De Heerlijkheid Kniphausen, tot in de 17e eeuw ook Inn- Und Kniphausen (Nederlands: In- en Kniphuizen) genoemd, heeft in Oost-Friesland gelegen. De regerende families hebben ook in de Nederlandse geschiedenis een rol gespeeld, met name in het noorden is dat het geval. Later wordt het gebied bezit van de Nederlandse tak van de Bentincks. De heerlijkheid ligt op wat nu de stadsrand van Wilhelmshaven is.

 

De eerste beschreven heer is Fulf von Inn- Und Kniphausen geweest die rond 1465-1530 heeft geleefd. Hij erft beide burchten en het grondgebied van 45 km² met de karspels (ook: kerspel, een kerkgemeente) Fedderwarden, Sengwarden en Accum. In 1514 verwoest een brand de burcht maar deze kan worden hersteld. In 1588 erkent keizer Rudolf II van Duitsland Iko von Inn- Und Kniphausen als Rijksonmiddelbare [1] vazal. Midden in de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) verkoopt Philipp Wilhelm von Innhausen Und Knyphausen zijn rechten aan de stad Oldenburg. Van 1624 tot 1964 heeft Oldenburg de nakomelingen van Philipp Wilhelm rente betaald voor deze aankoop. Uit het laatste jaar blijkt duidelijk dat er veel nakomelingen van het geslacht zijn geweest.

 

De verbouwde stallen bij Willemshaven.
Foto 1. De burcht is volledig door brand verwoest in 1708, maar het stallencomplex wordt omgebouwd tot de nieuwe residentie. De laatste renovatie heeft plaatsgevonden in het jaar 1990.

 

In 1658 wordt de burcht aan de rijksbaron en latere rijksgraaf Anton I van Aldenburg, de natuurlijke zoon van graaf Anthon Gunther van Oldenburg in leen gegeven. In 1708 brandt de burcht af. Zij wordt niet meer opgebouwd en van het grote stallencomplex wordt een nieuwe residentie gemaakt. Als de Aldenburgs in mannelijke lijn uitsterven worden de bezittingen van de Aldenburgs door het huwelijk van Charlotte Sophie van Aldenburg met Willem Bentinck bezit van de Nederlandse Rijksgraven Bentinck. In 1737 krijgt de heerlijkheid het karakter van 'reichsunmittelbare rijksheerlijkheid' [1] binnen het Heilige Roomse Rijk. Het is niet bij een kreits[6] ingedeeld.

 

Bij de vorming van de Rijnbond in 1806 wordt de Heerlijkheid Inn- Und Kniphausen niet gemediatiseerd [2], het staatje wordt neutraal verklaard en verdient tijdens Napoleons continentale stelsel goed aan smokkel. In 1806 bezetten de Fransen ook Inn- Und Kniphausen in Oost-Friesland.

 

Op 11 november 1807 wordt in het Verdrag van Fontainebleau [3] vastgelegd dat Oost-Friesland deel van het Koninkrijk Holland zal worden en in 1810 wordt het gebied deel van het Franse Keizerrijk dat zich nu tot aan de Oostzee uitstrekt. De Bentincks hebben nu geen regeringsmacht meer, maar hun bezit blijft wel onaangetast.

 

Kaart 1: De Heerlijkheid Kniphausen heeft in Oost-Friesland tot de 17e eeuw bestaan en ligt aan de Noordzee bij Willemshaven, ten oosten van Jever. Op de kaart gaat het om het blauwe gebied dat niet groter is dan ongeveer 45km2.
Kaart 1: De Heerlijkheid Kniphausen heeft in Oost-Friesland tot de 17e eeuw bestaan en ligt aan de
Noordzee bij Willemshaven, ten oosten van Jever. Op de kaart gaat het om het blauwe gebied dat niet
groter is dan ongeveer 45km2.

