Foto: Trijntje Boven-Meijering met haar oudste zoon Jan en hun herdershond in Woldendorp. Oorspronkelijke bron: Fam. Boven.

Foto: Trijntje Boven-Meijering met haar oudste zoon Jan en hun herdershond in Woldendorp. Oorspronkelijke bron: Fam. Boven.

 

'Het wachten op de bevrijding schijnt een eeuwigheid te duren'

 

Van 17 april tot en met 4 mei 1945 is zij op de vlucht: Trijntje Boven-Meijerhof (1921-1995), haar man, Engel Boven (1916-2003) haar ouders, haar zoontje, haar zussen, haar broer en haar buren. Haar huis staat op de Zomerdijk tussen Wagenborgen en Woldendorp. Midden in de vuurlinie, op het laatst van de oorlog. Met tientallen andere vluchtelingen, waaronder inwoners van Nieuwolders moet zij rennen voor haar leven. Zestien dagen zijn ze op de vlucht. Te trekken door het open veld, schuilen in sloten en slapen onder de blote hemel. Trijntje Boven houdt op haar vlucht een dagboek bij. Trijntje is 24 jaar oud als ze dit dagboek schrijft.

 

Dinsdag 17 april
Tegen de middag komen de Duitse soldaten in zwermen opzetten. Overal soldaten. Ze gaan zonder meer de huizen binnen of graven iedere honderd meter een gat in de grond en kruipen daar in. Om drie uur beginnen de Canadezen in onze richting te vuren. De Duitsers sturen ons het veld in waar wij dekking zoeken in een sloot. Om half acht zeggen zij tegen ons dat wij de volgende morgen weg moeten. We overleggen waar we het beste heen kunnen gaan. Naar Nieuwolda mogen we niet. Daar zijn reeds Canadezen en de Duitsers zijn veel te bang dat we dan verraden hoe zij zich niet ingenesteld hebben. We besluiten het veld in te gaan.

 

Woensdag 18 april

Zeer vroeg beginnen we onze bedden, kleren en voedsel op een wagen te laden. We hebben eieren gekookt en gisteren hebben we stiekem nog een kalf geslacht en dat vlees gaat gebraden ook op de wagen. Dan vliegt plotseling met een hevige knal de brug waar we nog over moeten in de lucht. Tot overmaat van ramp komen de Duitsers op ons af en sturen ons meteen weg. Bepakt en bezakt, het beddengoed op de schouders, onze voeten meteen kletsnat van de morgendauw, zo begint onze vlucht. Eindelijk vinden we een sloot met flinke hoge wallen waar haast geen water in staat. We zijn dicht bij de boerderijen van Dallinga en Bosscher. Drie van ons gaan naar één van de boerderijen en vragen om zakken, schoppen en drinkwater.


Twee beginnen dan met in de sloot te graven en één gaat terug om stropakken te halen. Dan komt de zon door en trekken we allemaal onze kousen en schoenen uit en laten die in de zon drogen. De sloot is nu bewoonbaar. We houden de kleinen bezig door klei uit de wal te steken, daar kunnen ze dan poppetjes van maken.

Later in de middag suizen de projectielen vlak over ons heen. Ze slaan zo dicht bij ons in de grond, dat stukken modder in de sloot vliegen. We weten haast niet waar we ons zullen bergen. De koe rukt zich van angst los en loopt weg, wat ons heel erg spijt. We zijn nu haar melk ook kwijt.

 

Tegen vijf uur horen we dat we bij Veentjer in de veestallen kunnen slapen. Gelukkig, nu hoeven we vannacht tenminste niet onder de blote hemel door te brengen. We hebben wel een beetje rust verdiend.

 

Donderdag 19 april
Het is deze dag tamelijk rustig. Wij vrouwen zorgen dat er iets eetbaars komt. De mannen maken dichtbij huis een schuilkelder in de sloot.

 

Vrijdag 20 april
De dag verloopt nogal kalm. We besluiten voor vannacht een wacht in te delen. Iedere twee uur gaan er twee anderen wacht houden. Dan gaan de anderen slapen. De ene tijd horen we de Canadezen bulderen en dan weer barst het Duits geschut van Fiemel los. Het kan soms flink spoken.

 

Zaterdag 21 april
Alweer een dag en nog zijn nergens onze Canadese bevrijders te zien. We gaan een partij bonen doppen. Dat is beter dan niets doen. Onderwijl wordt er gezongen en de grote jongens vertellen elkaar moppen.

