Ietje de Graaf van de Protestantse gemeente Reiderland (01) heeft de vorderingen van de restauratie van de Nederlands Hervormde kerk te Finsterwolde in 2012 nauwlettend gevolgd en haar bevindingen vastgelegd met foto’s en een verhaal op de website van de kerkelijke gemeente. Uit haar verhaal kan ik duidelijk opmaken dat ze goede kennis van zaken heeft met betrekking tot het uitzoeken van geschiedkundige feiten en genealogisch onderzoek. Het verhaal van haar en de specifieke feiten die ik zelf heb gevonden omtrent de grafkelder en het echtpaar dat daar ooit begraven is geweest, zijn voor mij reden geweest verder in deze familie ‘te graven’, vooral in verband met de eigenaardigheden die bij dit onderzoek naar boven zijn gekomen.

 

Groninger klederdracht in de 17e eeuw.
Een vrouw in de Groninger klederdracht uit de 17 eeuw. Bron: eigen verzameling.

De leefomstandigheden in de 17e eeuw
Om een duidelijk inzicht te krijgen in de geschiedenis rondom dit echtpaar is het  verstandig eerst eens te gaan kijken hoe het in Finsterwolde toeging zo rond het jaar 1700.

 

In die tijd staan er in het dorp enkele zware stenen huizen en stenen schuren. Andere huizen en schuren zullen voornamelijk van hout geweest zijn, want steen is in die tijd nog erg duur en kan niet door iedereen betaald worden. De stenen huizen die er wél staan, zijn vooral van de rijkere boeren met veel land, vooral verkregen door ontginningswerk.
De bewoningen zijn in die tijd nog vrij moeilijk bereikbaar. Deels zijn de paden en wegen verhard met puin en grind en de geheel onverharde wegen zijn in regentijd voor de gewone man vrijwel onbegaanbaar door diepe geulen ontstaan door de regen. De boeren verplaatsen zich voornamelijk met paard en wagen of zoals Ietje de Graaf (01) het noemt per ‘chaisse’. De gewone man legt de grotere afstanden meestal te voet af.

 

Net als Ietje de Graaf (01) heb ik heel wat boedelbeschrijvingen gezien. Deze komen met name ter sprake bij erfenissen als een van de ouders komt te overlijden en er kinderen zijn. Onze Juffer Lutgert zal in die dagen nog trouw hebben meegedaan aan de Groninger (kleder)dracht, onderhouden en gemaakt door een eigen naaister en zal een zilveren oorijzer hebben gedragen zoals we die nog in musea kunnen tegen komen.

 

Het voorhuis van haar boerderij zal voorzien zijn van vrij zwaar uitgevoerde tafels en stoelen en natuurlijk is er een ‘tresoor’ met boeken, want de rijkeren lezen veel. Er is een open haardvuur met een ijzeren ketelhaak, waaraan de pot hangt om het eten gaar te koken.

 

De borden zijn in die tijd voornamelijk van tin gemaakt en soms worden er zilveren lepels met een inscriptie gebruikt, die door het personeel regelmatig worden gepoetst tot hoogglans. Bier wordt veelal ingekocht bij de plaatselijke brouwers en wordt gedronken uit tinnen bekers. Net als Beerta kent Finsterwolde in die tijd enkele brouwers. Een enkele keer heeft de boer zelf een kleine brouwerij en verkoopt hij bier vanuit huis.

Een vrouw in de Groninger klederdracht voor de bedstee.
Een vrouw in Groninger klederdracht voor de bedstee. Ze heeft de voeten op een stoof. Bron: eigen verzameling.

Uiteraard vinden we in het voorhuis een spinnenwiel en staat er een naaikorf met een schaar en is er een vingerhoed van zilver. De laatste is bevestigd aan een zilveren ketting die de naaister aan haar kleding heeft bevestigd. Bekend uit die periode zijn de prachtige rokken, buisjes, schorten en natuurlijk de onderpanden. De vrouw draagt een gekleurde of een witte muts of soms ook een doek om haar hoofd met een strik om de hals. Verder zijn er de karnizolen, de hemdrokken en de gewone rokken. De mannen dragen warnsen, een wambuis en een broek (01).