 

In 1813 stort Frankrijk militair ineen en al in oktober van dat jaar neemt graaf Bentinck de regering weer op zich. De Russische generaal Winzingerode bezet in november de heerlijkheid Inn- Und Kniphausen en de regering van de uit ballingschap teruggekeerde groothertog van Oldenburg begint het provisorisch bestuur over wat in Bentincks ogen nog steeds zíjn Heerlijkheid is. De Duitse en geallieerde staten die op de congressen van Wenen en Aken bijeenkomen weigeren echter om de heerschappij van de Bentincks te herstellen.

 

Een op 8 juli 1825 in Berlijn gesloten verdrag maakt een einde aan het provisorisch bestuur. De Bentincks worden gedeeltelijk in hun oude rechten hersteld. Dat leidt tot het beruchte Bentinckse Succesieconflict waarbij zelfs geweld niet wordt geschuwd. De Bentincks verzwakken hun positie zeer door het morganatische en niet ebenbürtige [4] huwelijk van Willem Gustaaf Frederik graaf Bentinck met een boerendochter. Volgens het Duitse recht kunnen zijn zonen geen fideïcommis [5] erven.

 

In 1854 koopt Oldenburg de heerlijkheid Inn- Und Kniphausen met alle rechten en bezittingen van de Bentincks over. Oldenburg verkoopt de burcht op haar beurt weer, zonder de feodale rechten, in 1682 aan de graven, na 1900 vorsten, van Von Inn- Und Kniphausen. Deze verkopen de burcht in 1977 aan een stichting. De heerlijkheid is nu een gewone gemeente geworden in de kreis[6] Jever en is nu deel van Wilhelmshaven.

xxx

 

 

VAN EWSUM & VON INN- UND KNIPHAUSEN

Foto 2: Beetke van Rasquert, overl. 1554, geh. met Wigbolt van Ewsum. Op de achtergrond de ruïnes van Ewsum. Het portret is gemaakt door Jan Swart en is in het bezit van het Groninger Museum.
Foto 2: Beetke van Rasquert, overl. 1554, geh. met Wigbolt van Ewsum. Op de achtergrond de ruïnes van Ewsum. Het portret is gemaakt door Jan Swart en is in het bezit van het Groninger Museum.

De geslachten Van Ewsum & Von Inn- und Kniphausen zijn in Friesland op een bepaald moment min of meer in elkaar over gegaan. Hoe dat is gebeurd wordt onderstaand beschreven, waarbij in de 14e tot en met de 16e eeuw het geslacht Van Ewsum een grote rol heeft gespeeld.

Oorspronkelijk zetelen de Van Ewsums op een burcht, Den Oert geheten, ten noordoosten van Middelstum.

Ze noemen zich dan de ridders in Den Oert, maar in feite zijn het machtige herenboeren geweest en behoren ze tot de adelijke familie in Friesland. Ze hebben altijd op gespannen voet met de stadjers geleefd, die hun burcht in de 13e eeuw verwoesten.

Van de burchtstee zijn daarom alleen de sporen van grachten en singels nog te vinden en op die plaats staat nu een boerderij met de naam Oldenoort.

In 1278 laat jonker Ewe in Den Oert de grondslag leggen voor zijn nieuwe borg "Ewsum", afgeleid van 'Ewesheem'. Vanaf dat moment noemt men zich van Ewsum.
In de 14e eeuw lijkt het erop, dat de familienaam weer zal verdwijnen, want uit het huwelijk van Ewo van Ewsum met Eduarda Onsta is alleen een dochter geboren, Menneke genaamd. Als Hiddo Tamminga van Hornhuizen de hand van Menneke vraagt, stelt Ewo de voorwaarde, dat Hiddo de naam van Ewsum zal gaan aannemen, waarmee wordt voorkomen, dat de naam uitsterft.

 

Deze Hiddo wordt later door de bekende en beruchte hoofdeling Focco Ukena, die onder andere borgen heeft te Appingedam, Oosterwijtwerd en Oterdum, op een roemloze en laffe manier gedood. Dat Hiddo een borg, steenhuis of 'slot' in bezit heeft gehad in Oterdum is echter nooit bewezen of ergens aantetoond.

