De heer Rudolf de De Mepsche van Faan weet vanaf zijn vroegste kinderjaren zijn wrede aard en aanleg voor de buitenwereld te verbergen. Als hij nog als kind met kinderen speelt, lijkt het er zelfs op of hij een teergevoelige ziel bezit. De tranen springen hem zeer gemakkelijk in de ogen, en wanneer zijn vriendjes zich wreed vermaken met een kikker, meikever, vlinder of vogel kijkt hij wel toe, maar hij steekt nooit een hand uit om hen te helpen. Nooit zal hij zelf in een boom klimmen om vogelnesten uit te halen. Liever blijft hij beneden aan de stam staan, en als zijn brutale kameraad met de muts in de mond, waarin de gespikkelde eitjes liggen, naar beneden klautert, vraagt hij niets van de buit. Hij kijkt onbewogen toe, hoe in de schaal aan de spitse en de stompe kant een klein gaatje wordt geprikt, en hoe het donkergeel en slijmerig wit kwakje onverschillig op de grond wordt geblazen, waar het als een stervend jong leven nog even op het mos natrilt.

 

Hij is geen vriend en geen vijand van dieren. Andere jongens hebben nog wel eens een jonge kraai die op hun schouders zit, alsof zijn eigenaar de liefste knul ter wereld is, of ze hebben een jong hondje, dat wild voor zijn jeugdige baasje uit springt. Bij De De Mepsche van Faan is nooit een wezen te bekennen dat hij liefheeft. Zij ogen zijn donker en zonder licht, die diep in zijn bleke gezicht liggen; zijn lippen zijn bloedeloos. Lacht De De Mepsche van Faan wel ooit? Deze vreemde jongen, die voor niets en niemand bang is, zit het liefst in zijn eentje. Als hij ouder wordt, ziet men hem weinig met jonge edellieden, en men zegt van hem dat hij mensenschuw is. ‘Zal hij ooit wel aan de vrouw komen?’ spot men. ‘Wat een vraag! Hij en van een vrouw houden? Bestaat niet!’ Het lijkt of hij de meisjes voorbijloopt. Ze lachen wel eens aarzelend tegen hem, omdat hij eenmaal een De De Mepsche van Faan is, en omdat ze het vreemd vinden dat hij hen negeert. Welke aantrekkelijke jonge vrouw kan dit verdragen?


Een keer is er een meisje geweest dat zijn belangstelling heeft gewekt. Ze heeft hebzucht in hem opgeroepen, zoals een kind ernaar verlangt een nieuw stuk speelgoed in zijn bezit te krijgen, maar hij is haar voorbijgegaan.

In de loop der jaren zijn de wallen onder zijn ogen dieper geworden en zijn lippen zijn nog bleker dan in zijn knapentijd. Toch, ondanks het feit dat hij zijn spieren weinig heeft geoefend in het spel of tijdens de jacht, heeft hij de schouders en armen gekregen van zijn sterke voorgeslacht. Men heeft de indruk dat hij zware gewichten kan heffen, hard metaal kan breken en snel wild kan volgen, als hij dat zal willen. Maar hij wil het niet.


Er bestaan mensen die geen vreugde kennen en geen verdriet. De heer van Faan is zo iemand. Tot hij ontdekt dat er iets in het leven is dat hem kan wekken uit zijn onverschilligheid.

 

 

Boerenkermis.

 

Op een keer, als er boerenkermis in het dorp is, ziet hij hoe een paar jongens een gans knuppelden. De stokken slaan op het weke, gevoelige vlees, en het dier krijst hartverscheurend. De De Mepsche staat erbij en staart ernaar, als in een droom verzonken. Zijn handen trillen en de wallen onder zijn ogen worden donker van kleur.

 

‘Is dat prettig?’ vraagt hij met een toonloze stem. De jongens kijken verwonderd op van hun wrede bezigheid en ze kijken hem aan. ‘Wil de heer het misschien zelf eens proberen?’zegt een van de ruwe kornuiten. ‘Gaat u gerust uw gang, heer...’ ‘Ik zie liever dat jullie het doen. Ga maar door. Zal hij nog lang leven? ‘Niet lang meer,’ antwoordt een boerenjongen met een kennersblik. ‘Hij nadert zijn einde.’ ‘Mooi rood is het bloed op de veren. Kijk zijn ogen eens. Het leven is mooi.’

De gans wordt gemarteld.

 

‘Voor de gans niet.’ Nu lachen ze allemaal. ‘Knuppel de gans niet verder,’ beval de heer. ‘Als je hem slaat, zal hij 't bewustzijn verliezen. Laat hem voelen dat hij pijn heeft, laat hem voelen dat hij leeft!’ De De Mepsche van Faan sluit hierbij zijn ogen. ‘Raak hem niet aan. Kijk hem kruipen. Ja, dit doet me goed.’ ‘Heeft mijnheer nooit 't vogelschieten en 't palingtrekken gezien?’ ‘Ik zal er naar komen kijken - waarschuw me maar, als 't zover is!’ ‘En wil mijnheer echt niet zelf knuppelen?’ ‘Nee,’ zegt De De Mepsche vastbesloten, ‘ik heb liever dat anderen het doen, jongens!’

 

Hij wacht de dood van de gans niet af. Langzaam en in gedachten verzonken verlaat hij de kermis. ‘Mepsche van Faan,’ fluistert een stem in zijn bloed, ‘dat is mooi - dat zie je niet elke dag. Vandaag heb je het leven recht in de ogen gezien.’

 

Niet lang daarna rijdt hij er weer eens alleen op uit, en tijdens zijn eenzame tocht verdwaalt hij. Als hij een tijdje rondgezworven heeft, springt hij van zijn paard, en hij bindt het dier aan een boom. Als houdt hij zijn hand achter zijn oorschelp, om scherper te kunnen horen of er niet ergens een geluid weerklonk, een klokje in de verte, het blaffen van een hond, of menselijke stemmen.

 

Hij is geheel geconcentreerd op het luisteren (zijn ogen kijken niet, zijn neus rook niet, hij geeft al zijn aandenkt aan de klanken). Plotseling drong er een geluid, dat hij tevoren niet heeft gehoord, in zijn bewustzijn. Er ritselt iets in het dichte struikgewas, alsof er iets over de grond schuurt. Zijn instinct zegt hem dat het een gewond dier moest zijn. Hij vergat alles, en haastig, als een jonge minnaar die op zijn geliefde toesnelt, liep hij rechtstreeks de bosjes in, zonder te letten op de takken die hem in het gezicht zwiepen.

In een kleine kuil in de bodem ligt een stervend hert, dat uit zijn keel bloedt. Het ligt uitgestrekt als een geslacht rund, de poten dicht bij elkaar, de nek naar achteren gebogen. De punten van het veeltakkige gewei raken bijna de rug. De De Mepsche staart ernaar, onder de indruk van de schoonheid van het beeld. Hij ziet hoe het rode bloed over het mos vloeit, en hij grijpt met zijn handen naar zijn keel, zo ontroerd is hij. ‘Zal hij lijden... zo vlak voor zijn dood?’ peinst hij. Zijn ogen schitteren koortsig en hij voelt op zijn voorhoofd klam zweet. Plotseling komt hij weer tot zichzelf. Langzaam zinken zijn armen terug, en hij komt net zo onverwacht tot bezinning, als hij in trance is gekomen. Zijn ogen zijn leeg. ‘Rudolf de De De Mepsche van Faan,’ zegt de stem van zijn geest tot zijn kwijnende ziel, ‘is dit je ware zelf of is dit een ander? Waarom verlustig je je in dit leed? Mepsche! Zal je soms willen dat dit dier... een mens is?! Wil je zo weerloos uitgestrekt een mens zien liggen?’

 

Hij gaat naar de rand van het bos, en leunde tegen de greppelwal, die het struikgewas van de weg scheidt. Als stromen hem de tranen over de wangen. Op dat ogenblik voorvoelt hij zijn noodlot en hij wordt bang van zijn eigen wezen. Hij doolt de hele avond rond, tot hij laat op de avond zijn troosteloos slot Bya bereikt. In de zaal banjert hij die nacht vele malen heen en weer, en hij drukt zijn nagels in de palm van zijn hand. Als er nu eens een klein dier in deze holte lag - zo denkt hij dan - zal ik het dan niet willen dooddrukken? Hij staat stil... klinkt er in de hoek niet een zacht gerochel... en waar het maanlicht over de vloer strijkt, ligt daar geen bloed? ‘Ik moet mensen zien lijden,’ denkt hij, ‘dat is het enige dat me redden kan.’

