De Pancratiuskerk van Godlinze gezien vanaf het zuidoosten.

 

 

De kerk begint als tufstenen gebouw omstreeks 1100 en is oorspronkelijk gewijd aan de Heilige Pancratius. Enkele decennia later wordt de kerk naar het westen verlengd. De uitbreiding in baksteen volgt in de 13e eeuw. Het vijfzijdige koor komt in de 14e eeuw. Ook de toren heeft in etappes haar vorm gekregen. Gebouwd in 1200, verhoogd in 1554 en hersteld in onder andere 1714 en 1885.

 

De gevelsteen uit 1714.

 

De spitsboogvensters komen uit de 16e eeuw. De kerk heeft prachtige schilderingen: op de meloengewelven afbeeldingen van dieren, Bijbelverhalen en heiligen met hun attributen: zoals Catharina met het rad, en Pancratius met zijn zwaard.

 

Schilderingen in de kerk.


De vermelding van ‘Godelevingi’  rond het jaar 1000 in een lijst met inkomsten uit goederen van het klooster Werden – gesticht door Liudger – is één van de eerste vermeldingen van de wierde Godlinze. Godlinze komt al rond het jaar 1000 in een lijst met inkomsten uit de landgoederen van het klooster Werden voor. Het dorp wordt dan ‘Godlevingi’ genoemd.


De kerk van het wierdedorp is hooguit honderd jaar later gebouwd; een tufstenen bouwwerk, wellicht niet veel langer dan de oostelijke travee van de tegenwoordige kerk. Kleine rondboogvensters geven schaars licht in de vlak gedekte ruimte. Verbouwingen en uitbreidingen volgen. Omstreeks 1150 is de kerk in een kleiner formaat tufsteen naar het westen verlengd. Verdere uitbreidingen in de eerste helft van de 13e eeuw zijn gemaakt van baksteen. De kerk wordt nogmaals naar het westen verlengd, verhoogd en van meloengewelven voorzien. De romano-gotische vormgeving is het best bewaard gebleven in de noordgevel, waar bij de restauratie een venster met flankerend spaarveld tevoorschijn is gekomen. Tegen de noordwand van het koor is in de eerste helft van de 15e eeuw een half vrijstaand sacramentshuis gebouwd met nissen op twee niveaus.

 

Interieur van de kerk met gewelfschilderingen.

 

Het van buiten vijfzijdig en van binnen halfronde koor zou uit de tweede helft van de 15e eeuw komen, de spitsboogvensters dateren uit de 16e eeuw. In 1865 is de toegang in de oostzijde van het koor gemaakt en wordt er een scheiding tussen het koor en schip aangebracht. Bij recente restauraties is deze scheiding vanwege historische en esthetische overwegingen gehandhaafd en zijn de in slechte staat verkerende bepleistering en een deel van de ondoelmatige steunberen verwijderd.


Kloostermoppen


Een kloostermop met daarijn de afdruk van een hand of voet.

 

De muren van de Pancratiuskerk bevatten overal groepen kloostermoppen. Dat zijn grote bakstenen, die met de hand in houten vormen zijn geduwd, gedroogd en gebakken. Rond 1200 neemt het gebruik van tufsteen af en wordt de baksteen populair. De Romeinen gebruiken beide bouwmaterialen. Misschien is de kennis van het produceren van bakstenen verloren gegaan en wordt nu weer opnieuw uitgevonden in de kloosters. Het kan ook zijn dat baksteen gewoon een tijdlang minder populair is geweest voor de bouw van kerken. In ieder geval hebben de monniken na 1100 de techniek van het stenen bakken weer opnieuw in gebruik genomen, daarom worden de bakstenen ‘kloostermoppen’ genoemd.


Een kloostermop heeft vaak dezelfde afmeting als de gehouwen tufsteen. Ze zijn dus een stuk groter dan de latere bakstenen die we ook nu nog gebruiken. Dat maakt het bouwen in eerste instantie makkelijker. Een beetje het verschil tussen Duplo en Lego. Later maakt de kloostermop plaats voor de kleinere baksteen.


Kloostermoppen zijn niet alleen in kloosters en door kloosterlingen gebakken. Veel kerken hebben hun eigen steenbakkerij op de bouwplaats gehad, zodat er zo min mogelijk gesjouwd hoeft te worden.


De stenen zijn in buitenlucht te drogen gelegd. Dat weten we, omdat in sommige stenen de pootafdruk van een hond, een schaap of een klein roofdier te zien is. Maar ook de afdrukken van kinderhandjes kun je op sommige stenen herkennen.
De scheefgezakte toren staat verdere uitbreiding van de kerk in 1200 in de weg; in 1554 is hij na gedeeltelijke afbraak opnieuw opgebouwd. De klok draagt de naam van patroonheilige Pancratius:


‘ANO DNI Mo CCCCo XXXo V o IN HONORE PANCRATII JHESUS MARIA JOH̄ES’.