 

Lakens en dekens kent men in die tijd ook al. Voor de dekens gebruikt men over het algemeen de wol van de eigen schapen en soms vinden we bij de boedelbeschrijvingen ook peluws en zelfs spiegels. De laatste zijn nog niet van uitzonderlijk kwaliteit, maar de boerin kan zich er best mee redden. Slapen gebeurt natuurlijk in de bedstee. De kelder onder het voorhuis is nog niet zo groot zoals we die later aantreffen onder de voorhuizen in de grote Oldambtster boerderijen, waar ze onder het hele voorhuis doorlopen, maar de kelder is wel goed gevuld met grote vaten vlees en spek. Verder zijn room, boter en kaas ruimschoots voorhanden en wordt er karnemelk gemaakt met de karn.

 

In het achterhuis vinden we in de winterperiode de schapen, varkens en de koeien en er zijn paarden en kippen voor de eieren. De paarden worden gebruikt om de ploeg en de wagens te trekken, maar een ‘beetje boer’ heeft ook één of meerdere rijpaarden. Verder is er volop ruimte voor de opslag van hooi en stro en in de zomer vinden we er de schoven die nog gedorst moeten worden met de vlegel en het zaad in zakken. De rest van de ruimte is opgevuld met allerlei spullen om het land te bewerken, de beesten te verzorgen en meer. Boven het voorhuis vinden we een grote zolder waar het zaaizaad wordt bewaard.

 

In de nabijheid van het voorhuis vinden we vaak een ruime boomgaard en moestuin, zodat groente en fruit altijd ruim voorradig is en achter de schuur liggen de landerijen die vaak ook te vinden zijn aan de andere kant van de straat. Tot nog ver in de 20e eeuw zien we grote boomgaarden en moestuinen bij de boerderijen.

 

Men kent in die tijd ook al de vroedvrouw en op het einde van de 17e eeuw komen er geschreven instructies voor het werk van de vroedvrouw. Zij ontvangt een jaarlijks traktement van negentig gulden en moet de vrouwen assisteren ‘zonder onderscheijd ofte aanzien, ’t zij rijke of arme’. Zij moet zich in geval van een naderende bevalling ‘op de spoedigste wijze (…) derwaarts begeven sonder eenig uitstel’ en eenmaal aangekomen ‘alle voorsigtigheijt gebruijke, gepaart met lankmoedigheijt en sig niet te verhaasten om den in barensnoot zijnde vrouw als meede der selver vrugt geen nadeel toe te brengen’ . En (!): ‘So het mogt komen te gebeuren, dat zij gehaalt werd bij imant buijten den egten staat, (zij) verpligt zal zijn aan de heer officier zulks bekent te maken’. Men gaat in die tijd niet zachtzinnig om met ‘imant (die) buijten den egten staat’ een kind krijgt (14). Als zo’n bevalling zich aankondigt, weigeren de rond het kraambed verzamelde buurvrouwen nog al eens hun hulp tot de in barensnood verkerende vrouw uiteindelijk de naam van de vader noemt. Als dat eenmaal gebeurd is en de baby geboren,  wordt het kind stevig ingepakt en tuigen de buurvrouwen met de baby naar het huis van de vader om een huwelijk of alimentatie af te dwingen.


'Naaikransje' in het  voorhuis van een boerderij in de 17e eeuw.
Een naaikransje in he voorhuis van een boerderij in de 17e eeuw. Bron: Eigen verzameling.

Hoe komen nu al die huwelijken  tot stand? Hoe leren de ‘jongmannen en jongedochters’  elkaar kennen? Ze komen elkaar natuurlijk op straat, in de kerk, op de kermis en op verschillende andere plekken tegen. Maar hoe kunnen ze laten weten dat ze elkaar aardig vinden en wat meer willen dan vriendschap? Men heeft daarvoor een bepaald ritueel dat ‘opzitten en aanpraten’ wordt genoemd. Met opzitten wordt bedoeld dat huwbare meisjes op zondagavond thuis blijven om vrijers op te wachten. De moeder van zo’n meisje heeft dan via haar kennissenkring al laten weten dat jongens, die zo’n meisje wel zien zitten op zondagavond een kansje kunnen wagen.