 

Hij wordt tot rechter benoemd. Een slechte rechter dan hem heeft men in Oosterdeel-Langewold niet kunnen treffen. Wee de streek waarover hij regeerde! Als hij zijn macht verwierf, kan hij vele nachten van geluk niet slapen. Voor het eerst in zijn leven heeft hij geglimlacht en de wallen onder zijn ogen zijn minder diep. Hij heeft zijn medewerkers die voor hem de boeven moesten vangen, Jan Engelberts en Pieter Nannes, bijna vrolijk ontvangen. Ze staan voor hem en wachtten op zijn bevelen. Hij houdt zijn hoofd gebogen, terwijl hij spreekt. ‘Er is misdaad genoeg in Zuidhorn en Oldekerk, en die moeten we bestrijden. Ik verlang van jullie, dat je misdaad vindt - en hij die schuldig is, zullen we met de dood bestraffen.’ Hij wrijft zich in de handen. ‘Maar het kan zijn, dat ze niet willen bekennen. Dan zullen we ze pijnigen, net zolang tot ze hun schuld belijden.’

 

Jan Engelberts en Pieter Nannes kijken hem verwonderd aan. Hoe kan de heer het zeggen, dat er in Oosterdeel-Langewold zoveel verborgen misdaad is? Ze kennen de streek door en door.

 

‘Wat bedoelt mijnheer?’ vraagt Pieter Nannes. De jonge rechter rilt. Hij staat op, en betast hun sterke schouders en armen. ‘'t Is goed,’ is al wat hij zegt, ‘ze zullen ervan lusten.’ Hij loopt in de kamer heen en weer, zonder hen nog een blik waardig te keuren. De helpers merken dat zijn vingers trilden. Ze weten niet of ze moeten blijven of vertrekken.
Eindelijk staat hij stil, en staart naar de twee dienaren alsof hij ze nu pas opmerkt. ‘Ga maar weg,’ zegt hij moe. Zodra hij alleen is, legt hij de handen voor het gezicht, om in volkomen duisternis te kunnen nadenken. Hij heeft het gevoel of hij in een kamer met gesloten blinden zit. Zijn angst voor zichzelf is over, ja, hij verheugt zich over de mooie toekomst die is aangebroken! ‘Met wie moet ik beginnen en welke misdaad moet ik uitzoeken?’

 

De wrede rechter begrijpt dat hij niet zonder onderzoek kan pijnigen en doden. De mensen zijn geen willoze dieren, die men kan striemen en snijden en kerven zoveel men wil. Er zijn wetten, vervloekt!

 

Hij laat zich het olielampje brengen en bij het walmend licht leest hij de dikke boeken van het Ommelander landrecht, artikel na artikel, en eindelijk, bij de studie van het zevende boek glimlacht hij. ‘Ze zullen me dus in Groningen niet tegen kunnen houden,’ denkt hij blijmoedig, ‘wanneer ik deze vreselijke misdaad uitvoer. Alleen wanneer ik doden wil, heb ik mederechters nodig. Poeh! Ze weten niet waarom ik het doe. Ze zullen menen dat ik rechtvaardig ben. Ze weten niet dat ik bloed wil zien vloeien. Alle mensen zijn mijn vijanden... ik zal genieten als ik ze zie lijden.’

 

Als kruipt het bitter berouw, al vóór de zonde is gedaan, hem van het hart naar de keel, en legt daar een band zwaar en vastsluitend als aan een ketting. Zó zeker is het dat hij voor de zonde zal kiezen. De zonde is een bloedhond, die zijn spoor ruikt. Hij kan er niet voor vluchten.
‘Als de nacht komt,’ peinst hij, ‘zal ik alleen zijn. Ik wil de schimmen om mij heen zien, van de mensen die door mijn hand zullen sterven.’

 

Het duister daalt eerder in de zaal dan daarbuiten. Het olielampje walmt, en walmt uit. Als zet de nacht zich vast in de verste uithoek van de zoldering, als een spin die een web bevestigt, en de donkere draden worden geweven. De man in zijn eenzame zaal wordt er door omgeven voor hij het weet, en met de nacht keert langzaam de absolute stilte in hem terug. ‘Laat me nadenken,’ smeekt hij zijn geest. Vele malen moes hij met zijn fijne vingers zijn voorhoofd beroeren, voor hij zijn krioelende gedachten kan ordenen. Hij probeert in deze stilte schrikwekkende gedaanten op te roepen, het lukt hem zijn schimmen te lokken die hij in een duistere rij voor zijn geestesoog ziet verschijnen.

 

Er wordt aan zijn deur geklopt... hij hoort het niet. Hij wrijft zich in zijn handen van hevig geluk. Nog een keer wordt er geklopt - dan komt de oude dienstbode binnen. Ze blijft staan tot vlak voor de drempel en probeert in het donker te zien. ‘Kan ik nog iets voor mijnheer doen?’

 

De edelman voelt dat de gedaanten hem ontglippen, en zijn woede is zo groot, dat hij een zware kandelaar opneemt, en deze in haar richting gooit. Hij raakt haar net niet. ‘Wat doet mijnheer nou?’ vraagt ze verschrikt en nederig. ‘Ik wou dat ik je geraakt had,’ schreeuwt hij woest. ‘Ik wou dat ik je een oog had uitgegooid.’ Zij vlucht en hij begint in zichzelf te spreken. ‘Er gaan kwade dingen in je om!’ mompelt hij. ‘Maar het moet zo zijn. Ik ben niet bang voor de eenzaamheid.’ De nacht gaat voorbij, met al zijn figuren. In de morgen zit hij nog op dezelfde plek en haastig staat hij op. Hij roept luid om zijn knecht. ‘Zadel mijn paard,’ beveelt hij. ‘Ik ga uit rijden.’

 

Hij geeft het dier de sporen, en hij voelt zich vrij en vrolijk. De wegen zijn van hem. Het bos is van hem. De wereld is van hem. Hij is meester van leven en dood. Terwijl zijn paard voortholt tot aan het slot Hanckema, ziet hij plotseling dat ook de jonge zuster van Zuidhorns burchtheer de brug over rijdt. De De Mepsche houdt zijn paard in en zwaait naar het jonge meisje. Zij verbaast zich over zijn uitgelatenheid, en groet hem stijfjes terug.

 

‘Verdoemd!’ zegt hij, ze weet zeker nog niet welk een macht ik heb. Hij nadert haar en spreekt haar aan. De twee paarden lopen naast elkaar voort. ‘Dit is voor mij een grote vreugde, jonkvrouw, dat ik u als eerste mag ontmoeten sinds ik benoemd ben tot rechter in het gebied Oosterdeel-Langewold. U mag mij gelukwensen.’ Ze kijkt hem aan, en peilt hem tot in de diepheid van zijn ogen, en op hetzelfde ogenblik is het vonnis door de rechter geveld.

 

‘Is u op weg naar mijn broer om hem het nieuws te vertellen?’ ‘Mag ik met u meerijden?’ ‘Ik rij liever alleen. Bovendien is uw tijd nu te kostbaar geworden.’ ‘De misdaad en de straf kunnen wel één dag wachten.’ ‘Niet in Oldekerk en Zuidhorn, heer rechter!’ zegt ze spottend. ‘Daar kunt u vast elke dag wel een schavuit vangen en laten hangen.’
Hij is beledigd door de spot in haar stem en zegt fel: ‘Reken maar dat ik ze opspoor en met ze afreken.’ Om hem te kalmeren, vraagt ze: ‘Heeft u uw mederechters al gekozen?’ ‘Ja,’ zegt hij, ‘Alting en Froon.’

'De jonge vrouw week ontzet terug voor Rudolphs kille, sombere ogen en wees hem zonder aarzeling af. Hij hield aan, in zijn stem klonk een duistere dreiging'

 

Nu kijkt ze hem verwonderd aan. ‘Alting en Froon? Maar heer... men spreekt niets dan kwaad van deze mensen!’ ‘Ik ben het niet gewend dat men mij tegenspreekt! Wilt u dat ik anderen benoem? 't Is toch om het even, jonkvrouw! Zijn het anderen... och het zullen dezelfden zijn.’ ‘Maar Alting en Froon! Wat is dan uw bedoeling? Daar moet u een bedoeling mee hebben!’ ‘Ik een bedoeling? Mijn bedoeling is een rechtvaardige rechter te zijn.’ ‘U - u - u!’ Ze stopt abrupt en buigt haar hoofd. Wat heeft ze voor recht hem haar minachting te tonen? Koeltjes praat ze verder. ‘U bent hier toch niet gekomen om met mij te rijden?’ ‘Nee,’ zegt hij, ‘ik ben hierheen gereden na een slapeloze nacht, om een eind te rijden en de warmte van mijn bloed te voelen. Maar toch kom ik hier om u te zien. Alleen weet ik dat niet.’ ‘U kunt zich de moeite besparen,’ antwoordt ze ijzig. ‘Ik kom u liever niet tegen.’

