Schieringers en Vetkopers
Schieringers en Vetkopers is de naam die gegeven wordt aan twisten in Friesland en Groningen in de late middeleeuwen. De namen Schieringers en Vetkopers komen waarschijnlijk oorspronkelijk van een geschil tussen cisterciënzers en norbertijnen. De kloosters van die ordes hebben in het toenmalige Friesland een grote invloed gehad.
De Schieringers is de aanduiding van een partij in partijtwisten die in de 14de en 15de eeuw Groningen en Friesland teisteren. De naam verwijst mogelijk naar de ‘Schiere monniken’, de bijnaam van de cisterciënzers, Schier wijst dan naar de grijze kleur van hun pijen
.

 

Naar het schijnt zijn de Schieringers vooral sterk in Westergo en voorstanders van de vrijheid. Zij zoeken steun bij Jan van Beieren als vijand van gravin Jacoba van Beieren, bij Albrecht van Saksen omdat hij alleen tegen Groningen kan helpen. Zij blijven de Saksische hertogen trouw en aanvaarden ook het gezag van keizer Karel V.
Het woord schieraal (Fries: skieriel) staat voor geslachtsrijpe aal. Dit was een bijnaam voor de Schieringers.
De Vetkopers zijn een partij in Friesland en Groningen in de 14de en 15de eeuw. Hun naam wordt in verband gebracht met de kloosterorde van de norbertijnen, die mogelijk vetweiders (slachtveefokkers) zijn geweest. In 1394 is voor het eerst sprake van de ‘vette partij’.

 

De Vetkopers hebben de overhand ten Oosten van de Middelzee (Dokkum, Leeuwarden, Groningen, Oost-Friesland) en zijn soms bereid Hollands gezag te erkennen (1398, 1470). Bij de onderwerping aan Albrecht van Saksen zijn de Vetkopers de onderliggende partij, die hulp zoeken bij Karel van Egmond.
Het is niet duidelijk wat oorspronkelijk de oorzaak is geweest voor het ontstaan van de twisten. Deels nemen er lieden aan deel die uit zijn op vergroting van hun invloed, maar er is nauwelijks sprake van duidelijke partijen. Bondgenootschappen hebben een kort bestaan en partijwisseling is niet ongebruikelijk. Op de achtergrond spelen met name de graven van Holland en Oost-Friesland een rol, die mogelijkheden zien om hun macht uit te breiden, terwijl de stad Groningen zich opwerpt als beschermer van de Friese Vrijheid.

 

Overigens zijn deze twisten niet uniek voor Friesland. In dezelfde periode spelen in Holland de Hoekse en Kabeljauwse twisten, terwijl ook in Gelre vergelijkbare twisten worden uitgevochten tussen Heekeren en Bronkhorst.
Bovendien moeten we vooral niet vergeten dat de communicatie tussen vorst (lees overheid/regering) en volk in die tijd zeer moeizaam en traag verloopt. Men kan niet even de krant pakken voor het laatste nieuws. Het overbrengen van berichten van vorst naar volk, duurt dagen, weken, soms zelfs maanden. Discussiemogelijkheden zijn er ook niet. Het volk doet het werk, betaalt belastingen en de vorst woont ver weg. Daardoor kan er ook moeilijk een band worden opgebouwd tussen de vorst of de landheer en het volk. Misverstanden komen dan ook veelvuldig voor, waardoor het voor het volk erg moeilijk is te kiezen voor een vorst of de landheer.


1325 – 1398

In de geschriften van Sibrandus Leo (1529-1589) beslecht abt Pibo Sibranda van Lidlum (1309-1325) twisten, strijdt Eelko Liauckama (1325-1332) met 180 soldaten en bewapende conversen tegen edelen, slaat Godfried Andla (1336-1347) een aanval van Bloemkamp, Ludingakerk en de gebroeders Adelen af, versterkt Tetard (1386-1422) de uithof te Miedum tegen de Sjaardema’s, die weer Lidlum en bezittingen verwoesten. Orde-verband, bloedverwantschap, vriendentrouw en eigenbelang bepalen ieders positie. De partijschappen worden na 1345 zo heftig dat Friesland tussen Lauwers en Eems, de Ommelanden zich onder bescherming van Groningen plaatst van 1366 tot 1382. De namen ‘Schier’ en ‘Vet’ komen in 1392 op. De Hollandse dreiging brengt slechts korte onderbreking in 1396: de Vetkopers onderwerpen zich in 1398 aan Albrecht van Beieren, maar de Schieringers met Groningen verdrijven vijand en verrader.