 

‘De vrijer klopte dan juist op klokslag van negen bij het meisje aan; te vroeg werd niet gehoord, te laat wekte het vermoeden dat hij reeds bij een ander een blauwtje had geloopen’. Als het meisje de jongen ook wel aardig vindt laat zij hem binnen of ze heeft de buitendeur uitnodigend op een kier laten staan. Een tweede zondag, een week later, gebeurt hetzelfde, maar de derde zondag wordt de jongen niet zomaar meer binnen gelaten. Hij moet dan bidden en smeken en pas als hij het meisje voldoende heeft overtuigd van zijn vasthoudendheid, mag hij alsnog binnen komen en kan het aanpraten (vrijen) beginnen. Overigens heeft de jongen ook het recht om die zondag niet te komen, zonder dat hij daarmee in een kwaad daglicht komt te staan.

 

Ook wordt er wel gebruik gemaakt van een ‘hylikmaker’ een soort boodschapper die de belangstelling van de één voor de ander als onafhankelijke derde overbrengt. Een geldelijke beloning is zijn deel. Als er uit deze vrijage iets moois ontstaat, leidt dat uiteindelijk tot  ondertrouw die door een ‘boodbrenger’ bij familie en vrienden en door de dominee op de eerstvolgende drie zondagen vanaf de kansel wordt aangekondigd, zowel in het dorp van het meisje als van de jongen.

Bij de boeren zit een en ander vaak toch wel heel anders in elkaar. In veel gevallen weet de boerendochter op jonge leeftijd nog niet dat haar ouders eigenlijk al iemand voor haar op het oog hebben, namelijk het zoontje van een ‘dikke’ boer die verderop woont. De beide families houden het ‘pad warm’ en als het dan eindelijk zover is dat de leeftijd van een aanstaande huwelijk eraan zit te komen, worden bruid en bruidegom naar elkaar ‘toegepraat’.Want rijk hoort bij rijk, arm bij arm. Bij het huwelijk hoort dan natuurlijk een ‘bruidsschat’, waarover min of meer gehandeld kan worden. Is de bruidegom de oudste zoon van de boer, kan hij er vast op rekenen dat hij het boerenbedrijf mee krijgt.

 

'Juffer Lutgert Ockens van Finsterwold'
Ergens in het midden van de 17e eeuw heeft een zekere Ocko Harckens een boerenbedrijf in Beerta en mogelijk ook in Finsterwolde. Hij is eigenerfde en heeft daardoor flink wat ‘in de melk te brokkelen’. We weten dat hij vermoedelijk op maandag 5 maart 1635 in het huwelijk treedt met Lutgaert ‘ van Finsterwold’. Daardoor weten we dat zijn echtgenote in ieder geval afkomstig is uit Finsterwolde. Ocko en Lutgaert worden verblijdt met drie zoons, Jan, Heero en Harcko. De drie zoons sterven mogelijk op vroege leeftijd. Het is waarschijnlijk dat het paar nóg een zoon heeft gekend, namelijk J. Ockens. Deze zoon zou ook dezelfde kunnen zijn als Jan.
Na de dood van zijn echtgenote, hertrouwt Ocko met Geesken Hermans. Haar volledige naam zou Geesken Ockes kunnen zijn.  Er  zijn bij het tweede huwelijk van Ocko geen kinderen gevonden. Ocko overlijdt mogelijk binnen een jaar na zijn tweede huwelijk.
Onder normale omstandigheden zou het boerenbedrijf overgegaan zijn op de oudste zoon. Zeer waarschijnlijk is dat J. Ockens  geweest. Hij en zijn vrouw overlijden mogelijk vroeg, evenals hun (oudste) zoon en zijn echtgenote, mogelijk een paar jaar na de geboorte van hun dochter Lutgert, genoemd naar haar grootmoeder.