 

‘Dat is tenminste eerlijk gesproken tot de rechter van de streek,’ hoont hij, ‘en zo hoort het. Wonderlijk hoe vrouwen zijn. Trouwens, dat slot daar ligt mooi, het is mooier dan mijn paleis. U bent rijker dan ik.’ Hij speelt met zijn degen. ‘Weet je wel dat ik aan niemand verantwoording hoef af te leggen?’ Zij lacht. ‘Probeert u mij soms te bedreigen? Wat heb ik u misdaan? Wat wilt u van mij?’ ‘Vraagt u, als ik u met andere edelknapen samen zie, heb ik u gehaat, niet om u, maar om mijzelf, ik haat u omdat ik u niet durf te benaderen. Ik denk als... later woont ze in een groot en rijk slot, en ze zal zich mij herinneren als een dorpsjongen. Ik ben somber en alleen. Ik maakt zelf de muur tussen ons, en toch... ik wil u. Ik denk... ik zal tot macht komen, en wanneer ik eenmaal macht heb, zal ik hem gebruiken ook. Er zijn veel jaren overheen gegaan, en nu ik u zie, schieten mij die oude, dwaze gedachten weer te binnen. Nee jonkvrouw, het zijn geen loze bedreigingen die ik uit, het zijn feiten. Ik kan nu mijn eigen zin doen!’

 

‘Wat wilt u dan van mij?’ Ze herhaalt haar vraag en streelt het paard over de nek, uiterlijk volkomen kalm. ‘Ik wil dat u van mij houdt.’ Zij lacht geforceerd, en hij, hoe onaangedaan hij ook lijkt, ergert zich aan haar vrolijkheid. Hij buigt zich naar haar toe. ‘Denkt u soms dat ik op uw vrije wil reken? Ik weet wel dat er voor mij geen liefde is te verwachten. Ik heb de mannen bespied die met hun glimlach de glimlach wekken, en ik heb ingezien dat ik op die manier niets kan bereiken. Mij is een andere macht gegeven!’

 

‘En wilt u voor mij het zonlicht bederven door daarover te praten?,’ vraagt ze. Hij maakt een hoffelijke buiging. ‘Het onderwerp is voor mij en voor u belangrijk genoeg om het zonlicht, de vogeltjes en de bloemen, alles waarover de dichters lyrisch doen, te vergeten. Wat een geluk dat ik deze richting ben uitgereden. Want daaraan heb ik het te danken, dat u misschien binnen een paar dagen al mijn vrouw zult zijn.’

 

‘Ik weet dat er een ding is dat erger is dan sterven. Dat is om uw vrouw te zijn.’ ‘Het is uw dood niet die ik zoek,’ zegt hij somber. ‘U hoeft uw eigen dood niet te sterven. Als u mijn vrouw niet wilt worden, is het met uw broer gedaan.’ ‘Uw armen zijn te kort, Rudolf Mepsche. U kunt hem niet aan.’

 

‘Mijn armen reiken verder dan u denkt, dat verzeker ik u! Ik vraag u voor de laatste keer of u mijn voorstel aanneemt.’ ‘En dit is mijn antwoord: nooit, nee nóóit zal ik uw vrouw worden!’
Hij kijkt haar aan met een blik vol bedwongen haat, en wendt zijn paard. Hij groet niet. Zij liet nu haar schallende lach over het land galmen. Van alle kanten klinkt de echo, en zij lacht haar angst weg. Het is dwaas om bang voor de rechter te zijn, spreekt ze zichzelf moed in. Ze zal haar broer niet inlichten over het gebeurde, anders zal hij zich maar onnodig zorgen maken.

De volgende dag hoort ze dat de Lipsker gevangen genomen is. Het is het eerste signaal dat er een vreemde storm over het land gaat woeden. Een misdaad, waarvan men in de streek nog nooit heeft gehoord, wordt de Lipsker ten laste gelegd, en als getuige hebben ze de blinde Willem Jans opgeroepen. Wat maalt De De Mepsche erom dat zijn bewijzen zwak zijn? Zijn armen reiken ver.
Hij laat de arme Lipsker voorkomen. De twee andere rechters zitten naast hem. De beide medewerkers jagen de pechvogel voor zich uit. Hij valt op zijn knieën, zodra hij de tafel van de rechter is genaderd.

 

‘Kenade, edele, krootmoekende herren! lek heb niemmer wat van de daad keweten, edele, krootmoekende herren! Lat miek nar mien Heimat troekziehen, edel krootmoekende herren! lek bin zo onsjoeldig als een lammetje iem Hiemmel, krootmoeken-de herren!’
Hij kruipt onderdanig over de grond als een geslagen dier. Hierdoor krijgt De Mepsche zin om hem te trappen. ‘Lipsker,’ begint hij, ‘Het is mij om uw vel niet te doen, maar men heeft me verteld dat de heer van Hanckema nog schuldiger is. Als je dat toegeeft, ben je een vrij man.’ ‘Ak oen Weh! Ak oen Weh! Krootmoekende herr, iek weis doch selb nicht, is das vor miesdaad ies. Daar ies een Got iem Hiemmel, die miek heurt oend ook siet, oend iek niem dien tot ketoike, ja - iek niem dien tot ketoike.’ Froon en Alting lachen om de malle klanken van de Lipsker tot de tranen hen over de wangen rollen. Maar De Mepsche lacht niet, evenmin als hij gelachen heeft bij het knuppelen van de gans of bij het doodbloeden van het hert. En toch voelt hij zich vele malen gelukkiger dan zijn mederechters. Hij ziet naar de lijdende, vernederde mens, en hij geniet van zijn macht over leven en dood. Hij proeft deze vernedering als een buitengewone lekkernij op verhemelte en tong. In het aangezicht van pijn en dood, voelt hij dat hij leeft. ‘Zo,’ zegt hij langzaam, ‘je wilt dus niet bekennen?’ ‘Iek hab nieks...’ De rechter grijnst.


‘We hebben nog wel eiken stokken uit Hilbrands bos. Geef hem met de lange Hilbrands, mensen, tot hij van wroeging gaat krimpen en zijn schuld bekent’.

‘We hebben nog wel eiken stokken uit Hilbrands bos. Geef hem met de lange Hilbrands, mensen, tot hij van wroeging gaat krimpen en zijn schuld bekent’.

 

Engelberts en Pieters nemen zonder aarzelen de lange Hilbrands, en ze beginnen genadeloos op hem los te beuken. Bij de eerste slag schreeuwt de Lipsker al zo, dat Froon en Alting hun oren met hun handen dichtstoppen. Natuurlijk blijft De Mepsche onbewogen. Hij leunt ietwat voorover, als wil hij het slachtoffer van zo nabij mogelijk bekijken. ‘Sla hem niet dood. We moeten eruit halen, wat erin zit.’ De Lipsker gaat tegen de grond, hij is waarschijnlijk bewusteloos, en pijn schijnt hij niet meer te voelen. Bloed vloeit in vele kleine straaltjes uit verschillende plaatsen van zijn lichaam, en waar de huid bloot is, het hoofd en de handen en een deel van de voeten, is het opgezwollen, alsof hij in een mierennest heeft liggen slapen.
‘Laat hem even bijkomen,’ beveelt Mepsche. Hij staat op, evenals Froon en Alting, en gezamenlijk buigen zij zich over het roerloze lichaam. ‘Je hebt hem stevig geknuppeld,’ zegt De Mepsche voldaan. ‘Dat gaat wel,’ antwoordt Pieter Nannes bescheiden. ‘Wat kan die kerel schreeuwen!’

Na lange tijd opent de Lipsker de ogen, maar hij sluit ze weer als hij recht in de dode ogen van de heer van Faan kijkt. Hij lijdt vreselijke pijn, en hij wringt zich in alle bochten. De Mepsche legt nu zijn hand op de schouder van de gepijnigde, op een manier die men bijna vriendschappelijk zou kunnen noemen. ‘Luister nou eens,’ zegt hij, ‘het helpt je niets, bekennen zul je toch. Als je tegen mij zegt dat er meer schuldigen zijn... en als je hun namen noemt... zijn zeven zakken met goudstukken gevuld voor jou. Je mag ze in jouw Lippe gaan opmaken! Maar één ding zeg ik je, kreng van een tichelwerker...’

