Ulrich I Cirksena Van Oost-Friesland en Theda Ukena 1,3,2

 

Gezinsblad van

 

Ulrich I Cirksena (Van Oost-Friesland) [5602], zn. van Enno II Edzardisna Von Greetsiel Und Norden [6020] en Gela Beninga von Manslagt [6021], geb. te Norden in 1408, wordt door kiezer Friedrich III in de erfelijke ‘Reichsgravenland’ verheven, is de eerste graaf van Oost-Friesland van 1441 tot 1466, ovl. (ongeveer 58 jaar oud) te Emden (Dld) op woensdag 26 sep 1466 of 26 sept. 1466.

relatie

met Theda Ukena [5601], dr. van Uko Fockena Ukena [5591] en Hebe Attena von Nesse Und Dornum [5598], geb. circa 1434, ovl. (ongeveer 60 jaar oud) op maandag 17 sep 1494, relatie(2) met Vieto Frese [5609]. Uit deze relatie geen kinderen.

 

Uit deze relatie 6 kinderen:

 

1.           Heba Cirksena [5603], geb. op woensdag 18 nov 1457, ovl. (ongeveer 19 jaar oud) circa 1477 Hij is begraven in het Klooster Marienthal in Ost-Friesland, begr. te Norden in 1496, tr. met Erich I Schaumburg-Penneberg, geb. in 1420, ovl. (ongeveer 72 jaar oud) op vrijdag 25 mrt 1492. Uit dit huwelijk geen kinderen.

2.           Gela Cirksena [5604], geb. in 1458, ovl. (ongeveer 34 jaar oud) in 1492, begr. te Klooster Marienthal, Ost‑Friesland, Dld.

3.           Enno I Cirksena [5605], geb. op vrijdag 1 jun 1460, graaf van Oost-Friesland van 1466 tot 1491, ovl. (30 jaar oud) te Friedeburg [Dld] op donderdag 19 feb 1491.

4.           Edsgardt I De Grote Ook: Edzard I van Oost-Friesland Cirksena van Ost-Friesland [5606], geb. te Greetsiel [Dld] op vrijdag 14 feb 1462, graaf van Oost Friesland van 1491 tot 1528, ovl. (66 jaar oud) te Emden (Dld) op dinsdag 14 feb 1528, tr. (resp. ongeveer 35 en ongeveer 28 jaar oud) in 1498 met Elisabeth van Rietberg Ansberg [7603], dr. van Johann I von Rietberg [7604] en Margarethe Zur Lippe [7605], geb. circa 1470, ovl. (ongeveer 42 jaar oud) op zaterdag 13 jul 1512. Uit dit huwelijk 7 kinderen.

5.           Uko Cirksena [5607], geb. in 1463, graaf van Oost Friesland, ovl. (ongeveer 44 jaar oud) in 1507.

6.           Almuth Cirksena [5608], geb. in 1465, ovl. (ongeveer 57 jaar oud) circa 1522, begr. te Norden, klooster Marienthal in 1523, tr. met Engelmann von Horstell. Uit dit huwelijk geen kinderen.

Grafische voortelling van Ulrich I (gezinsblad)

Het volgende handelt voornamelijk over vader Ulrich I Cirksena, kortweg Ulrich en zijn zoon Edsgardt I De Grote, kortweg Edzard, waarbij de achtergronden van de historie rond deze personen verder belicht worden. In hoeverre deze personen tot de voorouders van NazatenDeVries behoren zal pas aan de orde komen bij het inpassen van deze, vorige en toekomstige verhalen over onze voorouders. Wel wil ik nog even aangeven dat de Cirksena's niet alleen de voorouders zijn van NazatenDeVries, maar ook van grote vorstenhuizen, waaronder die van Oranje ... De vermelde historische feiten en achtergronden zijn -voorzover mogelijk- conform de huidige stand van zaken rond de geschiedkundige inzichten genoteerd en onderzocht.

 

Biografie van Ulrich I Cirksena (Van Oost-Friesland) [5602].

Ulrich I van Oost-Friesland (* Norden, 1408; † Emden, 25 of 26 september 1466 ) is een zoon van de hoofdeling (hoofdman) Enno Edzardisna von Norden en Greetsiel en van Gela von Manslagt.

 

 GDPscale[999]Ulrich I Cirksena

 

Foto boven: Ulrich I Cirksena


Zijn vader Enno heeft Nordens Attena geërfd en is hoofdman van Norden geworden, waardoor Ulrich een belangrijke erfenis verwerft. Door zijn moeder Gela, dochter van Affo Beninga, hoofdman in Pilsum en Manslagt, en van Tiadeka Siartza von Berum, verkrijgt hij ook de erfenis van de aanzienlijke familie Cirksena. Gela en haar nicht Frauwa Cirksena ('Sydzena') zijn de enige erfgenamen van de Cirksena van Berum. Enno heeft van de gelegenheid gebruikt gemaakt om zijn zoon uit zijn eerste huwelijk, Ulrichs stiefbroer Edzard, uit te huwelijken aan Frauwa. Ulrich en Edzard nemen daarbij de familienaam en het wapen van hun echtgenotes aan. Wanneer Edzard en Frauwa in 1441 zonder nakomelingen allebei aan de pest sterven, erft Ulrich ook de nalatenschap van de Cirksena van Berum. Met zijn vader en zijn oudste stiefboer Edzard sluit Ulrich in 1430 de 'Freiheitsbund der Sieben Ostfrieslande'.


Van de Averborg bij Aurich reseert onder meer deze tekening.
Afb. boven: Van de Averborg bij Aurich reseert onder meer deze tekening.

De vrijheidsbond is gericht tegen de heersende Fokko Ukena. Edzard weet samen met zijn broer Ulrich een eind te maken aan de macht van de Ukena-partij. Ulrich Cirksena voert zelf ook een handige huwelijkspolitiek. Zijn eerste vrouw is Folka, erfdochter van hoofdman Wibet van Esens. Zij draagt hem in 1440 de heerlijkheid Esens over.

 

Na het huwelijk in 1455 van Ulrich Cirksena met Theda, de kleindochter van zijn tegenstander wordt het grootste deel van Oost-Friesland verenigd. Slechts de heerlijkheden Jever en Friedeburg handhaven hun zelfstandigheid. Sibet Attena, een neef en helper van Ulrich krijgt de heerlijkheden Esens, Stedesdorf en Wittmund, die samen het Harlingerland vormen. Het Harlingerland blijft wel onder het oppergezag van de familie Cirksena. Omdat Ocko I tom Brok het gebied in 1381 als leen heeft opgedragen aan de graaf van Holland, is de status van de heerser van Oost-Friesland onduidelijk. De heerser in Oost-Friesland besluit de situatie te verbeteren door zich direct tot de keizer te wenden. Keizer Frederik III verheft Ulrich daarom in 1464 tot rijksgraaf. De keizer beleent Ulrich I met het rijksgraafschap in Norden, Emden, Emisgonien in Oost-Friesland. Hij moet daarvoor wel een belangrijke geldsom overmaken aan de kanselarij van de keizer, die steeds in geldnood verkeert.