 

Bovenstaande gegevens kunnen we herleiden uit  een toevalstreffer in het RHC GA (02) waar ik stuit op Ocko Harckens en een zekere Egbert Willems. Zij treden op als getuigen. Daarna komen er in volgorde van data de volgende gegevens te voorschijn, die allemaal iets met Beerta te maken hebben,  namelijk:


* 5 maart 1635: een vermelding van Ocko Harckes en Lutgert (waarschijnlijk zijn vrouw)
* 4 juni 1652: de erfgenamen van Ocko Harkes (zijn kinderen?)
* 12 juni 1657: Ocko Harckens en Geesken (mogelijk tweede huwelijk)
* 16 februari 1658:  Geeske Ockes, weduwe van Ocko Harckes (hierdoor wordt een tweede huwelijk duidelijker)
* 4 augustus 1662: ten oosten Ocko Harckens (het gaat hierbij om een stuk land bij Beerta)
* 16 april 1669: erfgenamen van Ocko Harckens (zijn kinderen)
* 31 mei 1676: Geeske Hermans en haar zoon Ocko Harckens. Mogelijk is deze Geeske gehuwd met een zoon van Ocko Harkens, namelijk J. Ockens, en is hij dus vernoemd naar zijn grootvader.
Verder duikt er nog een vermelding op in Midwolda over wijlen Ocko Harckens minderjarige kinderen in Finsterwolde op 30 april 1662. Zijn er dus nog meer kinderen uit het huwelijk van Ocko en Lutgaert geboren en zo ja, waarom worden ze in Finsterwolde genoemd? Hebben we hier mogelijk te maken met een totaal ander persoon?
* 5 december 1697: In het kerkeboek van Beerta (03) komen we een huwelijk tegen van Geeske Hermans en Herman Carsjes). Deze Geeske zou dezelfde kunnen zijn als Ocko’s tweede echtgenote, echter haar leeftijd zou op dat moment ver boven de 60 jaar uitkomen en dat is onwaarschijnlijk. Kan deze Geeske dezelfde zijn als Geeske Hermans die gehuwd is met Jan Ockens, zoon van Ocko en Lutgaert?

 

Het zijn allemaal vragen en veronderstellingen die weliswaar uitgaan van een aantal feiten, maar waarvan geen zekerheden zijn of we hebben te maken hebben met verschillende personen met dezelfde namen. Wellicht komen er te zijner tijd nog nieuwe feiten boven drijven en kunnen we ons verhaal aanpassen.

 

Ietje de Graaf komt met een totaal andere theorie naar voren, namelijk dat Lutgert mogelijk een min of meer adelijke afkomst zou hebben, omdat ze ‘juffer’ wordt genoemd. Ik heb over de term ‘juffer’ een andere theorie, maar daarover straks.
Een feit is wel dat Juffer Lutgert Ockens geboren is in 1671. Een geboorteplaats wordt niet genoemd. Dat jaartal vinden we op haar grafzerk (04). Daar vinden we ook haar sterfdatum, 4 december 7151 te Finsterwolde. Hieruit concluderen we dat ze een voor die tijd respectabele leeftijd heeft bereikt van ongeveer 80 jaar. Uit de tekst op de zerk ‘NU IK, DE LAATSTE UIT DE STAM VAN J. OCKENS OP AARD GESPROOTEN …’ (04) kunnen we afleiden  dat Lutgert kinderloos is overleden en J. Ockens, zou Jan Ockens zoon van Ocko Harckens en Lutgaert kunnen zijn.

 

Juffer Lutgert Ockens moet een uitzonderlijke sterke vrouw geweest zijn. Ze zal al op vroege leeftijd in het bezit zijn gekomen van een boerenbedrijf in Finsterwolde en bestiert het bedrijf in haar eentje zo’n 40 jaar lang. Natuurlijk zal zij hebben beschikt over knechten en meiden die haar hun diensten ter beschikking stellen. Knechten die het land bewerken, meiden die de koeien melken en de dagelijkse gang van zaken rond de boerderij op orde houden. Bij haar huwelijk wordt ze ‘juffer’ genoemd. Waarschijnlijk heeft ze deze ‘titel’ aan de bevolking te danken die tegen haar opziet: een alleenstaande ‘landbouwersche’ die een complete boerderij beheert.