 

‘Oek... mien edel, mien kroetmoekende herr, verleen miek kenade! Kenade! Kenade!’ jammert deze. Hij kruipt nog steeds over de grond, en omklemde de voeten van de rechter. ‘lek bin een woerm oend u bint een kroetmaktike leuwe.’ Opnieuw schateren de anderen het uit, terwijl De Mepsche onbewogen blijft.

 

‘Vuile smerige hond,’ zegt hij schamper, ‘je begrijpt dat ik maar een woord hoef te zeggen om je naar de andere wereld te helpen. Als je me geen tien namen van je medeschuldigen opgeeft, dan zal ik je dood laten ranselen - maar wanneer je je mond open doet, ben je rijk.’ De arme drommel snikt: ‘U bint de krootste edelman, die woont tusjen Rusland oend Frankreich, uw kiender zollen kezegnet sain, en uw klainkinder zollen op krootvaters sjoot tanzen.’

 

Hoe is het mogelijk, dat ook nu de heer van De Mepsche niet lacht! De anderen krimpen ineen van pret, zoals de arme drommel van pijn kreunt. De twee rechters kunnen hun vrolijkheid niet meer bedwingen: ze dansen als jongelui door de zaal, en dikke tranen rolden over de wangen. ‘Namen! Ik wil namen!’ schreeuwt de rechter woedend. ‘Ik heb nou lang genoeg gewacht. Moeten de lange Hilbrands je soms nog eens mores leren?’

 

De lange Hilbrands moeten er nog aan te pas komen, voor de Lipsker namen noemt, maar die van Hanckema is er niet bij. De Mepsche probeert die er nog uit te slaan, maar dat is vergeefse moeite. Men heeft de beklaagde murw geslagen, en zelfs het greintje geest, dat hij in gewone tijden bezat, is hem ontsnapt. Hij is helemaal van de wereld. Hij ligt op de grond als een hoop vodden en zijn jammerlijk gesteun is volkomen werktuiglijk. De heer van Faan wreef zich de handen. ‘We hebben namen,’ roept hij uit, ‘en uit de namen zullen andere namen komen, tot ik diegene heb die ik zoek. Hem wil ik in mijn handen. Vanavond nog moeten alle mensen die de Lipsker heeft aangewezen, gearresteerd worden.’ Engelberts zegt: ‘Er is helemaal geen plaats voor.’ ‘Dat is het bewijs dat wij de misdaad al te lang geduld hebben. Men heeft sterke kerkers moeten bouwen met dikke muren, onderaardse gewelven, waar men het gepeupel kan doen lijden, zoveel men wil.’ De rechter huivert even en sluit zijn ogen. ‘Is er in de koestallen soms geen plaats? Bind ze vast aan kettingen als beesten en laat ze vasten, dan worden ze wel tot bekennen gedwongen. Zuidhorn zal ervan lusten.’

Niet alleen in Zuidhorn, maar ook in Niekerk sluit men de mensen op in dierenstallen. In Niekerk zet men twee mannen samen gevangen, zonder ze eten en drinken te geven. In de muur heeft De Mepsche een klein gat laten houwen... en soms rijdt hij naar de hoeve, alleen om door de opening te kunnen kijken. In het begin hebben de beide gekerkerden heel stil gelegen. Soms hoort hij ze even met elkaar praten... dan zwijgen ze weer. Er komt een dag dat ze tegenover elkaar beginnen te klagen: ‘Ik heb dorst.’ ‘Zal ik mijn vrouw en kinderen ooit terugzien?’ ‘Ik heb dorst.’ ‘Ze zullen ons martelen met hun lange Hilbrands.’ ‘Ik heb dorst.’ ‘Och man... hou je mond... er komt niks anders uit dan 'ik heb dorst'.’ ‘Ik heb dorst - ik heb dorst - ik heb dorst,’ gilt zijn metgezel.
Mepsche van Faan, hun wrede cipier, ziet het aan en luistert. Even later haat hij de nacht, die zijn pikzwarte gordijnen voor het kleine luikje schijft, zodat hij niets meer kan waarnemen.

 

Bij het eerste daglicht al is hij teruggekeerd, en hij merkt tot zijn vreugde dat het spel van sissen en blazen al is begonnen. De beide ongelukkigen staan tegenover elkaar. Zij, die misschien ooit vrienden zijn geweest, haten elkaar nu, ja ze loeren op elkaar als twee verwilderde katten. Heeft men hen ooit mensen genoemd? Er is nu zeker niets menselijks overgebleven. Hebben ze ooit in een huis gezeten, een meisje het hof gemaakt, hun vrouw en kinderen bemind, ze ernstig of lachend toegesproken?
‘Zeg eens wat anders als dat je dorst hebt,’ hoort de rechter de een tot de ander zeggen. Het klinkt vuil, en hij heeft zijn handen tot vuisten gebald.

 

‘Doo -ooo-rst! Doo -ooo-rst - doo -ooo-rst!’ Meteen slaat de ander hem bij wijze van antwoord met de vuist recht in het gezicht. Het wordt een strijdkreet: ‘Doooo-ooorst!’ waarmee hij de ander te lijf gaat. Hun ketenen rinkelen. Bloed stroomt over hun gezicht, en degene die het eerst geslagen heeft, valt ook het eerst neer. ‘Doo-oo-rst,’ kreunt hij, terwijl hij op de grond ligt. ‘Je zult daarmee ophouden.’ ‘Ik heb niks anders.’ De man betast niet zijn wonden, maar zijn hoofd. Daar is een klein duiveltje aan het tikken, en het spelt de woorden: ‘Ik heb dorst.’ ‘Ik vermoord je nog met je dorst.’

 

Zoals hij heeft gestaard naar het stervend hert, zo staart De Mepsche van Faan naar deze twee veroordeelden. Zijn genot is sterker dan dat van een drinker: immers hij beleeft zijn roes bewust. Hij voelt zich als een kunstenaar die in zijn geest het einde van zijn boek beleeft of die de laatste klanken van zijn opera nog één keer in zichzelf laat klinken, voor hij ze definitief aan het witte papier toevertrouwt. Hij voelt zich een groot man, dat hij deze bijzondere vorm van pijniging heeft uitgevonden.

 

Iedere morgen gaat hij naar de boerderij en dan drukt hij zijn gezicht tegen het gat in de muur om maar niets te hoeven missen van het schouwspel. Op het laatst zijn de twee mannen zo verzwakt, dat ze onmachtig op de grond bleven liggen, vastgebonden aan hun kettingen. De een weet niet meer van het bestaan van de ander; maar degene die zich tegen het ‘dorst’ roepen heeft verzet, kreunt nu zachtjes dezelfde klacht. Ook zijn geest is aan de waanzin ten prooi gevallen. Zij kennen niets meer van de taal dan het woord ‘dorst’. Ieder ander zal zijn ogen hebben afgewend bij het zien van deze erbarmelijke situatie waarin deze twee verkeren. Zo niet de rechter. Hij geniet van hun ellende tot het bittere einde toe. Als hij op een ochtend merkt dat de twee onbeweeglijk op de grond blijven liggen, roept hij zijn dienaren, die de lijken begraven.

 

Lange tijd kan men aan de muur van de boerderij waar dit is voorgevallen, een bloedvlek zien zitten, die men er met geen mogelijkheid af kan wissen. De ouden van dagen kunnen het zich misschien nog herinneren. En er gebeuren meer wonderlijke zaken. Dikwijls als men in de vervloekte boerderij begint te eten, ziet men de schotels en borden onder de handen wegschieten. Ze zweven in de lucht, zonder enig gerinkel. Zijn het de doden die terugkeren en die bij het aanschouwen van het smakelijk voedsel dat hen is onthouden, zin hebben om zich te wreken? Zijn het spotgeesten die aangelokt worden door de vreemde echo's die nog lange tijd in de boerderij naklinken?

 

Mepsche, een wreder man heeft er niet geleefd in de huizen op aarde, hoort van de bloedvlek en hij gaat alleen de stal binnen. Er staat geen beest meer in. De stal is leeg, maar de ruimte lijkt gevuld met de zware adem van levende wezens. ‘Ben je een oog, dat naar me kijkt?’ vraagt hij de bloedvlek. ‘Ik weet wat je bent. Je bent een oog dat alles ziet.’ Wie luistert naar hem? Hoort hij lachen? Hahaha! Alle duivels ter wereld! Hij heeft het gevoel alsof om zijn keel een ijzeren band knelt. Hij snakte naar lucht, en wankelt terug naar buiten. Verdwaasd kijkt hij om zich heen. Staat daar geen dreigende gestalte?

 

‘Vervloekt!’ roept hij uit. Met één sprong zit hij op zijn paard. Het land is hier vrijwel nog zonder wegen, en de landerijen liggen vol stenen. Toch struikelt het dier niet. De ruiter geeft het telkens de sporen, om het opzettelijk te pijnigen. Dan steigert het even, en de machteloze drift van het dier kalmeert de ruiter.