In 1448 laat Ulrich een waterburcht, de Averborg bouwen, 'gegenüber der Burg', waarmee wordt bedoeld dat er tegenover een andere

burcht heeft gestaan, nl. die van de familie tom Brok. De Averborg wordt een burcht met vier vleugels. Eggerik Beninga (1490 tot 19 okt. 1562) en is een oostfriese geschiedschrijver uit het adelijke geslacht Beninga, heeft er het een en ander over geschreven.


 GDPscale[999]

Model van de Averborg bij Aurich
Afb. boven: Model van de (verdwenen) Averborg bij Aurich

 


 

Het wapen van de familie Beninga uit Grimersum.
Het wapen links van de familie Beninga uit Grimersum.
De familie is volledig uitgestorven en van hun kasteel in Grimersum is niets meer over.

Vergelijk het wapen van de Beninga's eens met die van de Huninga's (rechts) en het huis van Oranje. Het verschil tussen het wapen van de Beringa's en de Huninga's is slechts de kleur van de achtergrond, respectievelijk rood en blauw.
Het wapen van de Huninga's

 

 GDPscale[999]

Deze Beninga is tevens een van de eerste staatsmannen van Oost-Friesland en is drost geweest te Leerort en tegelijkertijd tussen 1540 en 1556 raadgever van gravin Anna van Oost-Friesland. De door hem geschreven kroniek 'Cornica der Fresen', is geschreven in het plat-Duits en omvat de geschiedenis van de Friezen van de oudste tijd tot 1562. Zijn grafsteen bevindt zich in de kerk van Grimersum. Hij schrijft onder meer daarover in zijn Cronica der Fresen: ‘(..) leet juncker Ulrick de overborch to Aurick int veerkannte mit den 4 tornen anleggen unVan het slot van de Cirksena's resteert de Marstall waar ooit de vorstelijke paarden en later de 'Neue Kanzlei' in gehuisvest is.uptimmeren und enen wall darumme tehen’. Het gebied, waar de borg op gebouwd wordt is eerder gebruikt als paarden en veemarkt. Bovendien koopt Ulrich vier kampen (* 'kamp' komt van het Latijnse 'campus' en is in feite een afgemeten stuk land) van een zekere Udo Rienena uit Barstede. In 1568 wordt de burcht door een grote brand volledig verwoest. In de tweede helft van de 16e eeuw wordt er een nieuwe borg, ook weer met vier vleugels, gebouwd. De uitbreidingen in 1731/32 onder Georg Albrecht Cirksena veranderen het slot van Aurich nog éénmaal, waarna in 1852 volledige nieuwbouw plaats vindt. Het wordt dan niet meer gebruikt als zetel van een voorname familie, maar de plaats waar de regering van Hannover zetelt. Van het vroegere complex zijn tegenwoordig alleen noch resten van de gracht en van een wal te zien. Verder versieren de zuilen van het slotpark nu het einde van de Burgstrasse, maar bovenal getuigt nog de Marstall van Georg Albrecht van het oude Cirksena slot. Ooit zijn hier de vorstelijke paarden en de 'Neue Kanzlei' gehuisvest (foto links).

 

 

Biografie van Enno I Cirksena [5605].

Enno I is niet onmiddellijk geïnteresseerd in de opvolging van zijn vader, zodat het bestuur in handen blijft van zijn moeder Theda. Hij neemt deel aan een pelgrimstocht naar het Heilig Land, waar hij in Jeruzalem tot ridder geslagen wordt. Tijdens zijn afwezigheid raakt zijn zuster Almut verliefd op de edelman Engelmann van Horstell, de drost van Friedeburg. Zij smeden huwelijksplannen, die echter gedwasrboomd worden door Almuts moeder Theda. Toch gaat Almut samen met haar verloofde naar Friedeburg en neemt de familiejuwelen mee. Als Enno terugkeert naar Oost-Friesland en denkt dat zijn zuster is ontvoerd, gaat hij de drost achterna naar zijn burcht. Enno zakt echter door het ijs rond de burcht en verdrinkt.

 

Biografie van Edsgardt I De Grote Cirksena van Ost-Friesland [5606].

 

 GDPscale[999]Graaf Edzard I omstreeks 1520/30. Schilderij van Jacob Cornelisz van Amsterdam

 

Graaf Edzard I omstreeks 1520/30. Schilderij van Jacob Cornelisz van Amsterdam


EDZARD DE GROTE
Edzard I, Edzard de Grote (1461 - Emden, 14 februari 1528) graaf van Oost-Friesland vanaf 1492 in opvolging van zijn broer Enno. Hij strijdt met Georg van Saksen om Friesland en Groningen. De stad Groningen neemt hem in 1506 als heer aan, maar ruilt hem in 1514 al weer in voor Karel van Gelre. Nadat hij in 1492 terugkeert van een pelgrimstocht naar Jeruzalem neemt hij, samen met zijn moeder Theda de regering over Oost-Friesland op zich. Nadat zijn moeder in 1494 is gestorven, regeert hij samen met zijn minder beduidende broer Uko.
Edzard I kenmerkt zich vooral door de energieke aanpak van zijn tegenstrevers, de Oost-Friese leiders Hero Omken uit Harlingerland en Edo Wiemken uit Jever, die hij al snel tot onderwerping dwingt. Verder is hij een warm begunstiger van de reformatie in zijn gebied door de inrichting van een nieuwe Oost-Fries landrecht, de hervorming van het muntwezen en de invoering van de Primogenitur (erfopvolging door de eerstgeborene) in het Huis van Cirksena.

 GDPscale[999]Het Friese gebied door Maximiliaan aan Albrecht van Saksen-Meiszen verleend. In 1498:

 

Afb. boven: Het Friese gebied door Maximiliaan aan Albrecht van Saksen-Meiszen verleend. In 1498:

I Westergo, II Oostergo, III Zevenwolden, IV De Ommelanden, V Land Wursten, VI Ditmarschen,

VII Noord-Friesland. In 1499: IX Oost-Friesland, X Harliangerland, VIII de stad Groningen, XI Jever

 XII Butjadingen..................  grens in 1498, - - - - - - - - grens in 1499.