Hermannus Heddema
In Groningen wordt in 1655 een kerkelijk huwelijk gesloten tussen Broer Heddema en Tallechien Severinus. Het paar krijgt tussen 1655 en 1667 acht kinderen, waarvan zes zoons en twee dochters.  De namen van de zoons luiden Gercko (1655), Severinus (1657 vroeg overleden), Bernardus (1659), Severinus (1662-1701), Gerardus (1663) en Arien (1666). Severinus (1657) wordt chirurgijn en heelmeester aan het Rode Weeshuis te Groningen. De dochters krijgen Alette (1658) en Hibbina (1667) als naam mee.  Na het overlijden van Tallechien hertrouwt Broer met Hillechien Geerts op 11 mei 1675. Uit dat huwelijk zijn er geen kinderen.
Genoemde zoon Bernardus (Benno) wordt geboren op 25 mei 1659 te Groningen. Hij trouwt in 1684 met Catherina Wiardi (vermoedelijk) te Delfzijl, een dochter van Hermannus Wiardi, pastor te Enum en Johanna Gerkes.  Het stel krijgt drie kinderen, Johanna, Talina (1684) en Hermannus (1694). Na het overlijden van Catherina hertrouwt Benno met Elizabeth Siemens op 10 december 1713. De laatste hertrouwt na het overlijden van Benno met Capitein Nauoog
(06).
Benno wordt collecteur en solliciteur-militair onder overste Bottenius in Delfzijl. Blijkens het contract van 11 augustus 1676 koopt Benno's vader het collecteurschap voor hem. Hij moet later wel op eigen kracht het solliciteurschap verworven hebben. Benno is reeds collecteur wanneer hij zich op 10 december 1674 in Delfzijl vestigt
(07). Aangezien Benno dan pas 15 jaar oud is, zal hij bij familie gewoond hebben. Dat is zeker mogelijk. Eerder dat jaar heeft Augustinus Atzema, sergeant onder Comm. Gerrit Schay, zich in Delfzijl gevestigd en wellicht dat zijn vrouw hem zelfs vijf jaar eerder is voorgegaan (07) (lidmatenboek Delfzijl, 1669: Eelcke Augustinus, huisvrouw van Augustinus, rustmeester onder Capt. Burmanja).
Aangezien deze Augustinus en Eelke later als oom en tante van een Severinus Heddema opduiken (koopacte, 9 oktober 1688), is Eelke toch zeer waarschijnlijk een zuster van Broer en Benno zal bij zijn tante gewoond hebben. Overigens vestigt zich in 1670 ook een Martje Heddema, weduwe van  majoor Wijnhold de Jager, in Delfzijl
(07). Dit zou een andere zuster van Broer geweest kunnen zijn. Wellicht is het huis waarvan Severinus zijn aandeel verkoopt al in 1670 in familiebezit.
Hun zoon Hermannus, gedoopt op 26 februari 1694 te Delfzijl wordt later vaandrig onder colonel baron Berndt Lewe van Aduard. Op 17 juni 1731 bevindt hij zich in Westerbroek.

 

Het merkwaardige huwelijk van Hermannus en Juffer Lutgert
Het exacte kerkelijk huwelijkdatum tussen Hermannus en Juffer Lutgert blijft een beetje onduidelijk. In het Kerkbeboek van de Kerkelijke gemeente Westerbroek treffen we de volgende vermeldingen aan:


1731: 'Den 17 Junij hebben voor de eerste maal haere huwelijkze voorstelling gehadt Hermannus Heddema van Westerbroek vaandrig onder het regiment van den Heer Colonel Berent Lewe en Lutgart Ocken van Finsterwold'
‘Den 25 dito voor de tweede maal.’
‘Den 30 dito attestatie na behoren gegeven’.
‘Den 1 Julij voor de derde maal geproclameert'  (= aangekondigd).

Op 30 juni verkrijgt Hermannus dus de attestatie van de kerk te Westerbroek. Binnen de context van christelijke kerken in Nederland is een attestatie een document dat mensen (individuen of gezinnen) mee krijgen wanneer ze overgaan van de ene kerk naar de andere. Het nut van het attestaat is dat het kerkgenootschap waar men terecht komt, op de hoogte is van de geestelijke staat van de nieuwe leden, zodat de nieuwe leden goed kunnen worden opgevangen in hun nieuwe omgeving. In feite is dat in dit geval de datum geweest waarop Hermannus wordt overgeschreven van de kerk van Westerbroek naar die van  Finsterwolde. Het is wel  vreemd dat de laatste aankondiging van het huwelijk plaats vindt ná de attestatie, namelijk op 1 juli 1731.