 

Het is al laat, als hij in de buurt van Hanckema aankomt. In het donker rijdt hij tot vlak voor de brug. Hij blijft daar geruime tijd staan, om te genieten van zijn gevoel van macht. Hij is als een kat die geen haast maakt om zijn prooi te grijpen, omdat hij er zeker van is dat deze hem niet meer kan ontsnappen. Voor de rechter mag het altijd nacht blijven.

 

De volgende morgen is er een groot gejammer in Zuidhorn! Engelberts en Nannes nemen in veel huizen mannen gevangen, die zij naar de stallen brengen. Ze leggen hen aan kettingen als dieven en wachten op nadere bevelen van de rechter. Die zegt: ‘Sla ze met de lange Hilbrands. Ik wil namen horen. Hebben jullie wel eens honger geleden? Ik honger naar een naam. De honger rammelt in mijn ingewanden en maakt mijn hoofd leeg. En honger zullen ook zij in de stal voelen. Als je ze met de lange Hilbrands hebt geslagen, en ze bekennen niet, laat dan de honger voor ze komen, tot ze erger worden dan beesten. Vraag dan of de heer Hanckema niet medeschuldig is en beloof wat je wilt, goudstukken bij honderden, als ze tegenover mij en ook tegenover Froon en Alting die naam willen uitspreken. Beloof ze in dat geval onmiddellijke vrijheid!’ ‘De heer van Hanckema heer! Dat durven we niet. Hij zal ervan horen en ons aanpakken.’ zegt Pieter Nannes. ‘Onzin. Ik bescherm jullie. Ik ben de rechter, niemand anders heeft wat te zeggen. Denk eraan, ik kan jullie evengoed aan de ketting leggen. Weet wat je doet, als je je verzet.’ Hierop zwijgen ze, de beide handlangers. Ze begrijpen dat er nu geen weg terug meer is, en dat er niets anders op zit dan gehoorzamen.

 

Ze slaan er met de stokken zo op los, dat twee van de opgesloten mannen aan hun verwondingen sterven. Maar de naam van Hanckema is door geen van beiden genoemd. Als laat men de lange Hilbrands rusten en de honger komt. Men kan op zijn gemak wachten op de uitwerking van deze langzame marteling, die genadeloos invreet tot in het diepste van de ziel. Zo nu en dan gaat een van de twee kijken naar de toestand van de gevangenen. Bijna altijd treft hij er de heer van Faan, die de pijn der velen op zich in laat inwerken.

 

Eerst lijdt men in stilte. Men probeert te lopen, voor zover de kettingen het toelaten. Men wil de honger en dorst, waarmee geen enkel ander leed is te vergelijken, vergeten. Maar juist het op en neer lopen schijnt de ellende te verergeren. De honger begint met een gevoel van een gapende leegte in de buik, die groter en groter wordt, alsof een inwendig monster je opvreet. Als de honger voortduurt, lijkt het een tijd of hij rust. De schreeuwende behoefte aan voedsel verdwijnt. De spieren van armen en benen verslappen, zoals bij een man die de hele dag zware landarbeid heeft verricht, en de lucht trilt voor de ogen van de gevangenen, zoals de lucht danst in zomerhitte of boven een gloeiende oven. Tegelijkertijd lijkt het alsof er een strak koord om hun hoofd is gespannen, dat ieder uur dieper in de schedel snoert en dat op de kwetsbare slapen een ondraaglijke druk veroorzaakt. Hoewel de mond droog is, kleeft de tong dikwijls aan het verhemelte vast, en de mannen lijken hun tong slechts met moeite los te krijgen. Dit is de eerste fase van de honger. Het kan nog erger. De handen beginnen te beven, en in plaats dat de lucht voor de ogen zacht, blauwachtig, trilt, schieten er lekkende vlammen, zonder hitte, vlak langs de wimpers. De tong ligt vlak en zwaar in de mond; zoals men dit wel ziet in de kop van een geslachte koe. Het lijkt erop dat zij zo niet meer kunnen praten. Het koord om het hoofd heeft scherpe naalden gekregen, een rij van naalden, die in de weke hersenen zijn doorgedrongen. De buik is één diepe wond.

 

‘Wie namen noemt, is vrij,’ zegt de heer van Faan onbewogen. ‘Hij kan naar zijn huis gaan, waar moeder de vrouw de pot met eten gevuld aan de ketting zal hangen. De spijs wordt gaar... een lekkere damp hangt in de kamer. De vrouw zoekt een grote ham uit.. ‘Wacht maar even,’ zal ze zeggen, ‘ik zal eens een flink mals stuk voor je afsnijden. Hoort niemand het haar zeggen? Nou, horen jullie het haar zeggen?’ Hij kijkt ze een voor een aan, en zij zien in zijn scheefstaade ogen de lege afgrond van zijn ziel. Zijn stem klinkt gemaakt vrolijk en onbevangen, alsof hij gezellig met hen staat te babbelen. ‘Waarvan houden jullie het meest, van Maastrichts, Amersfoorts, of van Gronings bier? Verkiest er iemand Franse wijn boven Rijnwijn, bevalt de koele Bourgogne jullie het beste? Ik denk dat koel, helder water, heel diep uit de put geschept, waar nooit het zonlicht komen kan, jullie trouwens ook niet slecht zal smaken.’
Zij zwijgen heldhaftig. Ze drukken de nagels diep in het vlees om het niet uit te schreeuwen. Met hun laatste restje trots weten ze zich nog tegen deze verleiding te wapenen. Nog een paar dagen... er volgen lange uren van bittere, ingehouden strijd, maar de razernij van de honger gist intussen bij velen tegelijk. Er zijn er die gek worden en die elkaar aanvallen als wilde beesten. Hun tanden bijten door de kleren heen en ze proberen het vlees van het lichaam van de ander af te scheuren. Na zo'n aanval lijkt de vloer van de stal op een slachtplaats, en zij die nog niet geestesziek zijn, staren angstig naar het bloed, bang dat ook zij in de greep zullen raken van de gekte.

 

Vervolgens gebeurt het dan eindelijk dat een van de gevangenen, een enkele maar, de moed verliest. Hij vindt de honger wreder dan de zweep met striemende koorden, want er is geen seconde zonder pijn. Dof zit hij in een hoek, als tot hem doordringt dat het noemen van één enkele naam hem redden kan. De Mepsche heeft niet voor niks gewacht, hij krijgt de naam, als een duivelse beloning voor zijn geduld.

 

Nooit is bekend geworden wie de heer Maurits Clant van Hanckema heeft gewaarschuwd voor wat er is gebeurd. Deze zit rustig in zijn burcht als de poortwachter met het bericht komt dat iemand hem dringend wil spreken. Hij laat de boodschapper binnen komen. ‘Wat wil je?’ vraagt de heer nors, geërgerd dat men het waagt zijn rust te verstoren. ‘Heer van Hanckema, we leven in een tijd, dat de laaggeborene en de edelman broeders zijn geworden. Het roofdier De Mepsche zwerft hier rond, en uw bloed smaakt hem net zo goed als het mijne...’

 

De heer Hanckema lacht onbevangen, of hij een goed glas wijn heeft gedronken, en nu met een vriend in een onderhoudend gesprek is verwikkeld. Wat betekent deze bedreiging ook voor hem? De bode gaat verder. ‘Er valt niks te lachen. Maakt u zich liever klaar voor een reis.’ ‘Wat wil de heer Rudolf de De Mepsche van Faan mij doen? Je hebt zeker te veel brandewijn gedronken.’ Hij wordt driftig. Waar haalt zo'n dorpeling eigenlijk het lef vandaan hem te waarschuwen? ‘Ga naar je vuile kroeg terug.’
‘Heer van Hanckema! Ik vertrek niet voor u vertrekt.’ ‘Je durft wel... en als ik je door mijn knechten het kasteel uit laat gooien?’ ‘Dan bent u een verloren man, en de hele streek met u. Als u eenmaal in zijn macht bent, zal hij alle mannen en jongelingen gevangen zetten.’

 

‘Hoor eens,’ zegt de edelman ongeduldig, ‘heb je bewijzen...’ Abrupt houdt hij midden in zijn zin op. De bode gaat een stap opzij, en een jong meisje treedt binnen. Ze kijkt verwonderd van de een naar de ander, maar op hetzelfde ogenblik begrijpt zij. Niet voor niets heeft ze al die tijd in angst gezeten, bang voor elk geluid van buiten. De uil die schreeuwt, is dat niet iemand die zijn handlanger in het duister de plaats laat weten waar hij zich verstopt? Het hoefgetrappel dat ze hoort, zijn dat geen mannen die haar broeder komen halen? In de lucht, in de zwarte lucht, zweeft op vleermuisvleugels een duister gevaar.