Wandschilderingen


De meloenvormige gewelven zijn bedekt met schilderingen van heiligen – zoals een Madonna en Catharina – en, in een geheel andere stijl, vier vrijwel identieke heren in ‘Spaanse’ kledij. Fragmenten van de oudste beschildering uit de 13e eeuw treffen we nog aan op het koorgewelf, onder andere in de vorm van enkele dieren, die de evangelisten symboliseren. Ook het Lam Gods binnen de sluitring stamt uit deze periode.


De schilderingen zijn heel bont, je ziet imitaties van bakstenen en natuursteen, stippelwerk, lelies, klavers en schalen. Er zijn verschillende heiligen afgebeeld, waaronder de heilige Pancratius met het zwaard. Verder zien we symbolen die door metselaars zijn gebruikt: hamer, troffel en zaag.


Aan de zuidkant van het orgel zien we een portret van een dame in klokrok afgebeeld. Dat is waarschijnlijk iemand die de kerk geld heeft geschonken. We zien ook heren in ‘Spaanse’ kledij, hangend aan een lelietak. Delen van de vroegste beschildering zijn nog zichtbaar op het gewelf van het koor, het oostelijk deel van de kerk. De ring waar de gewelven van het koor samenkomen, de zogenaamde ’sluitring’, is gevuld met een schildering van het Lam Gods.

 

Afbeelding uit 1571, herontdekt in 1956. INT IAER 1571 IS / DESSE KERCKE NEIS GERE / PARERT VNDE GHESTOF / FERT BII TIDEN ALS DEN / ERBAREN ERRENTFESTE LVIRT / KLANT IONCKER VNDE HOVELINCK / TOE GODLINSE D IOANNES BVTER / IANNES IANSEN PETER ABELS KERCVOGE/DEN WEREN.

 

Een belangrijke restauratie vindt plaats in 1571, omdat de kerk dan nog net in de rooms-katholieke traditie kan worden hersteld. De opdracht hiertoe is gegeven door de eerste bisschop van Groningen, Johannes Knijff (ca. 1512-1576). De decoraties zijn aangebracht in een voor dit type kerk zeldzame renaissancestijl. Op een cartouche in het middelste schipgewelf is een tekst aangebracht, die betrekking heeft op deze restaturatie. In 1986 heeft men bij restauratiewerkzaamheden de schildering weer ontdekt met de volgende tekst:


INT IAER 1571 IS / DESSE KERCKE NEIS GERE / PARERT VNDE GHESTOF / FERT BII TIDEN ALS DEN / ERBAREN ERRENTFESTE LVIRT / KLANT IONCKER VNDE HOVELINCK / TOE GODLINSE D IOANNES BVTER / IANNES IANSEN PETER ABELS KERCVOGE/DEN WEREN


Wapens: 1. Clant. 2. Rengers. 3. Onherkenbaar. 4. Grotendeels onherkenbaar. 5. Gedeeld: I in ... een ... halve adelaar, II in ... een zwart huismerk nr. 112, vergezeld van zwarte letters P en A.
Blootgelegd tijdens restauratie 1985. Afgebeeld: GRK, 2 (1985) 129 (tijdens rest.); GRK, 3 (1986) 22; GRK, 3 (1986) 46 (geheel), 47 (wapen Peter Abels), 48 (tijdens rest.). Luirt Clant, man van Judith Rengers. Zie ook: R. Meischke, 'Het kleurenschema van de middeleeuwse kerkinterieurs van Groningen', Bulletin K.N.O.B. 65 (1966) 57-91, ald. 87-89. Niet in GDW. GRK, 3 (1986) 44-48.

 

 

Na 1100 neemt de bouw van steenhuizen voor de hoofdelingen en van kerken en kloosters enorm toe. Gewone huizen en boerderijen worden nog steeds van hout en leem gebouwd. De Pancratiuskerk is precies in deze periode verbouwd.


In het rijk versierde koorgewelf is midden in de sluitring het Lam Gods afgebeeld. Ook zijn er schilderingen van Christoffel, Patrick en Pancratius, van een vrouw met een klokrok en een man met mantel, mogelijk de schenkers van het orgel. Ook worden vier figuren hangend aan een lelietak in Spaanse kledij afgebeeld. Volgens DBNL [7] zijn op de tribune de wapens van Alberda en Berchyus aanwezig in een gesneden omlijsting.

 

Sluitring van het gewelf.