Zijn buitenlandpolitiek leidt hen tot een driejarige strijd (1514-1517) tegen hertog George van Saksen. Deze strijd speelt zich grotendeels op Oost-Fries gebied af en zorgt er voor dat grote gebieden worden vernietigd, zo wordt bijvoorbeeld de stad Aurich geheel met de grond gelijk gemaakt.
Hertog George van Saksen wordt door Keizer Maximiliaan I in 1514 benoemd tot stadhouder over alle Friese landen. Dit wordt door de stad Groningen geweigerd. Graaf Edzard ziet dit als een goede gelegenheid zijn invloed uit te breiden over de provincie Groningen en laat zich uitroepen tot beschemheer van de stad. Daarop vallen 24 Duitse hertogen en graven met hun troepen de Friese landen binnen en richten grote verwoestingen aan. Edzard wordt door de Keizer vogelvrij (Reichsacht) verklaard.
In de drie jaren durende strijd weet Edzard uiteindelijk het grootste deel van Oost-Friesland in zijn macht te houden. Pas als Karel V aan de macht komt in Nederland slaagt Edzard er in genade te krijgen en beleend te worden met Oost-Friesland.

 

 GDPscale[999]Anno 1480: Pater Brugman maant de Friezen tot vredelievendheid. (Paul Constantin Dominique Tetar van Elven (Antwerpen 1823 - Scheveningen 1896) Doek, olieverf; gesigneerd, 1852; 40×55,5; inv. A 4989) In Friesland was het even onrustig als in Holland. De twisten der Schieringers en Vetkopers, der verschillende steden en edelen onderling, gaven voortdurend aanleiding tot bloedige veten. Alle pogingen om vrede te stichten waren vruchteloos. Zelfs naar geestelijken werd niet geluisterd. Een minderbroeder, Brugman genaamd, vermaande de Friezen voortdurend. Nadat hij hen weer eens krachtig had toegesproken, plaatste hij, om zijn toehoorders te beschamen, in hun midden een kind wiens vader door partijhaat was omgekomen. Brugman vroeg toen: Mijn kind, indien gij in plaats van wraak te nemen over uw vaders dood, vrede en verzoening begeert, steek dan uw rechterhand op. Het kind deed dit ogenblikkelijk, wat diepe indruk op de menigte maakte. Op den duur had de welsprekendheid van de monnik echter geen resultaat. En zo zegt men tegenwoordig nog van iemand die zijn woorden aan weerbarstige toehoorders verspilt, dat hij praat of kalt als Brugman.

 

Afb. boven: Anno 1480: Pater Brugman maant de Friezen tot vredelievendheid. (Paul Constantin Dominique Tetar van Elven (Antwerpen 1823 - Scheveningen 1896) Doek, olieverf; gesigneerd, 1852; 40×55,5; inv. A 4989) In Friesland is het even onrustig als in Holland. De twisten der Schieringers en Vetkopers, van de verschillende steden en edelen onderling, geven voortdurend aanleiding tot bloedige veten. Alle pogingen om vrede te stichten zijn vruchteloos. Zelfs naar geestelijken wordt niet (meer) geluisterd. Een minderbroeder, Brugman genaamd, vermaant de Friezen voortdurend. Nadat hij hen weer eens krachtig heeft toegesproken, plaatst hij, om zijn toehoorders te beschamen, in hun midden een kind wiens vader door partijhaat is omgekomen. Brugman vraagt dan: Mijn kind, indien gij in plaats van wraak te nemen over uw vaders dood, vrede en verzoening begeert, steek dan uw rechterhand op. Het kind doet dit ogenblikkelijk, wat diepe indruk op de menigte maakt. Op den duur heeft de welsprekendheid van de monnik echter geen resultaat. En zo zegt men tegenwoordig nog van iemand die zijn woorden aan weerbarstige toehoorders verspilt, dat hij praat of kalt als Brugman.

 


EDZART EN DE BORG DIJKHUIZEN BIJ TJAMSWEER
Dijkhuizen is een borg die in het verleden aan het Damsterdiep heeft gestaan, ter hoogte van het dorp Tjamsweer, direct ten westen van Appingedam. De borg is vooral bekend geworden omdat deze een tijdlang bewoond is geweest door Focko Ukena.
Van de vroegere geschiedenis van Dijkhuizen is niets bekend. De borg wordt voor het eerst genoemd als eigendom van Hiddeke van Wijtwerdt als zij met Focko Ukena in het huwelijk treedt. Dat huwelijk zal in het begin van de 15e eeuw hebben plaatsgevonden.
De borg zal in de strijd tussen Focko en de stad Groningen door de laatste zijn ingenomen en geheel verwoest. Aangenomen wordt dat de borg daarna weer is opgebouwd omdat Ukena er gestorven is. Na de dood van Ukena komt de borg in handen van zijn dochters die deze uiteindelijk verkopen aan een lid van de familie Ripperda. Dijkhuizen blijkt echter ook voor die familie geen rustig bezit. Aan het eind van de 15e eeuw is de borg wederom strijdtoneel van de strijd tussen Groningen en een hoofdeling uit Oost-Friesland, de inmiddels tot graaf opgeklommen Edzard Cirksena. Edzard heeft Dijkhuizen ingenomen, de troepen van de stad weten uiteindelijk in 1503 de borg te heroveren en breken deze dan tot de grond toe af. In hoeverre de borg daarna weer is opgebouwd is onbekend. In de 18e eeuw is nog wel geprocedeerd over de restanten, maar van latere bewoners is geen sprake.
De borg heeft aan de zuidzijde van het Damsterdiep gestaan. Ter plaatse is nog een flauw restant van de voormalige gracht bewaard gebleven. De weg langs het Damsterdiep heet nog steeds de Dijkhuizenweg.

DEN KEYSER DAT ISSER SO MACHTIGEN MAN
Misplaatste juichkreet
Bij velen, wier kennis der vaderlandse geschiedenis steunt op een ondeskundig verhaal en een jaartallenboekje, is 1543 een mooi jaartal. Sedert dat jaar is Karel V 'heer van àl de Nederlanden'. Het kan alleen waar zijn, wanneer er voor die tijd Nederlanden zouden zijn, die feitelijk een staatkundige eenheid behóórden te vormen, maar het door onwil of onvermogen niet hebben gedaan. En dan komt Karel V en brengt de eenheid.
Het is niet zo, dat Karel V in 1543 zichzelf en de Nederlanden geluk kan wensen, omdat het laatste der verstrooide gewesten onder veilige hoede is gebracht. Karel neemt eenvoudig, wat hij krijgen kan. Hij kan Oost-Friesland, Bentheim, Kleef of Luik er net zo goed bij willen nemen, maar daar krijgt hij de kans niet voor.