 

Er zijn nachten dat ze plotseling recht overeind in haar bed zit, met het klamme zweet op haar voorhoofd, en haar armen wild om zich heen maaiend tegen een denkbeeldige bedreiging. Toch herinnert ze zich niet dat ze een nachtmerrie heeft gehad. In haar kamer voelt ze de vreemde ogen van De Mepsche op zich gericht, en dan beeft ze over heel haar lichaam Na een van deze nachten, besluit ze om haar broer in te lichten en met De Mepsche te trouwen. Ze wil niet langer in angst leven. Maar haar broer lacht haar vrouwenangst weg. Ze voelt zich gerustgesteld door hem. Ja inderdaad, wat kan De Mepsche eigenlijk tegen de heer van Hanckema beginnen? Ze schaamt zich om haar vreesachtigheid, maar deze laat zich toch niet wegredeneren. Ze hoort steeds meer berichten over de vreselijke wreedheden die de rechter bedrijft, en nu schrikt ze elke nacht wakker. In haar slaap weet ze dat het ogenblik moet komen dat De Mepsche haar in zijn bezit zal krijgen, en ze verzet zich met grote kracht tegen deze gedachte. Het lukt haar nooit hem uit haar hoofd te bannen.

 

Ze krijgt de geest en het uiterlijk van een slapeloze, die spieren en zenuwen niet meer in bedwang heeft. De Mepsche heeft haar levenskracht opgezogen, en ze wankelt door het huis als is ze een levende dode.

Als zij op deze dag haar broer en de bode samen ziet, viel zij op haar knieën. ‘Ik weet het! Ik weet het!’ jammert ze. ‘Broeder! Broeder! Nu moet je dit kasteel verlaten. Vlucht naar Groningen! Zorg dat je de hoofdmannenkamer op je hand krijgt. De hoofdmannenkamer is het enige dat De Mepsche kan stoppen. O mijn broeder, laat De Mepsche je niet te pakken krijgen!’
‘Stil!’ roept de heer uit, ‘wie bewijst me dat De Mepsche mij moet hebben?’
‘Met zijn eigen mond heeft hij me gezegd dat hij zich op jou zal wreken, mijn broeder! Ga, doe het voor mij. Als je mij de rust wilt teruggeven, die ik voor jou al zo lange tijd moet missen, mijn broeder, laat dan onmiddellijk de paarden inspannen. Een uur later, en het kan je dood zijn.’
‘Hij heeft uw naam gezocht,’ zegt de bode somber. ‘Wie uw naam noemt, krijgt vrijheid.’
‘Ben ik dan in een gekkenhuis beland? Ik, de heer Maurits Clant van Hanckema, een van de machtigste mannen van heel het land, zal vluchten voor een Mepsche? Ik zal het mezelf nooit vergeven.’ De bode gooit het over een andere boeg. ‘Gaat u niet dikwijls naar de stad, heer? Kunt u in plaats van een andere dag niet vandaag gaan? Als vanavond de dienaren van De Mepsche nog niet hier zijn geweest, kunt u met een gerust hart terugkeren, en u hoeft voortaan niemand meer te geloven die u ongeluk voorspelt.’

‘Broeder - mijn broeder - het is mijn dood, als je dit weigert. Wil je me soms zien sterven van angst?’ Ze vouwt de handen als een vroom nonnetje, en buigt het hoofd. Men kan denken dat ze bidt.
‘Goed dan! Ik zal dit keer toegeven. Zwijg tegen iedereen over deze zaak. Zeg dat ik onverwacht voor zaken in de stad ben weggeroepen. Ik wil niet dat er om mij gelachen wordt. Dit zullen jullie toch wel begrijpen!’

De borg Hanckem te Zuidhorn.

De paarden worden ingespannen. De koetsiers zitten statig op de bok. Niemand weet dat de heer van Hanckema voor De Mepsche vlucht. Zelf stap hij onverschillig in, of hij uitsluitend uitrijdt om in Groningen zijn bezoeken af te leggen en de volgende morgen, na in de Doelen te hebben geslapen, naar Zuidhorn weer te keren. Zijn zuster zwaait hem na tot de koets aan de horizon verdwijnt. Die nacht slaapt ze voor het eerst in roerloosheid van ziel en geest, en de volgende morgen wordt ze glimlachend wakker in het besef dat ze zich van de voorbij gegleden laatste negen uur niets herinnert. Is zij wel op de wereld geweest? Toch heeft de bode die haar broeder heeft gewaarschuwd nog de avond tevoren gelijk gekregen.
Het loopt al tegen middernacht als er zeer hard op de poort wordt geklopt. De wachter is juist in een diepe slaap gevallen, en de onverwachte gasten moeten daarom langer buiten wachten dan ze willen. Ze laten de klopper zo hard op de deur daveren, dat zelfs in het bovenhuis enkele dienstboden wakker schrikken. De wachter loopt brommend naar de deur die hij opent. ‘Misschien is de heer thuisgekomen, of zijn het een paar van zijn vrienden,’ denkt hij.
Het zijn Engelberts en Nannes, de twee trouwe handlangers van de rechter, die naar binnen dringen en schreeuwen: ‘Waar is de kamer van uw heer? Licht ons bij. We hebben orders van de rechter in de jurisdictie Oosterdeel-Langewold, de heer Rudolf De Mepsche van Faan. Er is geen tijd te verliezen.’ ‘Mijnheer is uit,’ zegt de slaapdronken portier naar waarheid, ‘juist vanmiddag naar Groningen gereden.’ ‘Verdoemd! Licht ons bij. Wij willen het met eigen ogen zien.’ Ze geeft de wachter een duw in de rug met hun stevige knuisten. Deze steekt hij de kaarsen aan, maar zegt dreigend: ‘Ik zal jullie alles laten zien, maar als de juffer wakker wordt, smijt ik je allebei de trap af, al moet ik er ook voor hangen. Ga nou maar mee.’

 

Deze woorden maken indruk, en ze volgden hem zachtjes lopend de trap op. Hij opent de deur van de slaapkamer van zijn heer Hanckema. Hij brengt ze tot aan het bed. Dit is onbeslapen. Aan de kamer is te zien, dat er die nacht niemand is geweest.
‘De vogel is gevlogen,’ spot de poortwachter, ‘zoals de edele heren zien. Of willen de heren nog verder het slot bekijken? Ga liever eens in het dorp navragen... de herbergier zal u nog wel open doen - of de heer van Hanckema niet vanmiddag is uitgereden.’
De twee kijken elkaar onzeker aan. ‘Of willen de heren soms in de benedenzaal wachten op de heer van Hanckema, en een glas wijn drinken om de tijd te doden? Of zal ik soms een paar bedienden roepen om de edele heren op passende wijze uit te laten? Lange Hilbrands hebben wij hier niet, maar we hebben wel peper en zout in onze vuisten om uw rug te kruiden!’ Deze redevoering die de poortwachter zelf zeer mooi vindt, zet de twee tot spoed aan. Ze bibberde bij het idee dat ze voor hun meester zullen moeten verschijnen, maar het is beter hem zo snel mogelijk onder ogen te komen, om hem in kennis te stellen van de verdwijning van de heer van Hanckema.

 

Mepsche ontvangt hen uiterlijk volkomen onbewogen en rustig, alsof hij helemaal niet verbaasd is dat ze zonder zijn prooi durven terug te keren. Ze kijken hem in de ogen, waar aan weerszijden slechts een klein vonkje is te zien. Er zijn dienaren raken vervuld van vrees. Als hij driftig is geweest, hebben ze hun hoofd kunnen buigen. Als hij zijn woede op hen heeft gekoeld, zal hij het ongeluk de volgende dag verwerkt hebben, zoals na een fel onweer de zon weer kan doorbreken. Maar deze ijzige kalmte!
‘Hier zullen er heel wat voor moeten boeten.’ Hij zegt dit losjes weg, en zijn stem blijft vlak, maar de vonken in de lege gaten van zijn ogen verraden zijn gemoedsgesteldheid.

 

De volgende ochtend gaat hij naar de stallen, en hij spreekt de gevangenen toe. ‘Bereid u voor op de dood,’ zegt hij alleen, ‘allen die hier zijn, zal ik laten verbranden. Ik ben een rechtvaardig heer. Ik wil niet dat de een meer pijn lijdt dan de ander. Daarom zal ik één brandstapel maken, waarop jullie allemaal tegelijk kunnen sterven. Niemand zal van mij kunnen zeggen dat ik geen genade ken.’

