in Veenwouden (zie foto hierboven en hieronder). In de 14e en 15e eeuw worden stinsen meer voor bewoning gebruikt. Hiervoor wordt vaak een extra verdieping met vensters en stookplaatsen toegevoegd.

 

De stins van Veenwouden

 

De zaalstins

Naast de woontorens wordt in de 14e en 15e eeuw ook een ander soort stins gebouwd: de zaalstins. Deze vorm is praktischer om in te wonen. Een zaalstins bestaat uit een zaalvormige kamer, verdeeld in een kleine zaal en een grote zaal. De kleine zaal heeft een haard en kan zonder al te hoge kosten warm worden gestookt. Brandstoffen zijn namelijk lange tijd zeer kostbaar. De zaalstinsen worden in de loop der tijd uitgebouwd met een aantal woonvertrekken en bijgebouwen.


De State

In de loop van de 16e eeuw worden verdedigbare huizen zinloos, omdat er een centraal gezag is waardoor de bewoners hun huizen niet meer hoeven te verdedigen. In plaats daarvan worden er huizen gebouwd of verbouwd die de status van de bewoner moeten laten zien. Op het platteland gaan de huizen steeds meer op kastelen lijken. Als toegang wordt er in veel gevallen een stenen poort over een gracht gebouwd. De torenstinsen zijn niet praktisch meer en worden afgebroken. In de 17e en 18e eeuw verrijzen bij de stinsen boerderijen en fraaie lusthoven. Deze slotcomplexen krijgen de naam state. Later wordt alleen het huis aangeduid met state. Op het platteland zijn in 1622 190 states in Friesland te vinden.

 

De stins te Veenwouden


Verdwijnen van de states

In de 18e en 19e eeuw verdwijnt het grootste deel van de states. Door het verdwijnen van het Friese Hof verhuist de adel mee naar Den Haag. Om goede banen in de wacht te slepen moeten de eigenaren van de states land verkopen en zich diep in de schulden steken. Dit leidt tot de verkoop en de afbraak van de states. Een andere belangrijke reden voor het verdwijnen van de stinsen en states is geweest het verbod van het 'fideicommis'. Het 'fideicommis' houdt in dat de eigenaar van de state of stins het huis en de bijbehorende grond in zijn geheel moet overdragen aan iemand uit de volgende generatie. Hierdoor versnippert het bezit nooit. Bij de instelling van het Burgerlijk Wetboek in 1838 wordt het instellen van een fideicommis verboden, waardoor het bezit verdeeld moet gaan worden onder meerdere erfgenamen. Tenslotte doet de overheid er in de 19e eeuw niets aan om stinsen en states te behouden, omdat de cultuurhistorische waarde ervan in die tijd niet wordt ingezien.

 

De stins te Veenwouden

 

 

Meer lezen op NazatenDeVries: Meer lezen Van Steenhuis tot Borg.
Dit artikel gaat over drie bestaande steenhuizen, een verdere toelichting en recente ontwikkelingen.

 


 

Noten:

1. Er zijn ook bronnen die er vanuit gaan dat er wel meer dan 200 steenhuizen in Groningen hebben gestaan. Zie daarvoor ook het artikel 'Van Steenhuis tot borg.'

2. 'De Graanrepubliek'. Er zijn twee verschillende uitgaves van De Graanrepubliek, geschreven door Frank Westerman (1964). Het eerste boek wordt uitgegeven in 1999 bij Amstel Uitgevers BV en haalt maar liefst de tweeëntwintigste druk. Het tweede boek, met dezelfde titel, wordt uitgebracht in 2008. Daarin is Blauwestad opgenomen als onderdeel van De Graanrepubliek, zoals het Oldambt ook wel wordt genoemd na het verschijnen van het eerste boek.
De graanrepubliek (uitgave 2008) is het verhaal van de 20e eeuw, gesitueerd in het grimmigste stukje Nederland. Frank Westerman gaat honderd jaar terug, naar de vergeten opstand van 1892, toen de verpauperde knechts de kapitale boerderijen van het Groninger land omsingelden. In het voetspoor van Sicco Mansholt neemt hij de lezer mee van de executieverkoop van de hoeve Torum (verdronken dorp) in 1922, via het verzet in de Wieringermeer naar het naoorlogse Brussel en Berlijn, om vandaar terug te keren naar de kleidorpen achter de Waddendijk. Reizend door de tijd laat Westerman zien hoe de grote ideologieen het boerenerf als een windhoos hebben beroerd, en hoe de neergang van de Groninger graanbaronnen noodlottig is verbonden met de opkomst van het geslacht Mansholt. '[...] helder, mooi en dikwijls meeslepend' Michael Zeeman in de Volkskrant 'Een meesterwerk [...] passie en woede, ondergang en ellende, macht en onmacht worden uw deel.' Geert van Istendael in De Morgen 'De graanrepubliek vertelt in een notedop de sociaal-politieke geschiedenis van de twintigste eeuw. Zo levendig en dichterlijk dat je geen syllabe van dit sprankelende meesterwerkje wilt missen.' Nieuwsblad van het Noorden 'Frank Westerman is niet alleen journalist, maar ook een schrijver, en wel een hele goeie ook.' Intermediair 'Een meedogenloos goed geschreven boek.' Theo van Gogh, Nieuwe Revu 'Men ziet de reusachtige figuur van Mansholt op zijn plaats terechtkomen, als een standbeeld op een dorpsplein.' Vrij Nederland. (Bron: Boekbesprekingen.nl).



 

 

Meer lezen op internet:

1. Meer lezen Steenhuizen in West Friesland - Door Ben Dijkhuis en Bernd Ooijevaar (juni 2007).
2. Meer lezen Overzicht van alle stinsen in Friesland.

3. Meer lezen Veel foto's van stinsen.

 


Bronnen, noten en referenties:
1. W.J Formsma, R.A. Luitjens-Dijkveld Stol en A. Pathuis, De Ommelander Borgen en Steenhuizen, 2e druk, Van Gorcum, Assen/Maastricht, 1987.
2. Borgen in Groningen.
3. Formsma, W.J. - De Ommelander Borgen & Steenhuizen, blz. 283 - 285 (met illustratie).
4. Kransberg, D. - Kastelengids van Nederland, blz. 15, (met illustratie) .
5.Wikipedia.


 

 

Deze pagina maakt onderdeel uit van www.nazatendevries.nl.

Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten

voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...

geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.

 


 

 

Hoogeveen, 20 juni 2009

Bewerkt: 22 nov. 2009
Bewerkt: 23 juli 2011
Verhaalbewerking voor NdV: © Harm Hillinga


Menu Artikelen. HomePage
Top