Watersnood.

 

Torum is een niet meer bestaande middeleeuwse nederzetting en komt in oude stukkeen ook voor als Cordinggum, Tordingum, Toornum, Thorom, Thorum en Tho Thorom.

 

De plaats heeft gelegen in het middeleeuwse landschap Reiderland, ten westen en in de buurt van het Oost-Friese Pogum en ongeveer 5 km ten zuiden van Emden. Torum valt uiteindelijk ten prooi aan de golven van de Dollard en verdwijnt dan van de kaart.

 

 

 

 

Volgens Stratingh en Venema (1) is de plaats een klein stadje geweest, gelegen ten zuiden van Wilgum. Naar verhalen uit de 17e eeuw heeft het stadje een voorname markt gekend en hebben er maar liefst acht goudsmeden gewoond. De plaats heeft tot ver in de 16e eeuw bestaan. In 1507 is er nog een gericht gehouden en is Torum de zetel van één van de drie landrechters van het Eemsland. Volgens de getuigenis van Ubbo Emmius is Torum aan het eind van de 16e eeuw verdwenen.

 

Emmius beschrijft Torum als een voor die tijd vrij grote landstad met ongeveer 1500 inwoners. De stad heeft mooie gebouwen en een beroemd marktplein. Emmius vertelt dat bij aanhoudende oostenwind zijn de resten van de plaats in die tijd nog zichtbaar zijn geweest en dat er verscheidene voorwerpen en geldstukken zijn gevonden.

Torum wordt ook nog genoemd in een laat 15e eeuwse lijst van kerspelen van het bisdom Münster. Gezien de inkomsten uit deze lijst is het waarschijnlijk toch geen stad geweest. Waar bijvoorbeeld Westerreide en Oosterreide beide 13 schillingen hebben, heeft Torum slechts 8 schillingen. Torum heeft behoord tot het decanaat (proostdij) Hatzum alias Nes. De plaats wordt in kronieken gennoemd in 1367, 1372, 1447, 1457, 1500 en 1507.

 

In 1849 schrijft C.M. van Bolhuis Hoitsema, Med. et Art. Obstetr. Doctor te Beerta, een boek die als titel draagt 'Geschiedenis der Provincie Groningen, van het begin onzer tijdrekening af, tot aan den jare 1848; handelende over de aloude en tegenwoordige gesteldheid, oorlogen, watervloeden en andere merkwaardige gebeurtenissen in deze provincie; met ene kaart, op welke de plaatsen enz., sedert 1277 door den Dollard verzwolgen, worden aangewezen.' Ook hij heeft het over de plaats Torum. Hij schrijft:

 

"(...)Thorum of Torum, Z.O. van Peterswolde, naar den kant van Uiterpauwing toe gelegen. Torum was eene fraaije stad van dien tijd, volkrijk en groot van vermogen; aldaar was eene bloeijende markt; terwijl er voorts ook een muntmeester en acht goud- en zilversmeden woonden. Ten tijde van Emmius viel dit nog onder het geheugen der oude lieden, dewijl die stad nog tot 1507 aanwezig bleef. Emmius zelf getuigt, dat men bij ebbe of afloop van het water door eenen oostewind de overblijfsels der oude gebouwen en straten van die stad nog kon zien. Ja, het gebeurde dikwijls, zegt hij, dat in zijnen tijd nog eenig geld of andere antiquiteiten bij het doorzoeken van den grond gevonden werden, en dat hij een vat vol klein geld van zilver, van zeer oude munt, aldaar gevonden, zelf gezien had. (...)(Chor. Fris. orient, p. 37, ook Hist. Fris. 1. 12 p. 176)." (p.95) (2). Dit verhaal komt vrijwel overeen met dat van Stratingh en Venema.


De Cosmas- en Damianusvloed van 1509 is de genadeklap geweest voro de slecht onderhouden dijk van de Dollard.
De Cosmas- en Damianusvloed van 26 sepember 1509 is volgens historicus Knottnerus de genadeklap geweest voor de slecht onderhouden dijk van de Dollard.