 

Als een soort vergoeding geeft Focco dan zijn dochter Bawe ten huwelijk aan de oudste zoon van Hiddo die net als zijn grootvader Ewo heet. Onno, een jongere zoon van Hiddo, erft de borg Ewsum. Hij sticht ook de havezate Mensinge te Roden. Deze Onno heeft een kleinzoon, die ook Onno heet en deze kleinzoon wordt de eerste ridder in de Ommelanden, want tijdens zijn reis naar het Heilige Land en Cypres, van 1443-1445, wordt hij door de koning van Cypres tot ridder geslagen. Als dank voor zijn behouden terugkeer laat hij in 1445 de kerk van Middelstum herbouwen en in 1472 is hij de bouwer van de nog bestaande verdedigingstoren bij Ewsum, die tegen de wil van de stad Groningen gebouwd wordt. Behalve die toren, bestaat ook het rechter schathuis nog, waar later een boerderij bij is gebouwd. Aan het eind van de 15e eeuw wordt Ewsum door de Groningers verwoest. Wigbolt, een zoon van Onno, heeft de borg toen weer opgebouwd.

 

In de 16e eeuw zijn de van Ewsums niet alleen herenboeren, bezitters van uitgestrekte landerijen, maar ook rauwe vechtersbazen en meedogenloze heersers. De hiervoor genoemde Wigbolt, die getrouwd is met Beteke van Rasquert, koopt in 1513 een stuk land onder Marum. Drie jaar later koopt hij weer een perceel in die omgeving en dan laat hij zijn bezit nauwkeurig afbakenen. Steeds maar weer koopt hij land, in 1520 twee heerden naast elkaar onder Midwolde. Kort daarop koopt hij twee steenhuizen, die hij laat afbreken om snel aan metselstenen te komen. Daar in het oosten van Vredewold wil hij zich een nieuwe burcht bouwen, die de Nienoord, afgeleidt van ‘Nijen-oert’ zal gaan heten. Deze borg staat nog altijd te Leek. De van Ewsums hebben ook een groot huis in de stad Groningen, het huidige paleis van justitie in de Boteringestraat.

 

Wigbolt sterft in 1530. In 1531 wordt het grietmanschap over heel Vredewold aan zijn geslacht opgedragen. Een grietman is hoofd van rechtspraak en bestuur in een grietenij. Een grietenij is onderverdeeld in dorpen. Sinds de gemeentewet van 1851 bestaan er geen grietenijen meer en kennen we nog slechts gemeenten.


Foto 3: Anna van Ewsum.
Foto 3: Anna van Ewsum (1640-1714).

De laatste mannelijke telg uit dit geslacht is Willem van Ewsum. Hij sterft in 1643 en is nauwelijks drie jaar heer van Nienoord geweest. Zijn dochter Anna is de allerlaatste van het geslacht van Ewsum. Na de dood van Willem hertrouwt zijn weduwe in 1645 op 24-jarige leeftijd met Rudolph Wilhelm von Inn- und Kniphausen, een telg uit het bovengenoemd geslacht uit Oost-Friesland, ten oosten van Jever.

In het noorden van Butjadingen heersen de hoofdelingen van Langwarden. Onno Onneken is de eerste die we kennen. Hij sterft in 1405.

 

Zijn zoon Iko trekt de Jade over na zijn huwelijk met een dochter van Popko Inen Tjerksema, hoofdeling te Innhausen in Rustringen. In 1496 wordt door vererving het belangrijke Kniphausen bij Jever aan het bezit toegevoegd. In 1546 trouwt Tido von Inn- und Kniphausen met Eva van Rennenberg en hierdoor komt er Nederlands bloed in het geslacht. Dit echtpaar heeft twee zoons en hierdoor ontstaan er twee aparte takken in de familie. In beide takken komen heren van Nienoord voor. De jongste zoon Wilhelm trouwt in 1581 met Hima Nanninga, erfdochter van Lütetsburg, waardoor de Lütetsburg bij Norden in het geslacht von Inn- und Kniphausen komt.