In het Kerkboek van de Kerkelijke gemeente Finsterwolde treffen op 17 juni 1731 alleen aan:
'De Heer Vaandrig Hermannus Heddema van Westerbroek Juffer Lutgert Ocken van F.W.' (=Finsterwolde).
Hieruit zouden we kunnen opmaken dat de ondertrouw heeft plaatsgevonden op 17 juni 1731 en het kerkelijk huwelijk op of na 17 juni 1731.
Op zich is dit een zeer vreemd huwelijk. Bij hun huwelijk is Juffer Lutgert circa 60 jaar en Hermannus is 23 jaar jonger, namelijk 37 jaar. Het blijft geheel onduidelijk, waarom Lutgert tot haar 60e jaar alleen is gebleven om daarna alsnog te trouwen. Gezien haar leeftijd is het niet meer mogelijk om kinderen te krijgen en aangezien Hermannus ook geen kinderen heeft is er totaal geen uitzicht op een opvolger voor de boerderij. Over de kindertijd van Lutgert weten we ook niets. We weten niet waar ze als kind is opgegroeid en wanneer en hoe ze in het bezit is gekomen van het boerenbedrijf in Finsterwolde. Het is echter zeer waarschijnlijk dat haar vader J. Ockens bezittingen heeft gehad in zowel Beerta als Finsterwolde.

 

Verder is het ook geheel onbekend op welke wijze Lutgert in aanraking is gekomen met Hermannus. Lutgert woont in Finsterwolde en bij het huwelijk is Hermannus afkomstig uit Westerbroek, waar hij gelegerd is. In Westerbroek is Hermannus net als zijn vader solliciteur. Solliciteur is een uitgestorven beroep. Officieel is het ‘solliciteur-militair’, in het engels ‘tax-collector’. Zijn rang is vaandrig. Hermannus is als solliciteur in dienst bij Berent(Berndt) Baron Lewe van Aduard, zijn vader Benno  bij de heer overste Bottenius. Iedere hoge officier heeft zijn eigen solliciteur, soms zelfs meerdere. Een solliciteur is een soort militaire bankier, ze maken geld vrij voor soldij en de foerage. Vervolgens eisen zij dat geld terug van de provincie.

 

Eerst  geld uitgeven en dan pas ontvangen is een enorm risico, daarom krijgen de solliciteurs een soort rente op de leningen. Dat de rente wel eens woekert,  blijkt als er in 1672 wordt bepaald dat de interest niet hoger mag zijn dan 16 stuivers per 100 gulden per maand. Het salaris dat een solliciteur voor zijn werkzaamheden ontvangt, bedraagt evenveel als de soldij voor één man. Als er veel  geld mee gemoeid gaat, dan is de persoon in kwestie van groot aanzien, je zou hem eens nodig kunnen hebben. De solliciteurs beschikken dus over een groot sociaal netwerk in de hogere kringen. Officieren in het leger zijn vaak van adel en tijdens rustige maanden in het oorlogsgebied of op verlof worden de officieren door de solliciteur bij de plaatselijke elite geïntroduceerd. Andersom komt ook voor. Misschien is Hermannus wel zó bij Lutgert terecht gekomen. Het kan ook zijn dat Hermannus uit het leger ontslagen is. Als ontslagpremie wordt vaak een stuk land gedoneerd. Het in niet onmogelijk  dat, dat stuk land in Finsterwolde heeft gelegen en Hermannus na zijn solliciteurschap boer geworden is….

Lutgert en Hermannus ‘leefden in teedere liefde te samen in 21 jaar’, volgens de grafzerk (05). Uiteindelijk overlijdt Juffer Lutgert op 4 december 1751. Ze is dan ongeveer 80 jaar. Hermannus overlijdt 12 jaar later op 8 april 1763 en zal dan 69 jaar zijn. Hij wordt in de grafkelder bijgezet naast Lutgert. Evenals Lutgert is Hermannus ‘de laatste van de stam(05) er zijn geen kinderen, dus er is geen opvolger op de boerderij te Finsterwolde. Toch betekent dit niet het einde van het boerenbedrijf  voor het geslacht Heddema. Benno Heddema, een zoon van Hermannus’ zuster Johanna Heddema, gehuwd met Abel Fockes in 1731, heeft de naam Heddema van haar moeder overgenomen. Waarschijnlijk doet hij dit omdat met Harmannus' overlijden in 1763 het geslacht Heddema in mannelijke lijn is uitgestorven. Zo blijft de naam Heddema behouden ofschoon het geslacht in strikte zin is uitgestorven.
Tot op heden leven en wonen er nog steeds Heddema’s van dit geslacht in en rond Finsterwolde. Reden voor mij om het geslacht Heddema eens verder uit te spitten in een genealogie.

