Het huisje van Marijke Arends Bisschop-Teisman waar Okke Kluun haar om het leven heeft gebracht. Foto: eigen verzameling.

Van Uithuizen, ‘het stadje der Ommelanden’, voert als voortzetting van de Brouwerijweg een binnenweg naar 't zuidwesten, naar 't gehuchtje Blauwerij, verder naar Rottum. Een eigenaardige weg, waarvan telkens weer een zekere bekoring uitgaat. Al heel spoedig komen we, deze weg volgende, bij een bruggetje, dat over het Oude Maar ligt, het verlengde van het Helwerdermaar. Dit laatste genoemd naar Heiwerd, waar Liudger, de Apostel, voor het eerst het Evangelie heeft verkondigd in de Ommelanden. Over 't bruggetje zien we Barmerheerd, de boerderij, waar van oudsher de landbouwers familie Smedema heeft gewoond. Een prachtige voorbehuizing, een mooie voordeur met zerken stoep en beeldhouwwerk, afkomstig van de borg Nijenstein te Zandeweer, waarvan het laatste restant in 1819 is afgebroken. Ook de piedestal met zonnewijzer in de tuin zijn afkomstig van Nijenstein. Bij het bruggetje heeft tot voor terug een oud huisje, vaak aangeduid als 't moordhuisje bij d' Oude Til, gestaan (zie foto boven). Hier is op 27 April 1837 een vrouw vermoord.


Okke Geerts Kluin (Kluun in 't Gronings), een jongeman van 25 jaar, is de dader. Okke is geboren in Kantens op 15 december 1813. Hij wordt ter dood veroordeeld en is de laatste, aan wie de doodstraf te Groningen voltrokken wordt aan de galg op de Grote Markt op 12 april 1838. De moord gebeurt op 27 april 1837 op Marijke Arends Bisschop-Teisman, een 55-jarige vrouwtje waar hij bij in de kost is. Okke is boerenarbeider geweest. Okke is een zoon van Geert Okkes Kluin, geboren in 1791 en Grietje Klaassens. Grietje is omstreeks 1792 geboren, is dagloonster geweest en overlijdt op 17 september 1847 in Uithuizen (5).

 

Deze moord wekt veel sensatie in de Ommelanden. Met afgrijzen en weerzin wordt er over gesproken. Jaren geleden spreekt de rustende landbouwer Harm Boukema uit Uithuizen erover. Lange tijd heeft hij op de boerderij het Kokshuis gewoond, aan het Koksmaar bij Stitswerd. Boukema, 12 decembeer 1830 te Uithuizen geboren, is nog maar een jongetje van ruim 6 jaar, als de moord plaats vindt. Hij woont dan op de boerderij van mevrouw weduwe Tj. Schillhorn van Veen, niet ver van 't oude bruggetje. Hij kan zich alles nog heel goed herinneren en vertelt erover.

 

Het huisje van Marijke Arends Bisschop-Teisman bij de Doodstille waar Okke Kluun haar om het leven heeft gebracht. Foto: eigen verzameling.

„'t Was Oethoester baistemaarkt. 's Mörgens veur schoultied gong ik mit ons vei noar 't loug. Wie dreven kouien eerst noar Ol Til en dou verder Brouwerijweg laans noar Oethoezen. Vrouger was Ol Til dr nait, dou was dr allain moar 'n pomp. Bie Ol Til woonden dou ien 't hoeske aan oostkaant van weg Drewes en Graitje. Bie disse lu gong Okke Kluun ien kost, was bie heur over deel. Dou wie dr 's mörgens mit ons kouien laans gongen, het Graitje ons nog 'n beetje hulpen. Okke Kluun wol ook noar 't maarkt tou, moar.... haar gain buusgeld. Hai vroug Graitje om geld,  -  Drewes was aal vöt. Graitje wol hom gain geld doun. Ze wist 't wel  - Okke was 'n zwierbol. Gong dr voak vandeur. Ans ze hom geld gaf, zol e ook wel weer deurspringen. 't Ol was net aan 't koffieboonen draaien, schudde 't meulentje aal hen en weer en zee: „Nee, Okke, krigs van mie gain geld!" Moar Okke mös en wol geld hammen. Hai greep heur bie 't hoar, sleepte Graitje ien 't achterhoes, sloug heur mit biel.... dood .... Dou gong Okke bie 't kamnet of kaast, wat 't was, wait 'k nait, en kreeg geld. Hai wis wel, woar 't zat. Mit flink buusgeld noar 't maarkt. Lu, dei hom wel konnen, zagen aal hail gauw, dat e grof verteerde en nog aal wat geld verspeulde bie jeuden mit sedoedelkaan. Dit is  -  zol 't reken  -  een groode trachter en doar gooiden ze dobbelstainen ien en den onner negen of boven twaalm....
Dou 't bekend wer, wat dr mit Graitje bie 0l Til gebeurd was, dochten ze opslag: „Dat het Okke Kluun doan en gain aander". Hai wer den ook vot oppakt"
(2).