DE 17 GEWESTEN
Het is gewoonte te spreken van al de zeventien gewesten. Op sommige historische atlassen staan ze genummerd. Maar er is hiervóór een gedicht aangehaald, dat in 1477, bij de dood van Karel de Stoute, ook al spreekt van een erfenis van zeventien gewesten, nagelaten aan een maagd. Prof. Huizinga heeft daar reeds op gewezen, en hij haalt ook een Latijnse aantekening uit ± 1500 aan, waarin Karel de Stoute heer van zeventien landen wordt genoemd. Maar als men het precies uittelt, dan heeft deze hertog 4 hertogdommen, 14 graafschappen en een aantal heerlijkheden. Prof. Huizinga oppert de veronderstelling, dat zeventien niet als een bepaald hoofdtelwoord moet worden opgevat, maar als een woord, dat een onbepaald, niet te groot aantal bedoelt. In de Bourgondische tijd wordt ook in verschillende geschriften gehandeld over de zeventien Christelijke koninkrijken, terwijl die toch onmogelijk zijn uit te tellen.

MAXIMILIAAN EN DE FRIEZEN
Tussen Vlie en Wezer liggen, van het Westen naar het Oosten, eerst Westerlauwers Friesland, waar Schieringers en Vetkopers elkaar bestrijden, en de Hollandse graven aanspraak maken op het gezag, dat ze er nooit hebben kunnen vestigen; dan de Ommelanden, die geheel onder invloed van het Saksische Groningen geraken; ten slotte Oost-Friesland.
Het laatste gewest heeft sedert 1464 een eigen graaf, uit een geslacht van Friese heerschappen. En onder deze graaf en zijn opvolgers, uit het huis Cirksena, blijft het eeuwenlang een georganiseerd deel van het Duitse rijk. Keizer Frederik III heeft er over gedacht, de stad Groningen tot potestaat te maken over het gebied tussen Vlie en Eems. Keizer Maximiliaan, ingelicht door zijn diplomaat Otto von Langen, domheer van Mainz, stemt in met het plan, de Friezen te brengen tot een daadwerkelijke erkenning van des keizers gezag. Zij hebben zich immers altijd tegen de graaf van Holland en de bisschop van Utrecht verzet met een beroep op hun oude vrijheid, die daarin bestaat, dat zij geen andere aardse heer hebben dan de keizer.
Naast de keizer zal een potestaat het land besturen. Ook deze titel wekt herinneringen aan oude overleveringen, die verhalen, hoe Magnus Forteman door Karel de Grote tot eerste potestaat van Friesland is benoemd. Inderdaad slaagt Otto von Langen er in, de Friezen op de landdag te Sneek in 1494 te bewegen tot het verkiezen van een potestaat, Juw Dekama. Maar het valt al tegen: alleen de Schieringers erkennen hem. De Vetkopers gaan tegen hem in, krachtig gesteund door de stad Groningen. Want daar verwacht men weinig goeds van de keizerlijke activiteit. Een geordend Friesland zonder partijschappen geeft de stad niet meer de gelegenheid de rol te spelen van de derde hond, die ras heenloopt met het been, dat in geding is. En de stad heeft grote invloed, ook aan het keizerlijk hof. Zij wordt geleid door zeer bekwane mannen ter stede, zoals de secretaris Gelmer Canter, en vooral Wilhelmus Frederici, persona van Groningen en pastoor der St.Martini. Hij is omstreeks 1500 de belangrijkste man van het Noorden, en een uitstekend tegenspeler van Otto von Langen, terwijl pastoor Jelle van Rauwordt de belangen van Westergo bij de keizer behartigt. Het is merkwaardig, in welk een sterke mate de geestelijken in de Noordelijke gouwen de staatkundige leiding hebben.
In dit diplomatenspel rondom Maximiliaan is vooral merkwaardig een voorstel van Otto von Langen, om Groningen door een blokkade klein te krijgen. Reeds is er in het voorafgaande op gewezen, dat Groningen eerst veel later het centrum van een landbouw provincie wordt. In de Middeleeuwen gaat het om de 'vette waren'. Otto von Langen betoogt in een nota aan de keizer, dat de stad ieder jaar ongeveer 30.000 stuks vette runderen exporteert naar de Bourgondische landen en de streken aan de Rijn. Wanneer de invoer van dit vee onmogelijk wordt gemaakt, zal de stad het hoofd in de schoot leggen.
Het plan is in portefeuille gebleven. Maximiliaan wil geen avontuur wagen in het uiterste Noordwesten van het keizerrijk, het Groninger goud maakt hem welwillend jegens de stad, en hij blijft werkloos toeschouwer, als in 1497 de stad zelfs met Westergo een verdrag sluit, waardoor zij haar invloed kan doen gelden tot Staveren toe. Alleen Franeker en enkele Schieringse edelen blijven zich nog verzetten.

ALBRECHT VAN SAKSEN
In dit stadium komt Albrecht van Saksen naar voren. Hij heeft voor de Habsburgers Philips van Kleef tot overgave gedwongen, het verzet van de Hoeken beëindigd en het Kaas- en Broodvolk neergeslagen. Maar hiermee is hij niet klaar. Er is een onbetaalde rekening, want Albrecht heeft de oorlog uit eigen beurs gefinancierd. De nota vermeldt een totaalbedrag van 250.648 Rijnse goudguldens en 4 stuivers. Het is de vraag, of hij het ooit terug zal zien. Trouwens, Albrecht wil het liever in een andere vorm verrekenen. Wanneer hij een gewest zal kunnen verwerven, dat hem behoorlijke inkomsten biedt, dan heeft hij dat liever. Dan zal hij ook het euvel kunnen voorkomen, dat in Duitsland zoveel verwarring heeft gesticht, dat n.l. de landen van een vorst bij versterf over de kinderen worden verdeeld, wat aanleiding geeft tot allerlei dwaze grenzen rondom miniatuurstaatjes. Albrecht heeft twee zoons; de oudste, George, zal dan de Saksische gebieden kunnen erven, terwijl de jongste, Hendrik, kon worden geplant in het nieuw te verwerven gewest.