 

 

Een kleinzoon van Wilhelm trouwt met Occa Janna Ripperda van Farmsum, waardoor er opnieuw Nederlands bloed in het geslacht komt. Uit dat huwelijk zijn alle takken in Duitsland voortgekomen.

 

Een andere kleinzoon van Wilhelm is de al eerder genoemde Rudolph Wilhelm, die in 1645 met de weduwe van Willem van Ewsum trouwt. Een zoon uit dit huwelijk trouwt met Petronella Anna Lewe, vrouwe van Ulrum, waardoor het geslacht von Inn- und Kniphausen op de Asingaborg te Ulrum komt. Het voormalige familiewapen van Asinga is nu gemeentewapen van Ulrum.
Carel Hieronymus, een twaalf jaar jongere broer van Rudolph Wilhelm, trouwt in 1657 met Anna van Ewsum, stiefdochter van Rudolph Wilhelm en de laatste telg uit het geslacht van Ewsum. Anna is dan 17 jaar. Reeds na zeven jaar komt aan dit huwelijk, dat zeer gelukkig is geweest, een eind door de dood van Carel Hieronymus. Hij sterft in de zomer van 1664 in Den Haag, nadat hij ziek is teruggekeerd van een ambtsreis naar Vlaanderen. Anna geeft nog vóór zijn begrafenis opdracht aanRombout Verhulst het bekende praalgraf in de kerk te Midwolde vervaardigen. Het moet de beide echtelieden bevatten, 'levensgroot en net uitgehouwen'. Anna betaalt er driezuizend rijksdaarlders voro. Als je dit prachtige bouwwerk nog nooit hebt gezien moet je het zeker eens gaan bekijken.

 

Praalgraf in de kerk te Midwolde.
Foto 4: Het interieur van de kerk te Midwolde wordt beheerst door het door Rombout Verhulst ontworpen praalgraf van Carel Hieronymus van In- en Kniphuisen en zijn echtgenote Anna van Ewsum, bewoners van de borg Nienoord. Later is ook het beeld van haar tweede echtgenoot Georg Wilhelm van In- en Kniphausen, gemaakt door de beeldhouwer Bartholomeus Eggers, hieraan toegevoegd. Ter weerszijden van de graftombe bevinden zich een hooggeplaatste herenbank uit 1660, die net iets hoger is dan de de hiertegenover staande preekstoel. Deze preekstoel is ontworpen door de stadsbouwmeester van Groningen, Allert Meijer, met houtsnijwerk van Jan de Rijk. Het duo Meijer en de Rijk heeft voor diverse Groninger kerken houten kerkmeubilair ontworpen en gemaakt (Bron: Wikepedia).

 

Ruim een jaar later hertrouwt Anna met Georg Wilhelm, een telg uit de andere tak van het geslacht von Inn- und Kniphausen. Georg Wilhelm geniet intens van het mooie landgoed van zijn vrouw en hij doet veel voor de uitbreiding en opluistering ervan. Hij is een ontwikkeld en kunstzinnig man en Nienoord moet destijds vanbinnen en vanbuiten geschitterd hebben door alles, waardoor men huis en hof maar kan versieren. Anna van Ewsum heeft ook haar tweede echtgenoot moeten betreuren. Ze heeft nog beleefd, dat zijn standbeeld op het praalgraf van haar eerste man gereed komt. Dit standbeeld is gemaakt door Bartolomeus Eggers. Anna stierft in 1714. Het geslacht von Inn- und Kniphausen blijft op Nienoord tot 1884. Dan komt de borg door vererving aan de familie van Panhuys.

DE BORG EWSUM

Van de borg Ewsum resteert nog een dubbel omgracht terrein, een schathuis en het onderste gedeelte van een toren uit 1472. Later heeft men er een puntdak opgezet om verder verval te voorkomen.
Foto 5: Van de borg Ewsum resteert nog een dubbel omgracht terrein, een schathuis en het onderste gedeelte van een toren uit 1472. Later heeft men er een puntdak opgezet om verder verval te voorkomen.