 

De huwelijkscontracten  van Hermannus (08) en zijn zuster Johanna (09) zijn gevonden, maar nog niet ingezien. Wellicht kan een nader onderzoek ons meer vertellen over de mysteries rond dit vreemde huwelijk.

 

Grafkelder in de Ned. Herv. kerk te Finsterwolde.
Grafkelder van Juffer Lutgert Ockens Joling en Hermannes Heddema in de Ned. Herv. kerk te Finsterwolde. In het voorste deel ligt alleen wat puin en zijn slecht een paar botten aangetroffen. Foto: 2012

 

Grafzerk van Juffer Lutgert Ockens Joling

 

De oorspronkelijke tekst op haar grafsteen in de grafkerk luidt:


'LUTGERT OKKENS, IN DEN JAARE 1671 GEBOREN ENDE DEN 4 DESEMBER 1751 IN DEN HEERE ONTSLAPEN,
RUST HIER DOOR BESTEL HAARS EHEMANS, DEN W.E.L. HR. H. HEDDEMA, IN DESE GRAFKELDR,
VERWACHTENDE MET ALLE GELOOVIGEN EENE VROLIKE OPSTANDINGE TEN EEUWIGEN LEVEN'.


Wapen:
Gedeeld:
I doorsneden:
a. een omgewende leeuw;
b. een aanziende staande wildeman, dragend in de opgeheven rechterhand aan een riem een schildje, beladen met een ster, en houdend in de linkerhand een op de linkerschouder rustende knots.
II op een terras een tegen een boom klimmend hert met gewei.

 

Het wapen van de Heddema's op de herenbank in de Ned. Herv. kerkl te Finsterwolde.

 

Foto boven: Het wapen van de Heddema's op de herenbank in de Ned. Herv. kerkl te Finsterwolde.


'NU IK, DE LAASTE UIT DE STAM VAN J. OCKENS OP AARD GESPROOTEN
ONS REY DOOR 'T STERVEN HEBB' GESLOOTEN
EN NEFFENS DIE TE RUSTEN KWAM
ZOO LAAT IK AAN MYN VRIENDEN 'T GOED
MET WENSCH VAN JESUS DIERBAARHEDEN
DIE VOOR ONS KWAM SYN BLOED BESTEEDEN
DAT DIE MY NEEM IN SYN BEHOED
WAT MY BELANGT, IK VAAR JEHEEL
IN ZOETHEID VAN MYN ZIELSGEDAGTEN
TEN HEMEL OP MET ALLE KRAGTEN
TE VINDEN WYZE MAAGDEN DEEL' (10).

 

Het doopbewijs van Lutgert is nog nergens gevonden. Helaas ontbreken in de doopboeken van Finsterwolde aantekeningen over verschillende jaren en ook het ledenmatenboek is niet compleet. Rond 1713 heeft de schoolmeester en tevens koster van de kerk, Vincent Gramsbergen, het oude boekwerk dat in een zeer slechte staat verkeerde, overgeschreven. Althans alles wat de schoolmeester er nog van heeft kunnen lezen, want de inkt is in de loop der jaren vervaagd en de muizen hebben zich tegoed gedaan aan het papier. In het rouwboek van de kerk lezen we echter nog wel dat op 5 maart 1729 de oude knecht van Lutgert is overleden, als er staat 'Juffer Okkens oude knecht genaamd Derk, nalatende een zuster'. Verder weten we ook nog dat Lutgert na haar dood 1000 caroli gulden heeft nagelaten aan de diaconie van de kerk.