 

Meer weet Boukema zich niet te herinneren. Andere oudjes hebben wel verteld, dat Okke Kluin op een boerenwagen, tussen twee veldwachters in, naar de stad is gebracht. Hij heeft een blauwe kiel aan. In de dorpen, waar men door rijdt, staat het zwart van mensen.
Onder het rijden door de dorpen zingt de ongelukkige dader het eerste vers van Psalm 6. Hij zingt de Psalm op ‘laidswieze’ d.w.z. de melodie is die van een wereldlijk lied:

 

O Heer! Gij zijt weldadig!
Straf mij niet ongenadig
In Uwen toornegloed.
Ai! matig Uw kastijden,
Sla mij met medeleden,
Gelijk een Vader doet.


De Doodstille (Ol Til) zoals die er tegenwoordige uit ziet. Het huisje staat er al lang niet meer. Foto: Wikipedia.

 

 

Okke Kluin wordt ter dood veroordeeld. Ofschoon in die tijden een doodvonnis gewoonlijk veranderd wordt in langdurige tuchthuisstraf, is dit bij Okke Kluin niet het geval. De koning maakt, als er enigszins aanleiding voor bestaat, in die tijd steeds gebruik van de hem verleende macht en verleent gratie. Kluin's verzoek om gratie wordt echter niet ingewilligd. Op donderdag 12 april 1838 wordt het doodvonnis 's morgens om elf uur op de Grote Markt voltrokken.

 

 

 

 

Een sombere stemming heerst er die morgen in de stad. De gordijnen van de huizen aan de markt zijn allemaal neergelaten. Een grote menigte stroomt naar het marktplein, om getuige te zijn van de terechtstelling. De een is gekomen om getuige te zijn van een doodsvonnis, de ander staat te kwijlen van genoegen. De ongelukkige veroordeelde is gehuld in een lang wit flanellen hemd met kap. Dit galgenkleed (doodskleed zonder zakken, want een veroordeelde heeft niets meer aan bezittingen) wordt in het Groninger Museum bewaard (5).

 

Het is veertien jaar geleden, dat een doodvonnis in de stad is voltrokken als de Groninger Courant van vrijdag 13 april verslag doet van het gebeurde in Doodstil. De krant schrijft:

 

Nadat de Ingezetenen dezer stad jaren lang verschoond waren geweest van de vreesselijkheid, dat een doodstraf binnen hunne wallen aan een medemensch moest voltrokken worden, werd heden weder een jongeling van vijf en twintig jaren, aan diefstal en moord schuldig, hier op het schavot aan het leven gestraft. Bij alle beschaafde burgers was het medelijden groot en reeds lang vroeg men elkander, hoe die jongeling tot zulk een misdaad had kunnen komen, en hoe hij, na haar bedreven te hebben, in zulk een verhard en woest gemoedsbestaan konde blijven, gelijk men vernam, dat hem bij voortduring eigen bleef. Het antwoord valt beschamend uit voor de verlichting en beschaving onzer dagen, waarop velen zoo hoog roemen. Hij, een inwoner van een onzer bloeijendste en grootste dorpen, was zonder eenig onderwijs opgegroeid, als een wilde van Afrika's binnenlanden, konde lezen noch schrijven, bezocht nooit school, katechizatie of kerk, en werd zoo een speelbal zijner onbeteugelde driften, die hem nu laatstelijk als een onzinnige de dubbele misdaad deden bedrijven, welke zijn leven kostte. Opmerkelijk is het, dat, toen voor omtrent veertien jaren de laatste doodstraf hier werd voltrokken, omtrent den ongelukkige, aan wien zulks toen geschiedde, dezelfde opmerking werd gemaakt en ook in de Courant uitgesproken, n.l. dat hij als een wilde was opgegroeid, lezen noch schrijven konde, van onsterfelijkheid en volgend leven, van God en Zijn geboden geen denkbeeld of gevoel bezat. Zoo wordt dan ook hier bevestigd, 't geen de ondervinding van alle landen bewijst, dat verwaarloosde opvoeding bij de meeste misdadigers de reden was van hunne boosheid en misdaden: - doch hieraan twijfelt niemand. Maar ook wordt hierdoor bevestigd, dat er aan onze Nederlandsche en Groningsche volksopvoeding nog veel ontbreekt, en wij ons niet door den lof van Buitenlanders moeten laten verblinden, alsof het hier alles goed ware: -  en dit doen velen. Moge er na veertien jaar niet weder zulk een ijsselijke aanleiding zijn, om deze bedroevende opmerkingen te herhalen’ (5).