DE TROOST VAN DE SCHIERINGENS
Nu komt het hem juist van pas, dat de door Groningen en de Vetkopers in het nauw gebrachte Schieringers hun heil bij hem gaan zoeken. Het is in de dagen der Friese partijschappen de gewoonte, dat de onderliggende partij uitkijkt naar hulp van vreemden. In die tijd verstaat men het nog zelden, dat het uit partijzucht heulen met de ambitieuze vreemdeling een vorm van volksverraad is. Zelden is een partij zo bij de neus genomen als de Schieringers door Albrecht van Saksen. In 1495 staat hij rijdts met de steden Workum en Bolsward en een aantal Schieringse hoofdelingen in verbinding. Maar tegelijk helpt hij een verdreven Vetkoper in het geheim aan 1500 huursoldaten, die daarmee de Schieringers nog meer in het nauw brengt. In de uiterste nood roepen zij Albrecht te hulp, die gevolmachtigden zendt, om met de Schieringers te onderhandelen. Zodra zij in Friesland zijn, blijkt het, dat de 1500 man feitelijk te hunner beschikking zijn. Zo valt het Albrecht niet zwaar, zijn verlangens in het gewest door te zetten. In 1498 wordt hij achtereenvolgens door Westergo, door Oostergo en door een aantal grietenijen uit de Zevenwolden erkend.

GUBERNATOR
Nu moet er nog een rechtsgrond worden gevonden. Want Philips de Schone brengt in herinnering, dat er tal van keizerlijke oorkonden zijn, waarin Friesland aan zijn voorgangers, de graven van Holland, geschonken is. Maar Albrecht staat sterk met zijn rekening. En zo komt er een verdrag tot stand. De rekening wordt als voldaan beschouwd en Philips doet ten behoeve van Albrecht afstand van àl zijn rechten op Friesland. Maximiliaan ontvangt van Albrecht 100.000 goudguldens, en geeft daarvoor zijn keizerlijke macht. Zo zit Albrecht nu als wettige, keizerlijke bestuurder in Friesland. De titel van graaf of hertog krijgt hij niet. Men komt de Friezen tegemoet in hun pretentie, onmiddellijk onder de keizer te staan. Daarom wordt Albrecht Gubernator van Friesland. Hij mag alles doen, wat een 'regerende heer en vorst in zijn landen macht heeft te doen'. Maar Philips kan het land inlossen, als hij alle schulden en onkosten aan Albrecht betaalt en Maximiliaan heeft voor zich hetzelfde voorbehoud gemaakt. Officieel heeft dus de positie van Albrecht een voorlopig, tijdelijk karakter.
Albrecht is nu gubernator van Friesland. Maar die naam is in die tijd niet de omschrijving van een scherp begrensd staatkundig gebied. Hoever strekt zich de bevoegdheid van Albrecht uit? In de oorkonde van 1498 worden vier gebieden genoemd: de tegenwoordige provincie Friesland, de Ommelanden, Ditmarschen tussen Elbe en Eider, en Noord-Friesland in het tegenwoordige Sleeswijk. Doch in 1499 volgt een nadere verklaring van Maximiliaan, waarbij onder het gebied van Albrecht ook begrepen wordt het Friese gebied tussen Wezer en Eems en de stad Groningen. Graaf Edzard van Oost-Friesland zal zich dus formeel onder Albrecht hebben te stellen en Groningen, dat officieel tot het bisdom Utrecht behoort, maar praktisch allang onafhankelijk is, zal zich ook moeten onderwerpen. Hier komt een plan te voorschijn, om al de Friezen onder één bewind te verenigen. En als de jongste zoon van Albrecht zijn opvolger wordt in dit gebied, dan krijgen de Friezen ook een eigen, zij het dan geïmporteerde dynastie.

DE MISLUKKING
Maar die jongste zoon, Hendrik, krijgt het volgende jaar al genoeg van dat Friesland. Hij neemt de zaken voor zijn vader waar, maar er breekt een opstand uit en de jonge vorst wordt door het landvolk in Franeker belegerd. Ze willen hem in letterlijke zin aan de ketting leggen. De vader komt haastig met een leger tot ontzet. En hij heeft een verrassend lichte taak, want het is juist in de zomer van 1500 het prachtigste weer voor de hooiing geworden. De belegeraars houden het niet langer uit; zij zijn boeren en geen soldaten; zij gaan naar hun eigenlijke werk, winnen het hooi en verliezen de strijd. Maar Hendrik heeft er genoeg van. Als zijn vader nog hetzelfde jaar sterft, blijft hij in Saksen en wordt met zijn oudere broer zowel in Saksen als in Friesland deelgenoot in het bewind. Friesland laten zij door een stadhouder besturen. Diens gezag beperkt zich tot het gebied ten Westen van de Lauwers. Van een vereniging van al de gebieden, in de oorkonde van 1499 opgesomd, komt niets. De stad Groningen en Oost-Friesland vormen daartegen de sterke kern van verzet. Voordeel levert het bewind in Friesland weinig op. George beschouwt de rechten, die zijn vader hier verworven heeft, eigenlijk als een halfmislukte geldbelegging, en vind het daarom het beste, de zaak te liquideren.

EDZARD IN GRONINGEN
In 1506 probeert George evenwel Groningen in zijn macht te krijgen. De stad wordt door zijn aanvoerder, de ruwe Vijt van Traxdorp, belegerd, die door zijn schelmstukken bij de Groningers een slechte naam heeft. Er staan veel ontuchtige stukken op zijn naam, 'hier te vertellen niet behoorlick'. De Groningers roepen graaf Edzard te hulp, die de stad ontzet. 'Als nu grave Edzard in de stad quam, is he van den gemenen borgeren, oock geestelick und weltlich, mit grooten reverentiën wel ontfangen, leten al ohr geschut und klok-ken ohm to eeren afgaen und luiden. De kinder op der straaten veranderden de lovesanck van den upstandige Christi: 'Christus is upgestande, Heer Vijth moet nu uth deissen lande, Des willen wy alle froh sijn, Grave Edsard wil onse troost sijn, Kyrie Eleison.'.
Edzard gaat hiermee dwars tegen de beschikking van Maximiliaan in en hertog George vraagt de keizer, Edzard in de ban te doen. Aanvankelijk zonder resultaat, want Maximiliaan wil de machtige Edzard, die in de Oostfriese geschiedenis de bijnaam de Grote draagt, niet desperaat maken. Dat zal hem in de armen van Frankrijk drijven.