1413 – 1422. Deze periode wordt ook wel ‘de Grote Friese Oorlog’ genoemd.

In deze periode is sprake van een uitzonderlijk groot gewapend conflict, dat bekend staat als de Grote Friese Oorlog. Negen jaren lang woedt er openlijk oorlog in heel Friesland tussen Vlie en Weser. Diverse veldslagen vinden er plaats en Friesland gaat gebukt onder piraterij, plundering, brandstichting en moord. Deze oorlog ontstaat als gevolg van een uit de hand gelopen vete tussen de Oostfriese hoofdelingen Keno II tom Brok en Hisko Abdena, waarna alle partijen een zijde kiezen in het conflict en er in heel Friesland een burgeroorlog losbarst.

 

De strijd begint met de bezetting van Emden in 1413 door Keno II Tom Brok. Diens tegenstander proost Hiske Abdena van Emden vlucht daarop naar Groningen, waar de Schieringers onder (de bekende) Coppen Jarges een staatsgreep plegen. Na veel strijd wordt Groningen weer Vetkopers in 1415, Keno brengt de Schieringers, die zich hebben teruggetrokken in Westerlauwers Friesland zware slagen toe, o.a. in de slag bij Okswerderzijl, welke plaats vindt in 1417.

 

De (Duitse) keizer bewerkt een kortstondige vrede. Inmiddels zoeken de Schieringers steun bij Jan van Beieren in 1418, die in 1420 troepen stuurt om de Vetkopers onder Focko Ukena uit Friesland te verdrijven. Maar de strijdende partijen verzoenen zich buiten hem om bij de vrede van Groningen van 1422 en verdrijven met hulp van de Hanze en Keno's zoon Ocko II Tom Brok de troepen van Jan van Beieren en Likedelers 2). De Vetkopers raken daarna opnieuw verdeeld. Ocko Tom Brok wordt in 1426 verslagen door een boerenleger onder leiding van Focko Ukena, maar weet het jaar daarop opnieuw de overhand te krijgen, waarna Focko naar Appingedam vlucht.


De Schieringers vragen in Medemblik de Hertog Albrecht om bescherming in maart 1498. Afb. Tussen 1825 en 1893
De Schieringers vragen in Medemblik de Hertog Albrecht om bescherming in maart 1498. Afb. Tussen 1825 en 1893. Tekening van Julius Scholz (1825-1893). De afb. is te oorspronkelijk te vinden op blz. 87 van 'Friesland, staat en macht 1450-1650' uit 'Bijdragen aan het historisch congres te Leeuwarden van 3 tot 5 juni 1998 van het Fryske Akademy.

1439 – 1496

Nadien bemoeien de Oost-Friezen zich niet meer met de partijschappen ten Westen van de Lauwers. Deze beginnen in 1439 weer in Gaasterland: vetkoperse Galama’s tegen schieringse Harinxma’s tot 1456. De strijd in Oostergo van 1441 tot 1444)wordt beslecht door een rechtbank met Groningse invloed. De dreiging van Filips de Goede drijft op 15 augustus 1456 tot een nieuw verbond tegen alle landsheren onder oprichting van een raad ‘des ghemenen landes Vrieslandt’. Weldra volgt de Donia oorlog van 1458 tot 1463 en daarna de ene uitbarsting na de andere; de steden spelen nu een grote rol, soms actief zoals bijvoorbeeld in Sneek, soms passief zoals in 1470 in Dokkum en het bieroproer te Leeuwarden in 1487. Vredespogingen van de keizer zijn vruchteloos. Holland kan de Vetkopers de gevraagde hulp niet geven, waarvan de Groningers profiteren tot ze voor Franeker worden verslagen en Westergo moeten opgeven in 1496.

 

De twisten onder de Jongema’s van Bolsward brengen tenslotte Albrecht van Saksen naast de Schieringers in 1498. De vernederde Vetkopers komen in 1500 in opstand en halen in 1514 de Geldersen in het land. Na de onderwerping aan keizer Karel V in 1524 verdwijnen de partijnamen.