 

Zondag 22 april
De dagen verglijden in dezelfde spanning. Het schijnt wel een eeuwigheid te duren, dit wachten op de bevrijding. Je leven is geen ogenblik veilig in zo'n moordkuil die oorlog heet.

 

Maandag 23 april
Er komt nog steeds geen verandering. We beginnen de dagen aan te tellen en bij te blijven welke dag het is. Er is één jongen onder ons die 's nachts hardop droomt over Jappen met messen.

 

Dinsdag 24 april
Het is een bange nacht. De Duitsers trekken zich terug en jagen onder bedreiging van revolvers nog meer mensen uit hun huizen. Natuurlijk kunnen die mensen ook bij ons komen. We leven in angst en vrees hoelang het nog zal duren voordat de Duitsers ons ontdekken. En ja hoor, daar zul je ze hebben, de moffen. We zijn ontdekt. We moeten meteen oppakken en weg naar Borgsweer. We zijn nu met 38 mensen, bijna zonder eten of drinken en verdelen ons over twee sloten.

 

Dan komt de nacht. Gelukkig hebben we wat beddengoed waar we onder kunnen kruipen. En zo liggen we dan vlak naast elkaar, groot en klein. Velen met hongerige magen, maar er zijn er ook die genoeg hebben van angst en vertwijfeling; we wachten op de bevrijding of de dood!

 

Woensdag 25 april
Een Duitse soldaat ziet ons. We vragen hem om eten. Hij zegt dat er maar iemand met hem mee moet gaan om koeien te melken. We drinken van de heerlijke warme melk. Daar kikkeren we een beetje van op. De honger dwingt ons op weg te gaan. We komen dan nogmaals in de vuurlinie, maar er is geen andere uitweg.


Dan begint de uittocht. We moeten eerst door een weiland en dan over een laan. De eersten hebben de laan nog niet bereikt als er plotseling met een mitrailleur op ons wordt geschoten. De kogels suizen tussen ons door. We laten ons vallen en kruipen door het gras en aan de kant van een sloot weer terug in een huis. Geheel ontdaan zitten we daar nu zo laag mogelijk bij de grond. Daar komen de Duitsers weer. Ze willen ons wegjagen. Als we door het weiland zijn getrokken wordt er weer op ons geschoten. Het is een hele mars naar Borgsweer.

We hebben een paar fietsen bij ons en daar worden de oude mensen op gezet. Eindelijk zijn we bij boerderij van Alfing waar we hartelijk worden ontvangen. De mannen maken van stropakken weer slaapgelegenheden. Er wordt weer een wacht ingesteld en dan krijgen we zelfs nog muziek. Een Duitse soldaat die hier is gehuisvest heeft een mondharmonica en geeft wat nummertjes weg.

 

Donderdag 26 april
Vandaag is het mijn verjaardag, 24 jaar ben ik nu. Het is een verjaardag die ik waarschijnlijk mijn hele leven niet zal vergeten. Mensen die in het gewone leven vreemden voor me zijn, feliciteren me. Nu de intense spanning wat geweken is, voel ik me ziek. Het wordt me alles een beetje te veel. Ik zoek een slaapstee en laat dan verder alles maar op zijn beloop. Het lot kunnen we niet keren.

 

Vrijdag 27 april
Het is vannacht tegen de morgen weer zeer onrustig geweest. Er wordt over en weer geschoten, maar nu is het even kalm. Tegen de avond komt de terugslag. Er komen 60 Duitsers aan die zich zonder iets te vragen overal in de huizen verschansen. We voelen ons niet meer veilig en besluiten om maar weer het open veld op te zoeken. Met man en macht worden weer een paar sloten gereed gemaakt om te schuilen. Voor de zoveelste maal zitten we met 38 mensen in een sloot. We maken boven ons hoofd een dak van planken en strobalen.

 

Zaterdag 28 april
Het is net of er verandering op komst is. Er wordt ons verteld dat reeds in de straten van Delfzijl wordt gevochten. De dag verloopt met tussenpozen van gebulder van de kanonnen. In Woldendorp zijn verscheidene branden. De dag gaat over in de nacht en nog zitten we hier als kluizenaars.