KAREL VAN GELRE
Frankrijk heeft al een sterke voorpost ver naar het Noorden. Karel van Gelre is als zesjarig jongetje met zijn zuster Philippa door Maximiliaan te Nijmegen gevangen genomen en naar Gent gebracht. Hij wordt er overeenkomstig zijn rang opgevoed, vergezelt Maximiliaan naar Frankfort, om diens verkiezing tot Rooms koning bij te wonen, en wordt daar tot ridder geslagen. In 1487 verbreekt Maximiliaan de vrede met Frankrijk, tot zijn ongeluk. Hij lijdt een verpletterende nederlaag bij Béthune, en raakt kort daarop in Brugge in gevangenschap. In de slag bij Béthune wordt Karel van Gelre door de maarschalk van Frankrijk gevangengenomen. Na bijna vijf jaren van gevangenschap kopen de Geldersen hun jonge hertog vrij en 25 maart 1492 rijdt Karel Roermond binnen, toegejuicht door de bevolking van zijn hertogdom. Het is in dezelfde tijd, dat Philips van Kleef zijn verzet moet opgeven.
Het Oostenrijkse huis krijgt nu in Karel van Gelre een nieuwe tegenstander, die evenals Philips van Kleef, door Oostenrijks erfvijand, de koning van Frankrijk, wordt gesteund. De verbinding met Gelre is niet al te moeilijk. Robert van der Marck, heer van Sedan, is een vriend van Karel van Gelre en een lastige vijand van de Habsburgers, en in Luik is altijd een sterke Fransgezinde partij. Maximiliaan doet alles, om Gelre te kortwieken, maar als Philips de Schone in 1494 zelf het bewind over de Bourgondische erflanden aanvaardt, volgt hij daarin de politiek van zijn vader niet. Trouwens, de Staten van zijn gewesten zijn volstrekt onwillig, beden op te brengen, om de verovering van Gelre te bekostigen. Zij zeggen: die verovering is uitsluitend een belang van de dynastie. Van gewesten, die 'helaas' nog aan de zeventien ontbreken, weten zij natuurlijk niets.
De toestand verandert, als in 1500 blijkt, dat Philips erfgenaam van Spanje zal worden. Dan gaat hij imperialistische politiek drijven en pakte in 1505 ook Gelre aan. Arnhem wordt veroverd en Karel moet zoete broodjes bakken. Hij moet mee naar Spanje. Maar als het zover is, ontsnapt hij uit Brussel en doet voor de tweede keer zijn intocht in zijn hertogdom. Philips heeft geen tijd, nieuwe maatregelen te nemen; hij vertrekt naar Spanje en sterft er het volgende jaar. En Maximiliaan, de regent van Karel V, is machteloos, omdat de Staten-Generaal alle steun tegen Gelre weigeren. Karel van Gelre zit in de zadel.

ZIJN VERBINDING MET HET NOORDEN
Nog altijd zit Edzard in Groningen en de stadhouder van George van Saksen in Friesland. De stad blijft de Ommelanden beheersen, en George mag beweren, dat het zijn gebied is, het baat niet. Eerder zal de Martinitoren op zijn spits staan, dan dat zij hun positie in de Ommelanden zullen opgeven, zo verklaren die van de stad. Grove en trotse lieden daar in Groningen, schrijft George. Maar het ergste is voor hem, dat in Friesland alles wat van ouds Vetkopers-gezind is, en alles wat verder nog ontevreden is over het schrikbewind van de Saks, in contact met Groningen staat.
‘Friesland mag wel 'fressland' heten, het wordt van Saksen en Meiszen opgegeten’, zo zingt men in Friesland.
Voor Karel van Gelre zijn hier goede kansen. Eerst heeft hij betrekkingen met Edzard aangeknoopt, maar later achter diens rug met de Groningers. Zij zijn Edzard moede geworden, en halen nu de troepen van Gelre in hun stad, terwijl de Oostfriese graaf van hen scheidt.
Tegelijk komen de Geldersen in Friesland. Een vloot brengt de troepen uit Harderwijk naar Gaasterland; de Geldersen komen om de Friezen te bevrijden. 'Vrij, Vriesck, zonder schatting ende excijns', is de leus. Het volk kiest de zijde van de bevrijders, alleen enkele heerschappen blijven George trouw. Zij hebben van zijn bewind geprofiteerd en kunnen van een omkering niets hopen. Nog een korte tijd, en heel Friesland op drie steden na, n.l. Harlingen, Franeker en Leeuwarden, is voor de Sakser verloren. Hij liquideert het geval en verkoopt al zijn rechten voor 100.000 gulden aan Karel V. Friesland is voor het Saksische huis een 'scheeftepost' geweest.

OVERIJSEL
Het wordt nu zaak voor Karel van Gelre, om de gouwen aan de Wadden met Gelre te verbinden. Daartoe moet hij vaste voet zien te krijgen in het Oversticht. Een twist tussen Kampen en Zwolle over IJseltollen geeft hem de gelegenheid. Kampen heeft van de bisschop van Utrecht gelijk gekregen en dit is voor Zwolle aanleiding, Karel als beschermheer te erkennen (1521). Een jaar later verovert hij Coevorden en in 1523 Steenwijk. Maar als hij de verbinding met het Noorden tot stand heeft gebracht, is de zaak in Friesland voor hem bedorven. Hij is er ingehaald als beschermheer van een onafhankelijk gewest. Hij wil evenwel als heer worden erkend, er belasting heffen enz. Daarvan zijn de Friezen niet gediend. Dan verandert er niets dan de naam: als Saksisch, nu Gelders.

GROTE PIER
Sterk komt dat uit bij Grote Pier. Tot langs de kust bij Sleeswijk leeft zijn naam in groteske sagen voort. Petrus Thaborita, uit een klooster bij Sneek, heeft een getrouwe beeltenis van hem geschetst. In Holland en Brabant is er 'grote spraeck, van sin grote stercheit en de gruwelicheit, ende van sin grote oghen'. Weliswaar hebben zij overdreven, maar niettemin is hij een groot, zwart man, met grote ogen, grote schouders en een grote baard, 'ende gruweliken van aensyen', vooral als hij boos is. In hof en raad past hij niet, want hij is grof van spraak en wezen; 'ende hy is froem ende fel op die vianden, mer hy is redelijk van herten als een Kerstenman, want hy heeft de een guede meyninck; want syn meyninck is om Vrij ende Fryes te wesen'; hij heeft liever achter de ploeg gegaan, heeft hij zijn land in vrede mogen bebouwen, want hij is een eigen-geërfd man en heeft eigen land genoeg, maar de Bourgondische partij heeft vanuit Franeker zijn dorp Kimswordt overvallen en zijn kerk vernield. Dáárom gaat hij naar Sneek, om zich bij de Geldersen aan te sluiten. Hij wordt het hoofd der Friese kapers. Maar met de Gelderse heren kan hij het slecht vinden, 'want grote Pyer is rechtuut, ende hy en is geen plomstrycker'.
Als hij ziet, dat de strijd voor Gelre wat anders is dan de strijd voor een vrij Friesland, geeft hij er de brui aan en gaat in Sneek wonen.