De gebeurtenissen omstreeks 1500
Boven wordt gesproken over De Friese vrijheid. De ‘Friese vrijheid’ is op een mythe is gebaseerd, waarbij er een 'privilege' van Karel de Grote zou zijn geweest (Het Karelsprivilege) op grond waarvan de Friezen geen rijksbelastingen hoefden te betalen, geen feodale dienstbaarheid kenden en geen landsheer hoefden te erkennen die optrad namens de Keizer van het Heilige Roomse Rijk.
Zo' n Karelsprivilege heeft nooit bestaan. Maar toch wordt de Friese 'vrijheid' vastgelegd in een privilege van keizer Sigismund uit 1417. In de periode daarna heeft de keizer echter te kampen met groot geldgebrek en hij probeert in de 'rijksonmiddellijke gebieden', dus de gebieden die direct onder het Rijk staan een vertegenwoordiger aan te stellen, die namens hem belasting voor het Rijk kan heffen. Uiteindelijk wordt de verdeeldheid en de partijstrijd tussen de Schieringers en de Vetkopers de Friezen noodlottig. In 1497 zijn de Vetkopers met steun van de machtige stad Groningen aan de winnende hand. Daarop vragen de Schieringers de hulp van hertog Albrecht van Saksen. Op 30 april 1498 sluiten de Schieringers van Westergo een verbond met hertog Albrecht, waarbij ze hem als heer erkennen, maar waarbij ter behoud van hun vrijheid wel afspraken worden gemaakt met betrekking tot rechtspraak en belastingheffing. Nu moet hertog Albrecht nog door de keizer van het Roomse Rijk tot heer benoemd worden. De keizer heeft grote schulden bij de hertog open staan en dit vormt dus geen probleem. In 1498 verpandt keizer Maximiliaan Friesland aan hertog Albrecht van Saksen, die daar 250.000 goudguldens voor betaalt. Hertog Albrecht wordt onder de naam erfelijk gubarnator en potestaat namens het heilige Roomse Rijk met het bestuur belast. Het leger van de hertog dat zijn rechten komt opeisen krijgt uiteraard de steun van Westergo, dat vooral aanhanger is van de Schieringers, maar men blijft zich verzetten in Oostergo, dat Vetkopers is. Ook in de Zevenwouden blijft het verzet voortsmeulen en blijven de verschillende grietenijen zich zelfstandig opstellen.

 

De veldheer van Albrecht van Saksen, Nuttert Fox, heeft o.a. Sloten bezet en de Lemsterlanders en de Stellingwervers worden door hem bij Wyckel verslagen. In 1498 vinden meerdere malen gevechten plaats tussen deze Fox en zijn tegenstanders, o.a. bij het Sneekermeer. De nieuwe machthebbers kunnen verder verzet niet tolereren, en hertog Albrecht stuurt een leger naar Stavoren. In 1498 verslaat de veldheer en rentmeester van de hertog, Willibrord van Schaumberg, bij Laaxens of Laaxum op het Rode Klif een leger van 15.000 man uit het Vetkoperse Oostergo en de Zevenwouden.

 

Ook na deze veldslag is het verzet echter nog niet definitief gebroken. Hendrik van Saksen, de zoon van Albrecht, slaagt er niet in met zijn legers de Vetkopers en de boeren in zuidoost Friesland definitief te onderwerpen. Begin mei 1500 onder Hendrik van Saksen vindt er een volksoproer plaats omdat men tegen de afbraak van stinzen voor de bouw van blokhuizen in Leeuwarden en Harlingen is en omdat men tegen de extra belastingen is die de hertog zonder instemming van de Friezen heft. Bovendien zijn de Friezen kwaad omdat ze de overwinning op Willem IV niet mogen herdenken. De Friezen belegeren Franeker, waar hertog Hendrik verblijf houdt.
De grote verbrokkeling van de rechtsgebieden verzwakt echter het verzet. Zo blijven de verschillende grietenijen die deel uitmaken van de Zevenwouden zich zelfstandig opstellen en vormen zij geen voortdurende eenheid tegenover de aanvallende hertog. Als de Friezen van Oostergo Franeker belegeren, waar hertog Hendrik verblijf houdt weigeren de Stellingwervers mee te doen omdat het hier volgens hen gaat om een conflict dat alleen Oostergo en Westergo betreft, landstreken waar zij nooit toe behoord hebben.
Het wordt al spoedig duidelijk dat de verdeelde Friezen uiteindelijk het onderspit zullen delven tegen de meer gecentraliseerde en gebureaucratiseerde organisaties van de Saksische hertogen. Steeds meer grietenijen worden onder de macht van de hertog gebracht en in 1500 wordt de Stellingwerven als laatste landstreek onderworpen als de reeds genoemde veldheer Schaumberg met een leger naar Oldeberkoop komt en een schatting opeist. Een van de gevolgen van de onderwerping is, dat de grietmannen voortaan door de nieuwe machthebbers wordt benoemd. In Stellingwerf wordt de eerste grietman in 1504 benoemd. De Stellingwervers wordt bij Friesland ingedeeld zonder dat zij dit zelf willen. De vele oorlogen die zij hebben gevoerd hebben de financiële mogelijkheden van de hertogen echter uitgeput en in 1515 draagt de hertog van Saksen zijn rechten over aan Karel V, die daar 100.000 goudguldens voor betaalt. Heel wat minder dus dan de hertog van Saksen er oorspronkelijk zelf voor heeft betaald.