Er zijn er onder de veroordeelden die blij zijn dat ze het leven mogen verlaten. Maar de meesten zijn bang voor de dood en willen koste wat kost in leven blijven. Ze vallen op hun knieën en streken hun magere handen smekend naar De Mepsche uit. Ach, ze weten niet dat dit gebaar hem alleen maar goed doet, zoals een verkwikkende drank levenskracht in de aderen doet vloeien. Aan zijn gezicht kan je immers niet aflezen of iets hem nou verdriet of vreugde geeft, het bleef als uit steen gehouwen.

 

Engelberts en Nannes vrezen hem in deze dagen meer dan ooit. Dikwijls spreken ze zachtjes met elkaar. Ze kennen hun heer zoals weinig anderen en ze verstaan elkaars angst. Met zijn tweeën kunnen ze vrijuit praten. ‘Wat zal hij van plan zijn...? Er blijven in Zuidhorn geen mensen meer over, en dan komen wij aan de beurt.’ ‘Als ze hem voor die tijd tenminste niet zelf te pakken nemen. Maar wat moet er in dat geval van ons worden?’ ‘Ze zullen ons slaan met de lange Hilbrands die we zelf hebben gesneden.’
‘Vriend, vriend, hoe moeten we ons hieruit redden? Als we niet doen wat hij zegt, dan worden we verbrand, doen we het wel, dan worden we opgehangen. We hebben allebei vrouw en kinderen thuis en wie zal voor ze zorgen als wij op het kerkhof liggen? Ik wou dat die lange Hilbrands nooit uitgevonden waren.’ ‘Ik wou dat hij nooit rechter was geworden. Ik zou er heel wat voor over hebben.’ ‘Stil, pas op dat hij ons niet hoort. Hij heeft zijn oren overal. Hoe zou hij anders van al die misdaden in de streek weten.’ ‘Zouden het allemaal wel misdaden wezen? Er wordt zoveel gezegd!’

 

‘Stil kameraad! Maak het niet nog erger. Zij die er met de lange Hilbrands van langs hebben gekregen, zijn toch allemaal opgehouden met ontkennen?!’
Ze kijken over hun schouders, de twee sterke mannen, als kinderen die door een eenzaam bos lopen, en die elkaar bang hebben gemaakt. Sluipt de heer van Faan niet in de buurt rond? Het ritselende blad... is dat geen voetstap? In het hoge rechte koren daarginds kan zich best een luistervink schuil houden. Ze grijpen elkaar vast.

Op zijn eenzaam slot zit Mepsche, met het hoofd in zijn handen, en hij staart naar een kleine vlek voor hem op de tafel. Het is misschien niets anders dan een knoest in het eikenhout of een restje gemorste inkt. Hij blijft turen, net zolang tot de plek een vertrouwde kleur krijgt, en hij voelt een behoefte om er met zijn nagel over te krassen. ‘Het is geronnen bloed, dat ik zie,’ denkt hij, en hij haalt diep adem. ‘Ik weet het zeker. Het is door de lange Hilbrands zeker op mijn kleding gespat, en ik heb het met me meegedragen, zonder dat ik het wist. Een bloeddruppel meedragen is niet iedereen geven. Voor mij is een bloeddruppel wat een parel is voor een jonge, mooie vrouw.’

 

Hij denkt aan de mensen die in zijn macht zijn, en aan het vreugdevuur dat hem te wachten staat. ‘Stil, mijn hart! Het zal me groot genot geven als die mensen worden verbrand, maar waarom is de heer van Hanckema er niet bij?! Zijn zuster heeft Ik heb die dolk wel weten te steken.inmiddels toch gezien dat ik me wreken kan. Ik heb die dolk wel weten te steken. Als ze hier eens op het kasteel zou komen en me om genade zou smeken?’ Hij verlustigt zich bij de gedachte aan haar weerloosheid. ‘Wat zal ik met haar spelen! Ik zal zeggen: 'Vroeger heb je niet naar me omgekeken, wat kom je nu dan doen? Nu is het mijn beurt om met je te doen waar ik zin in heb. Ik ben gewend te krijgen wat ik wil.' Ik hoor het mezelf zeggen. Zal ze ook niet om genade komen vragen voor de twintig dorpelingen die ik zal verbranden? Wat een rookwolk zal dat opleveren!’

 

Zijn hersenen werken koortsachtig, zoals bij iemand die het onderscheid tussen waan en werkelijkheid niet meer weet te maken. Ja, hij leeft als in een droom.

 

Als de dag van het helse vuur is aangebroken, is hij tot ieders verwondering niet op de plek zelf aanwezig. Men heeft een grote stapel hout opgeworpen, achter de bossen van het kasteel. Vanuit het slot is niets te zien. Eiken en beuken staan er met hun brede stammen voor.

 

Hij zit samen met Alting en Froon, zijn mederechters, in de grote zaal van de burcht. Het gillen dringt niet door de dikke muren heen, het gekronkel van lichamen zien ze niet, de geur van verbrand mensenvlees bereikt hen niet. Ze zitten gedrieën aan tafel, met hun rug naar het licht. Alting en Froon zwijgen. Zo groot is hun berouw dat hun geweten als een zwaar gewicht in hun bloed vloeit. Ook De Mepsche zwijgt, maar niet omdat hij door wat dan ook wordt gekweld. Hij beleeft het in zijn hoofd, alsof hij ter plekke is.
Hij wil uit de verte het eerste rookwolkje zien dat boven de bossen uit zal stijgen. Hij wil zich volmaakt overgeven aan zijn gevoel van almacht, maar wel zo dat niemand zal kunnen zien welke hevige emoties hem bewegen. Men zal kunnen beweren dat hij kuis blijft in zijn zonde.

 

Hij zucht diep als hij het kleine wolkje ziet, en tegelijkertijd draait hij zich om. Hij gaat rustig zitten en zegt met een donkere stem: ‘Het kwaad is gestraft. Ik hoop dat de misdaad uitgeroeid is.’

 

‘Twintig mensen tegelijkertijd...’ huivert de zwakke Froon. ‘Hoe zal ik dat tegenover God moeten verantwoorden?’ Als barst De Mepsche in een hard lachen uit, zo dat de twee anderen verschrikt opstaan. Dit is voor het eerst dat ze De Mepsche van Faan heeft horen lachen. Deze slaat met de vuist op tafel.

 

‘Men is mij verantwoording schuldig! Eén man moeten we vangen, de heer van Hanckema, om hem is het me te doen. ‘Alles om die ene man,’ roept Froon bitter uit. ‘We hebben er nu al zoveel gedood, het bezwaart mijn ziel.’ ‘Zwakkelingen,’ mompelt Mepsche. ‘Ben je soms bang voor de duivel, heer Froon?’ ‘Voor de duivel niet... maar voor God.’

 

‘Ik ben bang voor de hoofdmannenkamer in Groningen,’ zegt Alting bedachtzaam. ‘Als die ons laat vallen...’ De Mepsche lacht een superieur lachje, en klopt hem op de schouder. ‘Iedereen is de laatste tijd bang voor de hoofdmannenkamer. Als ik mijn dienaren aankijk, lees ik in hun ogen 'de hoofdmannenkamer' en nu ik u aankijk, mijnheer Alting, zie ik dezelfde vrees. Denkt u dat de hoofdmannenkamer mij iets kan maken? Ik ben banger voor de bloedvlek op deze tafel... als ik daar naar kijk, vergeet ik alles om me heen....Nee, we moeten met deze straffen doorgaan. De ene wordt gestraft voor de andere.’

 

‘Hoe lang dan nog?’ vraagt Froon bevend. Terwijl ze zo rond de tafel zitten, wordt er hard aan de poort geklopt en een bode met een verhit gezicht en stoffige kleren stuift binnen. In zijn hand draagt hij een verzegelde brief. Hij treedt tot vlak voor de tafel, en hij overhandigt De Mepsche het schrijven met een korte norse buiging. Alting trekt wit weg en Froon gaat naar het venster. Het wolkje boven de bomen is opgelost in de heldere lucht. ‘Daar is de brief die ik allang verwachtte,’ zegt Alting. ‘Als jij al weet wat er in staat,’ antwoordde De Mepsche toonloos, ‘hoef ik hem niet meer te lezen. Zeg het me maar, heer Alting. Of ben je bang?’

‘Niet voor u, Mepsche, maar voor de brief in uw handen. De hoofdmannenkamer heeft u in de steek gelaten... en ik zal dat voorbeeld volgen.’