JANCKO DOUWAMA
En Jancko Douwama denkt er niet anders over. Hij heeft de Geldersen in Friesland gebracht, maar wil ze niet helpen, om in zijn gewest aan de macht te komen. Dan gaat hij liever onderhandelen met Karel V, die de oude aanspraken van de Hollanders heeft gekocht, maar die in 1519 ook keizer is geworden. Hij heeft een plan: de Friezen zullen de keizer huldigen, niet als graaf, maar als keizer. Er komt namens de keizer een gouverneur, die met een overwegend Friese raad het land zal besturen. De toenadering van deze bekwame man is het gouvernement te Brussel niet ongevallig. Maar de Schieringers, die het altijd met de Sakser en daarna met de Habsburgers hebben gehouden, slaat de schrik om het hart. Want àls er een pacificatie van Friesland komt onder leiding van Jancko Douwama, de door hen gehate Vetkoper, die bij alle vrijheidminnende Friezen zo populair is, dan komen zij op het achterhek te zitten. Daarom hebben zij maar één boodschap naar Brussel: gebruik geweld! Geen compromis, geen onderhandelingen! De stadhouder adviseert in dezelfde geest en het bewind van Margaretha te Brussel zet Jancko Douwama gevangen, als hij daar komt onderhandelen. Tot zijn dood blijft hij in de gevangenis te Vilvoorden, wreed en geheel onnodig gekweld met allerlei plagerijen. In de regering van Karel V zit weinig ridderlijkheid; het is in de grond een koud en hardvochtig systeem. In zijn gevangenis heeft Douwama veel geschreven. Zijn hoofdwerk is het Boeck der Partijen, dat hem doet kennen als een ontwikkeld man. Het kost ons soms enige moeite, ons te herinneren, dat deze tijd van partijschappen, van rooftochten en brandschattingen, van verraad en moord, tevens de tijd is van Gansfort, Geert Grote en Thomas à Kempis. En dan lezen wij bij een der bekendste partijgangers, Jancko Douwama, beschouwingen, waarbij hij alle wereldse gewoel de rug toekeert, de stilte en de vrede zoekt in het geloof. Hij maakt ook beschikkingen voor zijn geslacht, en bovenaan vermeldt hij zijn eerste eis: zijn kinderen zullen zich nooit verzwageren met zijn vijanden onder de Schieringers. Zo zijn, óók in hun tegenstellingen, de geschriften van deze man, die omkomt als slachtoffer van de Habsburgse politiek, een echt menselijk document.

UTRECHT GESECULARISEERD
Als op aandrang van de Schieringers de regering van Karel V geweld gaat gebruiken, is het met de vrijheid van Friesland spoedig gedaan. In 1524 erkent het keizer Karel als heer. Utrecht volgt. Het bisdom is voor de Bourgondiërs altijd een lastig geval geweest. Men kan de bisschop intimideren, zijn gezag tot een aanfluiting maken, een bastaard op de bisschoppelijke troon plaatsen, het bisdom zelf is onaantastbaar, zolang de Paus niet meewerkte. Wat zijn voorgangers in dit opzicht niet kunnen bereiken, is aan Karel V gelukt. Zijn troepen hebben het bisdom grotendeels veroverd en de Geldersen er uit verdreven. Maar hij weet tevens te bereiken, dat de elect de wereldlijke macht aan hem afstaat, behoudens goedkeuring van de Paus. Die goedkeuring wordt inderdaad verkregen. In de tweede oorlog, die Karel met Frankrijk voert, is ook de Paus betrokken geweest. Ook hij vreest de suprematie van het huis Habsburg, en heeft zich bij de grote anti-Habsburgse coalitie aangesloten. Het komt hem duur te staan. De keizerlijke troepen, meest Luthersen, stromen naar Rome, plunderen de stad, sparen de kerken niet, bedrijven moedwil aan de kardinalen en maken zo de Paus zeer gewillig.
Zo is Utrecht, en daarmee ook Overijsel en Drente, Habsburgs. De nieuwe bisschop kan zich uitsluitend aan geestelijke zaken wijden.
In de strijd om Utrecht is het nog weer eens gebleken, hoe ernstig het Gelderse gevaar is.

MAARTEN VAN ROSSUM

En gesp ik 't harnas aan.
Ik volg geen vreemde vaan:
Op Rossums heldenspoor.
Zweeft mij in stralend licht.
Het beeld der zege voor.

Dit zegt Staring in zijn Gelders lied. Maarten van Rossum, de Gelderse aanvoerder, met zijn mannen hoog te paarde, hij is voor de Habsburgse gewesten een gedurige bedreiging. Die Geldersche, zegt een versje uit 1517, zijn:


sterk van teeringe.
slap van neeringe.
cloeck in den velde.
maar dorre van gelde.
vroom van moede.
maar cleyn van goede.
doch onversaegt int strijden.


Als dit geschreven wordt, zijn zij Holland al stropende doorgetrokken van Enkhuizen tot Gorkum, en weten zich ten slotte genesteld in Asperen. In 1523 doet Maarten van Rossum een inval met 'een kleinen hoop volks' in Holland, maar ziet kans, alles wat draagbaar is, uit Den Haag te slepen, terwijl de aanzienlijken alleen tegen betaling van hoge sommen kunnen voorkomen, dat hun huizen worden afgebrand. Maar juist dit krasse optreden maakte de Staten weer eens gewillig, in de beurs te tasten ten behoeve van de oorlog tegen Gelre.

GRONINGEN ONDER KAREL V
De positie van de Gelderse hertog in Groningen wordt er intussen niet beter op. De stad laat zich niet exploiteren. Karel V mengt zich in een troonstrijd in Denemarken, waar zijn zwager is verjaagd; de koning van Denemarken werft soldaten in het Eemsgebied; Karel van Gelre probeert met deze soldaten zijn macht in Groningen te versterken. Maar het paard springt verkeerd. Als de stad bemerkt, hoe ernstig het Gelderse gevaar is, sluit zij een verdrag met Karel V (1536) en erkent hem als heer. De stad behoudt haar vrijheden en rechten en Karel zal er wel een 'schoon lusthuys' mogen bouwen, maar geen dwangburcht, zoals in Utrecht.