In de Groninger Volksalmanak van 1844, als de borg Ewsum nog bestaat, staat een interessant artikel over de borg, geschreven door Mr. T.P. Tresling. Deze Tresling heeft de toenmalige borgheer, Edzard Jacob baron Lewe van Middelstum, Buitengewoon Kamerheer des Konings, Ridder der Orde van de Nederlandse Leeuw, Lid der Ridderschap en der Gedeputeerde Staten van de Provincie Groningen, persoonlijk gekend. Van deze borgheer krijgt hij ook een geslachtslijst en familieaantekeningen. Deze Edzard Jacob is de laatste borgheer van Ewsum.

Op 30 december 1805 wordt de borg met bijbehorende rechten aan hem overgedragen door zijn vader. In 1856 vindt een publieke verkoping van de borg plaats. Koper is een zekere Wierda uit Winsum. In datzelfde jaar sterft Edzard Jacob. Wierda laat daarop de borg in 1863 slopen. Tresling heeft de borg dus zelf nog kunnen zien, niet alleen de buitenkant, hij is er ook binnen geweest. Hij vertelt hierover het volgende:

dsdsds
Foto 6: Op de voorgrond een deel van de oude gracht met daarachter het schathuis (rechts). Men heeft in 1932 een schuur (links) bijgebouwd, waar exposities worden gehouden door de 'stichting Beetke Benieuwd', vernoemd naar een vroegere bewoner van de borg, Beetke van Rasquert (1485-1554).

"Eene zeer breede gracht omgeeft het gebouw en terstond bij den ingang boeit het merkwaardig rondeel, zoo massief, zoo eenig in zijn soort, zoo vreemd geplaatst, en toch om deszelfs eerwaardigheid steeds behouden gebleven, onze aandacht. Hetzelve is een overblijfsel van den ouden toren, door Onno Ewesma of van Ewssum in 1472 gebouwd. Deze toren heeft vroeger waarschijnlijk eene aanzienlijke hoogte gehad, doch is van tijd tot tijd verkleind, zoo als blijken kan uit de teekening, welke Ewssum voorstelt, zoo als hetzelve zich in 1600 vertoonde, en waarop de tweede trans nog zigtbaar is.
De muur van dit rondeel was vroeger zes voeten, doch is door een' muur daar later nog omgetrokken, thans zeven voeten dik, terwijl het geheel veertig voeten in middellijn heeft. Hetzelve dient thans tot een' kelder, en is daartoe bij uitnemendheid geschikt, als zijnde door de dikke muren en het zware kruisgewelf voor hitte en koude ongenaakbaar. In de muur is een steen, waarop deze woorden te lezen staan:
An° 1472 heeft Jr. Onno van Ewsum dit gebout tegens de wille van Groningen vide Schotanum
.

Op de spits van het rondeel ziet men een' leeuw met het geslachtwapen van Ewssum. De toren, welke zich in het midden voor het huis verheft, is ook buitengemeen zwaar gebouwd. In de linkerzijde van den toren vindt men een' steen met het opschrift:


J.J.V.E.
H.D.E.S.G.

 

hetwelk vermoedelijk beteekenen moet: 'Jonker Joest van Ewssum heeft dezen eersten steen gelegd'.
Boven den ingang van het huis leest men:


Joan Lewe en Geertruida Alberda, Heer en Vrouw van Middelstum, out 26 en 21 jaren,
getrowt 1648, hebben Ewssum laten repareren 1649.