Conclusie
Tussen de vorming van de absolutistische monarchie onder Karel V en de eerste aanzetten daartoe onder bisschop Jan van Arkel ligt een periode van meer dan 150 jaar waarin de verhoudingen uiterst gecompliceerd zijn en waarin de vorming van de Habsburgse monarchie via zeer gecompliceerde sociaal-economische en politieke krachtenvelden tot stand is gekomen. Tijdens het bewind van Philips de Goede zijn reeds verschillende landstreken aan het Bourgondische huis gekomen waaronder in 1433 Holland, Zeeland en Henegouwen. De Bourgondiërs werken in Holland samen met de Kabeljauwen en deze coalitie heeft het gewonnen van Jacoba van Beieren met haar Hoekse aanhang die bestaat uit de gilden en de relatief sterke landadel. Ook de strijd tussen Schieringers en Vetkopers in Friesland en de daaruit voortvloeiende verdeeldheid speelt op deze manier een belangrijke rol.

 

De absolute monarchie vertoont innerlijke tegenstrijdigheden omdat zij zowel steunt op de macht van de vorsten en de hoge adel als op de macht van de kooplieden uit de patriciersgeslachten. Maar de betekenis van de nieuwe staat en haar invloed blijkt duidelijk uit het feit, dat de regering in de veroverde gebieden ingrijpend veranderd wordt en dat met name in het Sticht in 1528 de gilden van al hun politieke invloed wordt beroofd. De staat staat verder altijd tegenover de boeren op het platteland en de ambachtslieden in de steden. Juist de uitbuiting van de boeren in de overwegend agrarische economie door een gecentraliseerd stelsel van belastingen is een belangrijk doel van de nieuwe staat.


Bronnen en literatuur:

01. Frieswijk 1999 en Baks 1998

02. De Likedelers.
De Victualiënbroeders (of Vitaliënbroeders) zijn in feite piraten die in 1392 beginnen als kapers in dienst van Mecklenburg en Zweden, gericht tegen Denemarken en de Hanzestad Lübeck. Hun aanvoerder is Klaus Störtebeker. Het begint met het veroveren van Deense en Lübeckse schepen in de Oostzee ter bevoorrading van Stockholm. Al gauw werken de Victualiënbroeders voor zichzelf. In 1393 plunderen zij de Noorse stad Bergen en in 1394 veroveren zij de Zweedse stad Malmö en het eiland Gotland. Van dat eiland worden zij in 1398 door de ‘Duitse Orde’ verdreven. Dit betekent de definitieve overgang naar de piraterij. Onder 'victualiën' verstaat men de proviand die men op een scheepstocht meeneemt.
De Likedelers zijn zeerovers en de opvolgers van de Victualiënbroeders. Zij helpen de Hanzesteden tegen Denemarken en worden na de vrede in 1395 uit de Oostzee verjaagd. De Likedelers vinden een schuilplaats bij Oost-Friese hoofdelingen (in Jever bij Edo Wiemken en in Marienhafe bij Widzel tom Broke). In de strijd tegen Albrecht van Beieren wisselen ze meermalen van partij. Zij worden door de Hanzeaten onder leiding van Hamburg van 1401 1408 aangevallen en deels vernietigd. Er liggen Likedelers als bondgenoten van Jan van Beieren in Dokkum en Ezumazijl (1422)m teb westen van het Lauwersmeer. Daarna bestrijdt de Hanze hen opnieuw in Oost-Friesland in het jaar 1433.

 


Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 11okt. 2013
Verhaal: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top