 

Zondag 29 april
Wat een nacht hebben we achter de rug. We zijn uitgeput van angst en spanning. Er is haast niemand die een oog heeft dichtgedaan. Er is zonder rustpauzen de hele nacht geschoten van beide kanten. Zo dicht vallen er schoten bij ons dat we in de sloot zitten te schudden. Dan is het net een lichte aardbeving. Plotseling wordt er geroepen aan de ingang van onze schuilkelders: “De Canadezen zijn er”. De opluchting en blijdschap zijn onbeschrijflijk. We hebben permissie om op te breken, maar ons is aangeraden om een witte vlag omhoog mee te dragen. O mensen, de heerlijkheid, de zaligheid om vrij te zijn, naar huis te mogen. Maar thuis wacht ons een verschrikking. Wat een beestenboel. Al onze weckflessen waar we vlees in hebben van het varken zijn leeg. Van de 100 eieren is er niet één meer over. Al onze kippen zijn geslacht en opgegeten. We zijn nog maar nauwelijks bezig met opruimen of vader komt terug met een naar bericht. We zitten in de frontlinie en moeten verder trekken naar Midwolda waar het volkomen veilig is. Nu heerst er grote neerslachtigheid onder ons; nu nog weer weg te moeten. Er zit niets anders op, het moet. De vrouwen en kinderen gaan op de wagen, de anderen lopen door het veld naar Nieuwolda. Vanuit Nieuwolda gaan we naar Midwolda en onderweg sluiten meer mensen zich bij ons aan. Als we dicht bij Midwolda zijn, komt iemand een met paarden bespannen wagen ons tegemoet om de vermoeiden op te laden.

 

Met emmers warme koffie en brood worden wij onthaald. Het wordt ons warm om het hart van zoveel medeleven. Eindelijk belanden we bij de familie Tinga van boerderij Boszicht. Wij, onze zoon, mijn ouders, mijn broer en twee zusjes. We treffen het goed, we kunnen ons heerlijk wassen. Slapen in een echt bed en echte dekens. We durven onze vuil geworden kleren weer uitdoen na ze veertien dagen achtereen aan het lichaam te hebben gehad. Wat een weelde.

 

Maandag 30 april
We hebben te veel in spanning gezeten om direct goed te kunnen slapen. Tegen de avond komt er weer een grote groep mensen aan uit Termunten en omgeving. Ze zijn door en door nat en verkleumd. Ze vertellen ons dat ze de laatste nachten als in een hel hebben geleefd. Ze zijn door Woldendorp getrokken en hebben niet één huis gezien dat nog helemaal goed is. Dode Duitse soldaten staan nog rechtop tegen de muren. In de schuur worden nu strolegers gemaakt voor ongeveer 60 mensen.

 

Dinsdag 1 mei
We verlangen naar huis. Nieuwolda is vrijgegeven.

 

Woensdag 2 mei
Mijn man is het wachten beu en wil naar huis maar hij vindt het veiliger als wij nog één dag wachten. Mijn man gaat op verkenning uit. Het is avond en hij is nog steeds niet terug.

 

Donderdag 3 mei
Nog steeds zijn we in Midwolda. Mijn man is niet teruggekomen. Woldendorp mag weer bewoond worden maar alleen op eigen risico. Het wemelt er van ‘buitbelustige’ Canadezen en burgermensen.

 

Vrijdag 4 mei
Het regent, er vertrekken steeds meer mensen. In de middag als het opklaart wordt ons verlangen naar huis te groot. Het kan nu niet snel genoeg gaan.

 

Zaterdag 5 mei: Duitsland capituleert!

 

 

Trijntje Boven-Meijerhof is vrijdag 3 maart 1995 op 73-jarige leeftijd overleden.

 

Noten, bronnen en referenties:

- Ingezonden door Riekus van der Wal.

- Oorspronkelijk geschreven door Cees Stolk, Groninger Dagblad, 1995.
- Geredigeerd voor NZD door Harm Hillinga

 

 

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl. Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen......... geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres (zie rode balk boven). Wij hebben ons uiterste best gedaan om de auteurs van teksten/citaten en copyrightbepalingen van afbeeldingen te achterhalen. Mocht je rechthebbende zijn en hierover vragen of opmerkingen hebben, neem dan contact op via e-mail. Lees ook de 'Disclaimer' en 'Privacy' voor méér informatie en laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek, dan weet ik waarvoor ik het doe.

Hoogeveen, 24 april 2021.
Update: 25 april 2021.
Update: 28 april 2021.
Revisie: 16 juli 2024.
Samenstelling: © Harm Hillinga.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top