Grafzerk van Hermannus Heddema

 

In de Nederlands Hervormde kerk van Finsterwolde bevindt zich een grafkelder. Bij de ingang daarvan is een tegeltje aangebracht met de tekst

 

' INGANCK TOT DE GRAFKELDER. OBIIT LUTGERT OCKENS DEN 4 DESEMBER 1751.
OBIIT HERMANNUS HEDDEMA DEN 8 APRIL 1763'
(11)

 

De ingang van het graf is bij de verbouwing in 2012 weer tevoorschijn gekomen, maar blijkt naar het westen te zijn dichtgemetseld met hedendaagse stenen, die erop duiden dat het graf geruimd zou kunnen zijn bij een eerdere restauratie. Naar ik weet zijn bij de restaurauratie in 2012 deze stenen niet verwijderd, zodat we niet weten wat er achter te zien is.

 

Op de zerk van Hermannus staat ook de volgende tekst:


'1694 IS DEN WELEDELEN HEER HERMANNUS HEDDEMA GEBOREN TOT DELFZYL, TROUWDE JUFFER LUTGERT OCKENS TOT FIN-SERWOLT 1731, LEEFDEN IN TEDERE LIEFDE TE SAMEN IN 21STE JAAR. NA V...T...EN OVER HAAR GEMIS GAF HY ... ZYN GEEST IN HANDEN VAN DEN ZALIGENDE HERE JESUS DEN 8 APRIL 1763 ... EN IS BY HAAR IN DESE GRAFKELDER BYGESET' (13).

 

Wapen, geplaatst voor krijgsattributen: Een rechterschuinbalk, begeleid van boven en van onderen van drie leliën schuinrechts.

 

'DE HEER HERMANNUS HEDDEMA IS GEWEEST DE LAATSTE VAN DE STAM' (13).

 

De stee, waar Lutgert en Hermannus hebben gewoond.

De 'stee' vlakbij de kerk in Finsterwolde waar de Heddema's eeuwen hebben doorgebracht. (Bron: Google Earth,2009).


Uit de laatste zin blijkt dat Hermannus Heddema en zijn vrouw geen zoon hebben gehad. Sterker nog, Hermannus en zijn vrouw sterven beiden kinderloos. Gelukkig weten we wel waar de ‘stee’ van Lutgert en Hermannus heeft gestaan. In het artikel ‘Rond de kerk van Finsterwolde in 1832’ hebben we vlakbij de kerk de boerderij van Harmannus Benes Heddema, landbouwer te Finsterwolde gevonden. Deze Harmannus is gehuwd met Geessien Engels Engelkens. Hij is de achterkleinzoon van de eerder genoemde Johanna Heddema, in 1731 gehuwd met Abel Fockes.
Afzonderlijk is de genealogie van de Heddema’s uitvoerig uitgewerkt. Nog niet alle namen en families zijn bijwerkt, maar de volledige familielijn tot 1970 is hier te vinden. Voor verder onderzoek is er tijd nodig, veel tijd en … geduld.

 

Voetnoten, bronnen en literatuur:
Sommige bronvermeldingen staan in de tekst en zijn niet hieronder opgenomen.

01. Website kerkelijke gemeente Reiderland.
02. RHC GA = Regionaal Historisch Centrum Groninger Archieven.
03. RHC GA, toeg.nr. 124. Invnr. 29, folio 101).

04. Grafzerk Juffer Lutgert Ockens Joling in de Ned. Herv. kerk te Finsterwolde.
05. Grafzerk van Hermannes Heddema in de Ned. Herv. kerk te Finsterwolde.

06. RHC GA, zie bronvermeldingen in de genealogie van het geslacht Heddema, elders op deze website.

07. Ledematenboek Ned. Herv. gemeente Delfzijl.

08. RHG GA RA Gr. V gg, 15/6/1731.
09. RAC GA RA Gr. XII b*, 21/4/1731.

10. Bron: GDW, blz. 259, nr. 1204).

11. Bron: GDW blz. 258 nr. 1194.

12. GDW = Groninger Gedenkwaardigeheden, teksten, wapens en huismerken van 1298 - 1814. A. Pathuis, Van Gorcum, 1977.

13. GDW, blz. 259, nr. 1205.
14. De citaten in deze alinea zijn ter illustratie overgenomen uit de instructie voor het werk van de vroedvrouw, zoals opgesteld door de regenten van Oostzaandam in 1778. In Finsterwolde kunnen in die tijd de regels voor de vroedvrouw best wat anders zijn geweest.

 

 

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.

 

Hoogeveen, 15 febr. 2013
Revisie: 07 mei 2018
Verhaal: © Harm Hillinga
.

Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top