Akte van verbond tussen de stad en de Ommelanden voor veertig jaar, 1482, collectie RHC Groninger Archieven (2-25).
Afb. boven: Akte van verbond tussen de stad en de Ommelanden voor veertig jaar, 1482, collectie RHC Groninger Archieven (2-25).


Groningen, 1482

Formeel wordt vastgelegd dat het Ommelander graan eerst op de markt in Groningen moet worden aangeboden en dat in de Ommelanden alleen bier voor eigen gebruik mag worden gebrouwen.

Het stapelrecht is bedoeld om de positie van de handelaren en bierbrouwers in de stad Groningen veilig te stellen en op die manier de positie van de stad als economisch centrum van het noordelijke kustgebied te verzekeren. Het gebruik van een stapel dateert al van vroegere datum, maar dan op basis van vrijwilligheid en om praktische redenen. De Ommelanden beschouwen dit 'recht' als een zware belasting. Vanaf de 16e eeuw komt het vaak tot geschillen tussen Stad en Ommelanden. De enige die de Stad geducht tegenstand biedt is de tweede handelsstad van het gebied, Appingedam. Dit stadje is nooit volledig aan het stapelrecht onderworpen geweest en is een luis in de pels van 'grote broer' Groningen. Ondanks verwoede pogingen van Ommelander zijde daartoe, is het stapelrecht pas begin 19e eeuw officieel afgeschaft.


 

De oorsprong van het Stapelrecht.

De Oorsprong

Het Groninger stapelrecht is eeuwenlang de vorm geweest waarin Groningen economische dominantie over zijn omgeving zich vertoonde. Het heeft de verhoudingen met de Ommelanden zwaar belast en is een van de belangrijkste redenen voor de breuk, die in 1575 een einde maakt aan de samenwerking tussen Stad en Ommelanden die in 1473 en 1482 tot stand is gekomen op basis van de zogenaamde 'grote verbonden'.

In die verbonden zijn artikelen opgenomen die bedoeld zijn geweest om de positie van de stad Groningen als economisch centrum te versterken. Ze worden beschouwd als een uitbreiding van het Groninger stapelrecht, zoals we dat kennen uit het zogenaamde 'Oldermansboek'. Dit Oldermansboek is een verzameling bepalingen die de interne verhoudingen onder de Groninger kooplieden regelt en waarvan een deel uit de 13e eeuw stamt. Het boek ontleent zijn naam aan de titel die de voorzitter van het latere 'Gildrecht' draagt. Dit college is vermoedelijk een overblijfsel van het genootschap, waarin oudtijds alle Groninger kooplieden (de 'ghemene coepman') verenigd zijn geweest. Het fungeert in die tijd als gildebestuur en spreekt recht in kwesties tussen kooplieden onderling en tussen handelaren en schippers die voor het vervoer van handelsgoederen zorgen. Daarnaast stelt het regels vast voor de lakenhandel, zorgt voor een zekere bescherming van zijn leden op handelsreizen en handhaaft de Groninger stapel.

Om handel te mogen drijven in de Ommelanden moet een koopman zich bij het Gildrecht laten inschrijven. Deze regel vloeit voort uit de monopoliepositie van de Groninger markt voor wat betreft de handel in Ommelander producten. Deze positie is op haar beurt weer een direct gevolg van de ligging van de stad op het noordelijk uiteinde van de Hondsrug. Wie vanuit het zuiden naar de Friese Ommelanden wilde moet, of hij wil of niet, langs Groningen.

Zolang de Ommelanden van de landzijde alleen via Groningen toegankelijk zijn geweest, heeft de genoemde bepaling vooral het karakter gehad van een onderlinge afspraak. Alle handel in Ommelander producten loopt via de Groninger markt, degenen die zich hiermee bezig houden, moeten allen lid zijn van de club en het is de leden ervan verboden om vreemdelingen te helpen wanneer die toch in de Ommelanden aan koophandel proberen te doen. De bedoeling van deze regel is duidelijk: door lid te worden van het Groninger koopmansgenootschap onderwerpt men zich aan de voor alle leden geldende regels, hetgeen de kans op valse concurrentie vermindert. Doordat alleen ingezetenen van Groningen lid van het handelsgenootschap kunnen worden, betekent de regel dat Groningen niet alleen de centrale marktplaats voor Ommelander producten is en blijft, maar ook de zetel wordt van allen die met die gebieden handel drijven. Handelaren die van elders komen en 'Friese' producten willen opkopen, moeten dat op de Groninger markt doen, omdat -zoals het 'Oldermansboek' het formuleert- de gezamenlijke kooplieden 'de stapel of hoogste markt van alle goederen in Friesland te Groningen gelegd' hebben.

Het Stapelrecht.

De stapelregel heeft dus een dubbele strekking: ze is in eerste instantie een onderlinge afspraak van de Groninger kooplieden om alle handel in Ommelander zijn uitsluitend via de markt te Groningen te laten lopen, maar verbiedt tegelijk ook vreemdelingen om buiten Groningen om handel te drijven in Ommelander producten. Het gaat de Groninger kooplieden niet om het verhinderen van de uitvoer over zee van Ommelander producten door Ommelanders zelf. Zover reikt hun invloed niet, gesteld al dat ze ambities in die richting zullen hebben gehad. De leden van het Groninger koopmansgilde spreken alleen af dat ze zelf geen gebruik zullen maken van andere handelsroutes buiten Groningen om en dat ze ook vreemdelingen zullen beletten dat te doen.