 

Voorts ziet men in den gevel de familiewapens Clant, Coenders, Lewe en Alberda; terwijl het wapen der heerlijkheid, de heilige Hippolytus op het familiewapen van Lewe van Middelstum voor den toren is uitgehouwen.
Het huis heeft beneden eenige ruime vertrekken, welke naar den smaak onzer tijden vervormd, weinige kenmerken der oudheid behouden hebben, behalve den zeer ruimen kruisgewelfden gang of vestibule. Een groote wenteltrap, in den toren gebouwd, voert naar de tweede verdieping, waar men verschillende vertrekken vindt, doch onder welke de groote zaal, zoowel wat de bouworde, als de stoffering aangaat, ons geheel in de oudheid verplaatst. Eene menigte familieportretten, meestal van personen in de staat- kundige wereld met roem bekend, en daaronder eenigen door eene meesterlijke hand geschilderd, treft men daar aan. Onder anderen Abel Coenders, Barthold Entens van Mentheda, Adriaan Clant, Wigbolt van Ewssum, Joest Lewe thoe Peyse, enz. enz.
De kolossale schoorsteenmantel, rustende op fraaije kolommen, de vensterglazen in lood met wapenen en opschriften, de meubelen zijn allen nog overblijfsels uit den ouden tijd.
Van den toren, welke in middellijn 22 voeten heeft en 100 voeten hoog is, heeft men het schoonste uitzigt op de omliggende landstreek.
De tuin en wandeldreven, die het gebouw omringen, zijn naar den nieuwsten smaak aangelegd, en leveren uit de vertrekken de schoonste vergezigten op."

 


Noten:

[1] Rijksvrijheid (Duits: Reichsunmittelbarkeit) is in het Heilige Roomse Rijk de staatsrechtelijke term voor die personen, steden, dorpen en landsdelen die niet aan een lokale heer, maar direct aan het Rijk en de keizer verantwoording schuldig zijn. Rijksvrijen of immediaten hebben recht op het innen van belasting en tol en op het spreken van recht. In de praktijk bezitten zij meestal een zeer grote mate van soevereiniteit.
Er worden drie soorten rijksvrije (immediate) personen en bestuurslichamen erkend:
• Zij die het recht hebben persoonlijk aan de Rijksdag deel te nemen
• Zij die daar door een corporatie worden vertegenwoordigd
• Zij die geen recht hebben op de Rijksdag te verschijnen
Tot de eerste groep behoren de keurvorsten, vorsten en de rijksvrije bisschoppen. De tweede groep bestaat uit de graven en heren, de Rijkssteden en de rijksvrije abten. Deze twee groepen vormen samen de rijksstenden. De rijksstenden zijn het in het Heilige Roomse Rijk de personen of de gebieden die aan de Rijksdag deel mogen nemen. Hiervoor komen alleen zij in aanmerking die rijksvrijheid bezitten en ze zijn verdeeld in twee groepen: degene die het recht hebben op persoonlijk aan de Rijksdag deel te nemen (de keurvorsten, vorsten en rijksvrije bisschoppen) en zij die door een corporatie vertegenwoordigd worden (graven en heren, Rijkssteden en rijksvrije abten).
Daarnaast is er de derde groep, die bestaat uit de rijksridders, een reeks kloosters en enige rijksdorpen. De rijksvrije personen onder hen zijn de resterende directe vazallen van de keizers, van wie er in de Middeleeuwen vele zijn geweest. De rijksvrije gebieden komen voort uit de laatst overgebleven kroondomeinen, waarvan er reeds in de Middeleeuwen veel aan de rijksvorsten verkocht of verpand zijn. De rijksvrijheid van veel van deze plaatsen en kloosters is echter omstreden en naburige vorsten hebben vaak getracht ze in te lijven.

[2] Mediatisering: het opheffen van de rijksvrijheid van een wereldlijk gebied in het Heilige Roomse Rijk en het toewijzen ervan aan een ander rijksvrij gebied. Het gezag van de keizer dat voordien in het gebied onmiddellijk (immediaat) is, dat wil zeggen rechtstreeks en zonder tussenpersoon, wordt voortaan middellijk (mediaat), dat wil zeggen dat er een ander gezag wordt tussengeschoven. Dit proces doet zich gedurende de hele middeleeuwen voor.
Het Verdrag van Fontainebleau is een verdrag waarbij het Koninkrijk Holland de Zeeuwse stad Vlissingen afstaat aan Frankrijk. Als compensatie hiervoor krijgt het koninkrijk onder meer Oost-Friesland in bezit. Het verdrag wordt gesloten op 11 november 1807 in het Franse koninklijk paleis Fontainebleau tussen de Franse keizer Napoleon I en zijn broer, koning Lodewijk I van Holland.