 

Mepsche keert zich naar Froon toe, die nog steeds zwijgt, en vraagt: ‘En u Froon, wat denkt u na deze brief te doen?’ Froon haalt diep adem, en antwoordt: ‘De lucht wordt me hier wat al te benauwd. Ik denk dat ik ergens anders ga wonen.’
Mepsche staat op en loopt in gedachten de zaal heen en weer, tot hij de bode toesnauwt: ‘Zeg de heren van de hoofdmannenkamer dat je op huize Byma twee lafaards hebt aangetroffen.’ ‘En is dat uw enige antwoord, heer van Faan? Maar u hebt de brief nog niet eens gelezen!’

 

Mepsche verbreekt de zegels, en gooit het statige papier met het zwierige handschrift op tafel. ‘Ik hoef niet te lezen wat de hoofdmannenkamer mij wil berichten. Ik ben onaantastbaar!’ ‘Luister!’ zegt Froon plotseling met indringende stem, en iedereen zwijgt stil. Daarbuiten, in de verte, klink een zwak gerucht, dat langzaam aanzwelt... en steeds dichterbij komt. De Mepsche verroert zich niet. Alting heeft het hoofd gebogen, en hij houdt zijn rechteroor omklemd, in geconcentreerde aandenkt voor de geluiden die het slot binnendringen. Froon trekt geruisloos zijn degen uit de schede. De bode wacht onbewogen. ‘Het volk!’ zegt eindelijk Froon. ‘Bode, meld de heren van de hoofdmannenkamer dat het volk optrekt naar het slot te Faan. Ze ruiken dat De Mepsche door zijn vrienden is verlaten en zo eenzaam is als een vondeling. Brieven hoeven er niet meer te worden geschreven.’

 

‘Wat moet ik dat de heren van de hoofdmannenkamer te Groningen als uw antwoord melden?’ vraagt de bode onzeker en hij keert zich tot De Mepsche als om een bevestiging te vragen. Deze staart naar de bloedvlek op tafel, en hij heft het hoofd niet op als hij hem antwoordt: ‘Ja.’ De bode aarzelt nog, en dringt aan: ‘En er is geen schriftelijk antwoord? Ik kan wachten, heer!’ ‘Neen!’ De bode buigt, hoffelijker dan als hij gekomen is en De Mepsche kijkt hem scherp aan. ‘Je bent beleefder dan daarnet. Je weet zeker dat je een stervende groet.’

 

Eerder nog dan de bode de deur uit is, snelt Froon hem al voorbij. Alting volgt hem op de hielen, zodat de rechter in zeer korte tijd alleen in de kamer achterblijft. Hij doet geen moeite om de vertrekkenden terug te roepen. Hij wrijft zich met zijn smetteloze vingers over het voorhoofd. Het geluid van buiten komt dichter bij. Hij kan nu al duidelijk stemmen onderscheiden. De Mepsche leunt tegen de tafel.

 

‘Ik blijf. Ze zullen niet denken dat ik laf ben,’ peinst hij. ‘Iedereen heeft me verlaten. Laat het komen, zoals het komt. Ik wil mijn laatste blik hier wijden aan de vlek op tafel waarvoor ik geleefd heb en waarvoor ik zal sterven.’ Het lijkt of hij zichzelf en zijn leven nu pas doorgrondt, zoals een roker de helderste gedachten en inzichten krijgt door het turen naar een enkel rookwolkje. ‘Engelberts en Nannes hebben de bode uit de stad zien komen, en zij hebben het volk gewaarschuwd, om hun huid te redden. Zo denken ze de dans te kunnen ontspringen. Ik moet eigenlijk lachen... om zoveel laf verraad...’

 

De menigte stroomt binnen. Ze hebben moed gevat nu ze weten dat hun wrede heer er alleen voor staat. Ze zullen rechtsomkeert hebben gemaakt als de sterke Engelberts en Nannes naast hem hebben gestaan. Ja, het blijft zelfs de vraag of ze niet zijn afgedropen als De Mepsche zijn heersershouding heeft bewaard. Eén uitgestrekte wijsvinger is wellicht voldoende geweest om het volk opnieuw op de knieën te dwingen, zo bang zijn ze van hem.

 

Als zij de heer van Faan echter weerloos aantroffen, in diepe concentratie starend naar één plek op de tafel, ontwaakt hun wraaklust. Dit is een man die door God en de wereld is verlaten, en nu is hij van hen. Iemand uit het volk stapte naar voren. ‘Mepsche! Je bent al te lang onze beul geweest. Nu zijn wij aan de beurt!’
De rechter antwoordt niet. Hij heeft wel wat anders te doen dan iets tegen dit armzalig gepeupel te zeggen. Hij blijft aandachtig naar de vlek op tafel staren.
Men schudt hem ruw door elkaar. Ze slaan hem met hun vuisten en met de schop, de vrouwen bewerkten hem met hun nagels, kinderen beledigen hem. Hij lijkt het niet te voelen. Dan voert men hem weg. Waar brengt men hem heen? Naar Leegkerk. Daar bindt men in een stal de hoogmoedige, bloeddorstige heer aan een ketting, precies zoals hij het met zijn gevangenen heeft gedaan. Daar laat men hem achter in eenzaamheid, afgesloten van de buitenwereld.

 

Het geluid van voetstappen vervaagt en in de diepe stilte die volgt, komt De Mepsche langzaam tot zichzelf. Zo vlug is alles gegaan, dat hij de verandering in zijn levensomstandigheden nauwelijks kan bevatten. Langzamerhand komt hij tot het besef dat hij verloren is. Hij voelt zich als een slapende die weerloos op zijn bed ligt, terwijl onbekende gevaren hem bedreigen... een brand, een misdadiger in zijn kamer... een ziekte die hem door het bloed kruipt. Zelfs als het hem lukt weg te dommelen, ruikt De Mepsche het onheil. Hij wordt geregeld met een schok wakker uit zijn lichte slaap.

 

Hij weet zich bespied door iets dat zich schuilhoudt in een donkere hoek van de stal, loerend als een kat op zijn prooi. Het is altijd donker in de stal, een inktzwarte duisternis omhult hem. Hij weet niet of buiten de zon schijnt, of dat de nacht is gevallen, en ook niet hoeveel dagen er voorbij zijn gegaan. Wat er precies omgaat in Rudolf de De Mepsche van Faan, of hij honger en dorst lijdt, niemand zal het ooit weten. Wel weet men dat het ongedierte, al wat kleine wriemelende pootjes heeft en bloed kan zuigen, De Mepsche aanvalt, en dat zij zich verzadigen aan zijn bloed. Tegen deze vijand heeft De Mepsche geen weerstand. De vlooien, de acrobaten onder de insecten, springen zigzagsgewijs over zijn benen en voeten, de luizen haken zich vast aan zijn hoofdhaar en baard, of verschuilen zich in zijn kleren. De ergste van allemaal is de wandluis die zich op zijn vlees laat vallen en die hem zonder ophouden kwelt.

 

Tot zijn laatste ademtocht blijven ze bij hem. Ze slurpen hem leeg, er lijkt geen einde aan hun feestmaal te komen. Zij voeren zonder het te weten de wraak van het volk uit. En tot op de dag van vandaag noemt men de plaats dichtbij het Drentse tolhek de ‘Luizenbult,’ ter herinnering aan het passende einde van de bloeddorstige heer Rudolf de Mepsche, heer van Faan, rechter van de streek Oosterdeel-Langewold.

 

 

Meer lezen:

Meer lezen over De Mepsche Jonkerspraktijken. De Mepsche van Faan
Het geslacht De Mepsche (Genealogie). Het geslacht De Mepsche (genealogie).

 

 

 


Bronnen:
Poort, H.F. (1923), Rudolph de Mepsche, of de Faansche gruwelen (1731). Noordhorn: Poort.
Veen, Koert ter (2002), Protestants fundamentalisme in het Groningse Faan. Soesterberg: Aspekt.
Visser, Ab (1959), Rudolf de Mepsche, het monsterproces van Faan. Bussum: Kroonder. - Bevat een uitvoerige besschrijving van het leven van Rudolf de Mepsche, met name de periode rond het proces.
Vleer, Wigholt Tjerk (1972), 'Sterf Sodomieten!' : Rudolf de Mepsche, de homofielenvervolging, het Faanse zedenproces en de massamoord te Zuidhorn. Norg: Veja.
S.l. (1731), Namen der persoonen, die door ordres van ... grietman van Oosterdeel Langewoldt, op Maandag den 24. September, 1731. te Faan by Zuithorn, in Groningerland gelegen, over het plegen van de verfoeyelyke misdaad van zodomie geëxecuteert zyn. In bezit van Universiteitsbibliotheek Utrecht.
Info.nu, Het monsterproces van Faan.

 

 

 


Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 3 juni 2013
Verhaal: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top