HET SLOT VAN HET DRAMA
Karel van Gelre houdt nog vol. Hij wordt tot een nadelig verdrag gedwongen (te Grave in 1536), waarbij hij zijn tegenstander als opvolger erkent. Maar ook nu blijkt hij onbetrouwbaar. Hij tracht de Staten van Gelre te bewegen, de Franse koning als zijn opvolger aan te wijzen. Zij doen het niet, maar als hun hertog in 1538 sterft, huldigen zij de hertog van Gulik, Kleef, Berg en Mark. Deze, sinds 1539 is het hertog Willem, neemt nu een vrij belangrijke positie in aan de Zuiderzee en de Neder-Rijn tot voorbij Bonn. Ook om zijn relaties is hij voor de keizer een tegenstander van betekenis. Zijn zuster is gehuwd met de Saksische keurvorst, de leider van de Protestanten in Duitsland. Een andere zuster zal huwen met de Engelse koning, terwijl de hertog zelf verloofd is met een nicht van de koning van Frankrijk. De keizer begrijpt het gevaar. In een snelle veldtocht, door hem zelf geleid, dwingt hij Willem van Gulik in 1543 tot het verdrag van Venlo. waarbij Gelre aan hem wordt afgestaan. Vijf jaar nadat Karel van Gelre is gestorven, komt dit einde, dat hij met al zijn taaiheid, lenigheid, sluwheid, moed en volharding heeft trachten te voorkomen.
'Met hem verdwijnt de man van het toneel, die de verdeeldheid der Middeleeuwen tracht te handhaven tegen de opkomende nationale eenheid'. Dat is het vonnis, dat in het meest gebruikte leerboek voor gymnasia over deze rusteloze strijder wordt geveld. En daarmee wordt de jeugd geleerd te kiezen vóór het succes van de veroveraar, en tegen het recht van de ingeboren vorst, die zijn gewest verdedigt tegen de overweldiger. Dat Karel V zich meester maakte van Gelre, heeft niets te maken met het bevorderen van de nationale eenheid. Het is puur veroveringswerk, dat wil zeggen, staatkundig egoïsme zonder meer. 'Den keyser, dat isser so machtigen man', het wordt die van Gelre reedts voorgehouden in een liedje van 1516. En zolang de geschiedschrijver niet belijdt, dat het recht van de sterkste het hoogste recht is, heeft hij niet het recht, Karel van Gelre te vertrappen. Die heeft recht op onze sympathie, niet om ieder van zijn daden, maar om zijn moed en volharding. En wie geen besef heeft van het tragische van zijn vruchteloze strijd en het oordeel alleen laat afhangen van de uitkomst, die laadt de verdenking op zich, dat hij Willem van Oranje ook in hoofdzaak huldigt, omdat die tegen Habsburg wèl succes heeft.
Er zijn verschillende mogelijkheden geweest, om tussen Zuiderzee en Eems een staat te vormen. Albrecht van Saksen en graaf Edzard trachten eenheid te brengen langs de Waddenkust, maar de stad Groningen is het grote struikelblok. Karel van Gelre heeft een korte tijd de leiding van Venlo tot het Groninger Wad. Maar de gewesten, waarom het hier om gaat, komen een voor een onder het Habsburgse regime en worden vanaf 1543 alle vanuit Brussel geregeerd. Doch in elk gewest blijft men dat bewind zien als het bewind van de vreemdeling. En de oude vrijheid wordt niet vergeten. Ook dit verzet krijgt een vervolg...

 

 GDPscale[999]Anno 1514: Graaf Edzard verdedigt zijn rechten in de Groningse vroedschap. (Johannes Hinderikus Egenberger (Arnhem 1822 - Utrecht 1897). Doek, olieverf; gemonogrammeerd; 60×43; inv. A 5139) [De stad Groningen had bij haar strijd met de Friese stadhouders graaf Edzard van Oost-Friesland als heer aangenomen. Edzard betaalde Karel van Gelre voor hulp, die hij niet kreeg. De Gelderse hertog kocht de Groningse stadsbestuurders zelfs om, waarna zij hem de stedelijke regering opdroegen. Edzard protesteerde daar in de Groningse vroedschap tegen.] Hij schilderde de vroedschap Karels bedrog af, vertelde van het geld dat hij Karel had betaald, van de hulp die hij niet van Karel had ontvangen en dat dit alles slechts was gebruikt om hem te verraden. Hij herinnerde er de vroedschapsleden ook aan hoe hij hen had gered en ten koste van zijn eigen land had verdedigd. Edzard eindigde met te zeggen dat hij niet als een vorst beschouwd wilde worden die bij het eerste gevaar zijn gelofte verbreekt. Deze fiere taal had geen resultaat. En toen de vroedschap in Edzards aanwezigheid ook nog de eed aan Karel van Gelre aflegde, vertrok Edzard, zonder voor dit schandelijke gedrag wraak te nemen. Hij keerde naar Oost-Friesland terug.

 

Afb. boven: Anno 1514: Graaf Edzard verdedigt zijn rechten in de Groningse vroedschap. (Johannes Hinderikus Egenberger (Arnhem 1822 - Utrecht 1897). Doek, olieverf; gemonogrammeerd; 60×43; inv. A 5139) [De stad Groningen heeft bij haar strijd met de Friese stadhouders graaf Edzard van Oost-Friesland als heer aangenomen. Edzard betaalt Karel van Gelre voor hulp, die hij niet krijgt. De Gelderse hertog koopt de Groningse stadsbestuurders zelfs om, waarna zij hem de stedelijke regering opdragen. Edzard protesteert daar in de Groningse vroedschap tegen.] Hij schildert de vroedschap Karels bedrog af, vertelt van het geld dat hij Karel heeft betaald, van de hulp die hij niet van Karel heeft ontvangen en dat dit alles slechts is gebruikt om hem te verraden. Hij herinnert er de vroedschapsleden ook aan hoe hij hen heeft gered en ten koste van zijn eigen land heeft verdedigd. Edzard eindigt met te zeggen dat hij niet als een vorst beschouwd wil worden die bij het eerste gevaar zijn gelofte verbreekt. Deze fiere taal heeft geen resultaat. En als de vroedschap in Edzards aanwezigheid ook nog de eed aan Karel van Gelre aflegt, vertrekt Edzard, zonder voor dit schandelijke gedrag wraak te nemen. Hij keert verslagen en ontmoedigd naar Oost-Friesland terug.

 

Ulrich I CirksenaEdsgardt I CirksenaElisbeth von Rietberg


Gerelateerde artikelen
03. Ulrich I Cirksena (dit artikel)

Bronnen, referentieBronnen:
1. Die Begründung der Erstgeburtsnachfolde im ostfriesischen Grafenhuas der Cirksen (HH Hobbing), Type: Boek, Schrijver: Hans Heinrich Hobbing. Plaats: Aurich [Dld], Uitgegeven: 1915.
2. Ostfriesland bis zum Aussterben seines Fürstenhauses (H. Reimers), Type: Boek, Schrijver: Heinrich Reimers, Plaats: Bremen, Dld, Uitgegeven: 1925.
3. Das Geschlecht Cirksena (E. Esselborn), Type: Boek, Schrijver: Ernst Esselborn, Plaats: Berlijn [Dld], Uitgegeven: 1945.

 


Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten

voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...

geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.

©Harm Hillinga, maart 2009,
Uitgebreid en verbeterd, 6 sept. 2009.

HomePage. Menu Artikelen. Menu Genealogie.