 

15e eeuw

Halverwege de 15e eeuw bedenkt de raad van de stad Groningen dus een regeling die het burgers en ingezetenen verbiedt rechtstreeks zaken te doen met Ommelanders die hun producten naar Groningen brengen. Ganzen en kippen, boter, kaas, spek, haver of ander graan, huiden en leer, alles wat Ommelander boeren naar Groningen brengen moet worden opgekocht door functionarissen die door de raad zullen worden aangesteld. De Stadjers zullen de Ommelander producten alleen van deze tussenhandelaren mogen betrekken. De winst die dit oplevert zal ten goede komen aan de raad.

Eén van de raadsheren, Warner Smit, is tegen het voorstel. Hij verklaart niet met het plan te kunnen instemmen omdat het indruist tegen de eed die hij en zijn collega-raadsheren hebben gezworen, namelijk datgene te doen wat het meest in het belang van de 'meente' en de stad is. Smit verlaat daarop de raadzaal en gaat naar huis. Hij laat de leiders van de gilden bijeenkomen en vertelt hen wat voor plan de heren op het raadhuis aan het uitbroeden zijn. De vertegenwoordigers van de gilden betuigen daarop hun steun aan Smit. Die heeft deze hulp ook wel nodig, want de raad en gezworen meente hebben besloten hem uit de weg te ruimen. Ze roepen de dissidente raadsheer op naar het raadhuis te komen met de bedoeling hem daar te arresteren. Ook de beul hebben ze alvast besteld. Smit begrijpt echter wat hem boven het hoofd hangt, waarschuwt de gilden en gaat naar het raadhuis, waar de beul hem al staat op te wachten. Als een van de raadsheren, Bruen Sygers, door het venster naar buiten kijkt en daar de menigte ziet met spietsen, pieken, knuppels en zelfs vuurwapens, trekt hij wit weg. Hij gaat op zijn plaats zitten en kan geen woord uitbrengen van schrik. Vervolgens wordt het voorstel over het opkopen van Ommelander producten besproken. Als burgemeester Hendrick Baroldes raadsheer Smit naar zijn mening vraagt, antwoordt deze dat de raad maar moet doen wat hij het beste vindt. 'Maar als jullie dit plan doorzetten,' zo voegt hij eraan toe, 'dan zal het je de kop kosten.'

Het optreden van Smit en de zijnen heeft tot gevolg dat het stadsbestuur door de bocht gaat en zweert nooit meer iets nieuws te zullen invoeren dat in strijd is met de belangen van de stad, de gilden, de burgers en inwoners. Warner Smit verklaart daarop dat hij dit graag zwart op wit wilt hebben. Nadat ook deze eis wordt ingewilligd, begeeft hij zich naar het Jacobijner klooster in de Ebbingestraat, de traditionele verzamelplaats van de gilden, waar hij de officiële oorkonde aan zijn achterban laat zien.

Bij de raadsheren zit de schrik er zo diep in dat zij bijna een week lang op het raadhuis blijven, in de hoop dat de gemoederen in die tijd zullen bekoelen. 'Daerna bleeff al dynck yn rusten ende vrede.'

In hoeverre dit verhaal precies de werkelijke gang van de gebeurtenissen weergeeft, is niet meer vast te stellen. Een andere kroniek vertelt eveneens over een botsing tussen raad en gilden; ofschoon het verhaal daar enigszins anders verloopt, lijkt het erop dat we toch met dezelfde gebeurtenissen te maken hebben. De aanleiding van de onrust is vermoedelijk de overeenkomst geweest, die het stadsbestuur van Groningen in het voorjaar van 1457 samen met de Ommelander hoofdelingen hebben gesloten met de belangrijkste hoofdelingen in Oost-Friesland. De afspraak die ze maken houdt in, dat het hun wederzijdse kooplieden zal vrijstaan in elkanders gebied handel te drijven. Deze afspraak is strijdig met de stedelijke stapelbepalingen, want ze maakt het mogelijk Ommelander producten buiten de Groninger markt om te exporteren. De Groninger gildebroeders zijn bang dat dit ten koste zal gaan van hun bestaanszekerheid en weigeren de overeenkomst te accepteren. Door het verzet van Warner Smit en de gilden ziet het stadsbestuur zich genoodzaakt de met de Oostfriezen gesloten overeenkomst te annuleren. Burgemeesters en raad, gezworen meente en de 'gemene hovelingen van de gemene gilden' leggen daarop een gezamenlijke verklaring af, waarin wordt vastgelegd dat de export van Ommelander koren voor altijd verboden zal zijn en dat er ook nooit enige vorm van gedwongen tussenhandel, accijnzen of andere ongehoorde nieuwigheden ingevoerd zullen worden, zonder advies en instemming van de raad, de gezworen meente en de hovelingen van de gilden.

 

 

Bronnen/referenties:
RNA Groningen, Jan van den Broek, Henk Boels en Albert Buursma (Groninger Archieven).

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 4 dec. 2009.
Verhaal: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top