 

Artikel uit de Groninger Courant van vrijdag 13 april 1838 over de dag waarop Okke Geerts Kluun moest hangen.

 

De naam van de ongelukkige Kluun leeft nog voort in ons dialect. Wanneer iemand aan een straf of enig gevaar is ontkomen, wordt nog heel vaak schertsend opgemerkt: „Doar bis beter oafkomen ans Okke Kluun ienertied, want dei mos hangen".

 

In de tijd, dat deze straf ten uitvoer wordt gebracht, worden van verschillende zijden pogingen aangewend een algehele verandering in ons strafrecht tot stand te brengen. Velen zijn er, die de lijfstraffen wensen af te schaffen. Tien jaar na de laatste terechtstelling te Groningen wordt dan ook door de regering een wetsontwerp tot afschaffing van de geselstraffen en het brandmerken ingediend. De Tweede Kamer neemt het ontwerp aan, de Eerste Kamer verwerpt het. Eerst In 1854  wordt een nieuw ontwerp tot veranderingen in het straffen van misdadigers aangenomen. De doodstraf wordt wel is waar nog niet afgeschaft, maar toch in haar toepassing beperkt, terwijl de geselstraf, de tepronkstelling en het brandmerken worden afgeschaft.

 

Het doodskleed van Okke Kluun wordt bewaard in het Groninger Museum.

Het laatste vonnis in lijfstraffelijke zaken wordt te Groningen gewezen. Het Provinciaal Gerechtshof veroordeelt op 29 Juni 1854 een inwoner van Nieuwe Pekela tot de straf van het zwaaien met het zwaard over het hoofd, op een schavot, uit te voeren met alle toebereidselen, die bij de onthoofding worden in acht genomen. Het Staatsblad van dezelfde datum, 29 Juni 1854, bevat echter de Wet tot afschaffing der lijfstraffen, zodat het zwaaien met het zwaard niet wordt toegepast. Het laatste doodvonnis in Nederland wordt eveneens door het Provinciaal Gerechtshof te Groningen gewezen. Tegen een ‘jongmensch’ van 16 jaar, beschuldigd van brandstichting te Stadskanaal, wordt op 14 september 1870 de doodstraf geëist. Een week later (21 september) heeft de uitspraak van dat vonnis overeenkomstig de eis plaats, maar het Staatsblad heeft de Wet van 17 Sept. 1870 tot afschaffing der doodstraf reeds afgekondigd. Door die wet verdwijnt de doodstraf uit ons strafstelsel. Is Okke Geerts Kluin te Groningen het laatste slachtoffer van 't schavot, de laatste gehangene in Nederland is Ype Baukes de Graaf van Harlingen, die wegens moord te Leeuwarden wordt terechtgesteld in 1860. Ook daar vele nieuwsgierigen: het Zaailand te Leeuwarden is te klein, om alle kijklustigen een ‘goede standplaats’ te bieden.

 

Op YouTube staat een filmpje met een gedicht over Okke Geert Kluun van Christiaan Drenth (19 okt. 2012), op muziek gezet door Jacob de Haan. Erwin de Vries draagt voor en wordt begeleid door de Koninklijke Militaire Kapel Johan Willem Friso onder leiding van Erik van de Klok. Klik hier voor het filmpje.

 

 

Noten, bronnen en referenties:

1. Wikipedia.

2. De website van Doodstil (www.doodstil.net).

3. Dideldom (www.dideldom.com).

4. Geocaching (www.geocaching.com).

5. RHC GA. Groninger Archieven.

6. Groninger Courant, 13 april 1838.

 

 


Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 3 sept. 2017.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top