Verder schrijft Bolhuis Hoitsema op pagina 93:

 

"(...)Nadat n.l. in 1277 het water bij Jansum was doorgebroken, en de onweders de volgende jaren zich herhaalden, daarbij de dijken door verzuim en gebrek verwaarloosd waren gebleven, is dat, hetwelk eerst groot was, met verloop van tijd en door gedurigen invloed van water, zeer groot geworden. Vele plaatsen, op vasten kleigrond, schoon overigens in de nabijheid der Eems gelegen, hebben langer tegengestaan, en zijn allengs de golven te boven gekomen, terwijl de in lagen en moerassigen grond gelegene, schoon verder van den oorsprong van het kwaad, d.i. van het Eemsstrand, te ligter zijn ingesloken; en dus zijn hier Oosterreide, Tijsweer, Swaag en daarna Wilgum, Uiterpawing, Torum nog tot het geheugen onzer grootouders gekomen. Torum is nog het laatst van allen overig geweest (hoewel zonder bewalling of dijken), aan de woede der golven blootgesteld. Want dat die stad nog tot 1507 gestaan heeft en dat aldaar de provinciale regtbank toen hare zitting hield, bewijzen eenige oude gedenkstukken. — Op welken tijd en plaats sedert die eerste ramp er dijken, om den toevloed van het water aan de oostzijde te beteugelen, zijn gelegd, kan niemand gemakkelijk bepalen. Maar aan de andere (westelijke) zijde is, naar aanleiding van tijd en zaak, iets, doch met ligten arbeid, in het werk gesteld, en alzoo werd hetzelve dikwijls weder omvergeworpen. Eindelijk is in het jaar 1454, voornamelijk door beijvering der Groningers (onder wier gezag het Oldambt toen stond), met medehulp van meer anderen, vanaf de plaats, waar Jansum gelegen had, naar Tijsweer, Palmar en Swaag (juist naar het zuiden van Finsterwolde) een goede en vaste dijk gelegd, die 40 jaren stand hield. Maar naderhand, in den Saksischen oorlog, is dezelve verwaarloosd en door eenen storm weder weggespoeld; het water liep nu westwaarts voorbij Midwolde in de moerassige en weeke gronden, en vertoonde zich als een tweede boezem. Dit kwaad zoude al verder gegaan zijn, daar het reeds het kwartier Fivelingo begon te benadeelen; maar met algemeene hulp is eindelijk aan dien kant hetzelve gestuit: — het land is n.l. in 1539 of daaromtrent vaster bedijkt geworden, zoodat het meer dan tweehonderd en vijftig jaren na den eersten vloed van 1277 is geleden, vóór men de gansche gedaante van den Dollard zag.(...) (2)"

 

Bij Vierhuizen (Ulrum) in de Westpolder is een boerderij gebouwd met de naam Torum. Dit is zeer opmerkelijk omdat de Westpolder aan de voormalige Lauwerszee ligt, dus precies aan de ander kant van de provincie. De boerderij is oorspronkelijk gebouwd in 1880 door Derk Roelof Mansholt (Ditzumerhamrich 29 maart 1842 - Groningen 1 aug. 1921), Groninger boer en politicus. Zijn kleinzoon is Sicco Leendert Mansholt (Ulrum 13 sept. 1908 - Wapserveen 29 juni 1995), van wie een standbeeld in Blauwestad staat sinds 13 sept. 2008. Hij is niet alleen bekend geworden als boer, maar ook als politicus en verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zijn vader is Lambertus Helbrig Mansholt, o.a. lid van de SDAP, lid van de Groningse Provinciale Staten en gedeputeerde. Sicco is ook bekend uit het boek 'De Graanrepubliek' van Frank Westerman.

 

De boerderij Torum bij Vierhuizen (Ulrum).

 

 

 

Bronnen en literatuur:


* Wikipedia.
1. G.A. Stratingh en G.A. Venema, De Dollard (Groningen, 1855).
2. C.M. van Bolhuis Hoitsema, Med. et Art. Obstetr. Doctor te Beerta, 'Geschiedenis der Provincie Groningen, van het begin onzer tijdrekening af, tot aan den jare 1848; handelende over de aloude en tegenwoordige gesteldheid, oorlogen, watervloeden en andere merkwaardige gebeurtenissen in deze provincie; met ene kaart, op welke de plaatsen enz., sedert 1277 door den Dollard verzwolgen, worden aangewezen.'



 


 

Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten

voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...

geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.

 

Hoogeveen, 9 juni 2009
Verhaal: © Harm Hillinga.

 

Terug naar Submenu Artikelen. Terut naar de HomePage
Top