[3]
Ebenbürtigkeit (Duits) is een juridische term. Twee partners zijn in de standenmaatschappij van de middeleeuwen en in het Duitse adelsrecht tot aan de Tweede Wereldoorlog alleen Ebenbürtig wanneer zij tot dezelfde stand behoren. In het burgerlijk recht verdwijnen de nadelen dat een niet "Standesgemäßes" huwelijk voor de echtgenote en de kinderen van lagere edelen met zich meebrengt in het Pruisische Burgerlijk Recht pas in 1854. Voor de grafelijke families en de hoge adel verdwijnen de consequenties pas met het oprichten van de egalitaire Bondsrepubliek Duitsland. Ebenbürtigkeit is ook een term die aanduidt dat een persoon gerechtigd is om een huwelijk te sluiten met een lid van een regerend, of voorheen regerend, vorstenhuis.

[4]
Een Fideï-commis, ook fideï-commissaire substitutie of erfstelling over de hand is een goed of beschikking waarvan in een testament is vastgelegd dat daarover niet in een volgend testament kan worden beschikt, maar dat het een aangewezen erfgenaam moet toevallen. Men noemt zowel de beschikking als het goed waarover is beschikt wel fideï-commis. De bezitter, men kan niet van een eigenaar spreken, is de fideï-commissaris.

[5]
Een Landkreis of een Kreis is in Noord-Rijland-Westfalen en in Sleeswijk-Holstein een regionale bestuurseenheid (district) in de Duitsland. Het is een gemeenteverbond en rechtspersoon (van publiekrecht), één bestuurlijk nivau boven de gemeente. Zelf maakt een Kreis weer deel uit van een Regierungsbezirk of direct van een deelstaat. Een Landkreis is bijv. verantwoordelijk voor de ziekenhuizen, afvalverwerking en verstrekking van rijbewijzen en dergelijke.

 

 

Bronnen en referenties:
1. Georg Sello: Die territoriale Entwicklung des Herzogtums Oldenburg. Oldenburg 1917
2. M. Hargerink-Koomans, Het Geslacht Ewsum (Groningen/Batavia 1938)
3. A. Pathuis, Groninger gedenkwaardigheden (Assen/Amsterdam 1977).
4. W.J. Formsma, R.A. Luitjens Dijkveld-Stol en A. Pathuis, De Ommelander borgen en steenhuizen (Assen 1987).
5. E. Schut, Inventaris van het archief van de familie Van Ewsum 1350-1646 (Groningen 1993).
6. L. Ast-Boiten, ‘Het portret van Beetke van Raskwerd’, Stad en Lande 3-3 (1994) voorplaat en 2-7.
7. R. Alma, ‘Overzicht van Ommelander hoofdelingen (1498-1516)’, Virtus 10 (2003) 58-70.
8. Albrecht Eckhard, Heinrich Schmidt: Geschichte des Landes Oldenburg. Oldenburg 1988. ISBN 3-87358-285-6
9. Robert-Dieter Klee: Das Ende einer Herrlichkeit. Kniphausen Und Oldenburg vor 150 Jahren. In: Niedersächsisches Jahrbuch für Landesgeschichte, Bd. 77 (2005), S. 187–226.
10. Karl Veit Riedel: Graf Anton Günther - ein fürstlicher Baumeister? in: Anton Günther, Graf von Oldenburg 1583 - 1667. Aspekte zur Landespolitik Und Kunst seiner Zeit. Ausstellungskatalog. Landesmuseum Oldenburg u. a. 1983
11. Wikipedia

 

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, febr. 2009.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top