 


Tussen het voornamelijk 18e eeuwse meubilair vinden we de trots van de kerk, het orgel. Het is in 1704 gebouwd door Arp Schnitger, naar ontwerp van Allert Meijer, met snijwerk van Jan de Rijk.


Het meubilair van de kerk dateert voornamelijk uit het eind van de 18e eeuw. Zo hebben Grashuis en Buining de preekstoel en het doophek vervaardigd in 1794. Volgens een rekening uit 1794 is de preekstoel gemaakt door C. Grashuis en A. Buining voor het bedrag van f 900 [7].


Het grootste deel van de banken is in dezelfde stijl, men heeft hierbij oudere panelen gebruikt. De herenbank aan de zuidkant dateert uit de 17e eeuw, deze is voorzien van gestileerd snijwerk en een overkapping op getordeerde zuilen. Op DBNL lezen we dat de banken barokgesneden friezen hebben en opengewerkte bekroningen op de zijstukken. De herenbank aan de noordkant is een kopie uit 1921.

 

Grafzerk van pastoor Wernerus Alberti in de Pancratiuskerk in Godlinze gezien vanaf de bovenzijde (dus op de kop). Opschrift: "A [nno M] CC / CCC [X]LI ianuarii XXIII Obiit Discretus Vir Ma / gister Wernerus Al / berti Curatus in Godlinsa cuius Anima Requiescat in Pace". In het midden als wapen van de pastoor: een miskelk met een uitkomende hostie. Twee engelen dragen het schild. In een kleiner schild aan bovenzijde staat een huismerk met een roos. In de hoeken van het schild staan vier kwartieren met de symbolen van de evangelisten Mattheus, Johannes, Lucas en Marcus. Alberti zou van 1538 tot 1541 pastoor zijn geweest in de kerk, maar wordt niet vermeld in andere bronnen.

 

Zerken


In de kerk liggen nog een groot aantal (27) grafzerken van vooraanstaande burgers. Zo liggen nog een aantal 17e- en 18e-eeuwse grafzerken in het gangpad van het schip. Onder het oksaal ligt bijvoorbeeld het priesterzerk voor Wemerus Alberti (†1541) - zie afbeelding hierboven.

 

In het koor bevinden zich twee wapenstenen met de wapens Ubbena-Coenders, hier heeft zich vroeger namelijk een grafkelder voor Everdina Ubbena († 1687) bevonden:


Beschrijving van een wapensteen in het koor:


Wapens: Rechts: Ubbena. Links: Coenders. Helmteken: Een pauwestaart in twee rijen van elk vijf veren [Ubbena].

Links van en identiek aan GDW, A1319E. Waarschijnlijk ter markering van de grafkelder van Everdina Ubbena, die op 27 juni 1687 'aldaer in de kercke op 't choor des avonds begraeven' is. GRK 5 (1988) 63. Everdina Ubbena, dochter van Reint Ubbena en Johanna Coenders. NLW 84 (1967) k. 131. Hier wordt als overlijdens- en begraafjaar 1686 vermeld. Afgebeeld: GRK, 1 (1984) 97 (links). Staat niet in GDW. GRK 5 (1988) 63.

 

De toren van de Pancratiuskerk.

 


Toren


De aanzet van de kerktoren dateert nog uit die periode. De huidige romanogotische Pancratiuskerk is echter gebouwd (verbouwd) in de eerste helft van de 13e eeuw. De toren heeft oorspronkelijk een spits van steen gekend, maar deze stort in 1583 in volgens de kroniekschrijver Abel Eppens. De nieuwe opbouw krijgt na de Reductie van Groningen vervolgens een zadeldak. De toren heeft een klok uit 1435. In de toren vinden we een gedenksteen met de volgende tekst:


In tiden der erbare ende foele do/echsamighe iunffer tiake ripperda / Js desse toren nijes vermaket / Johannes büter pastor cornelis Jansen peter abels kerckvogeden 1554.

 

Wapen: Ripperda.
N.B. Wapen Ripperda: op verkort terras een geharnaste man, zwaaiend met een zwaard, op een springend paard. Tekst gecollationeerd m.b.v. foto Sietse van der Tuin, Noordwijkerhout. Later (in 1986?) beschilderd, waarbij het wapen Ripperda ten onrechte is gekleurd als: in rood op verkorte groen terras een man te paard, alles van zilver. Afgebeeld, onbeschilderd: GDW, plaat V.
GDW, blz. 105, nr. [323], waar 'IUFFER' i.p.v. 'IUNFFER' en 'BIITER' i.p.v. 'BUTER' gelezen is.


 

Het koor van de kerk. met gotische elementen.

 

De grootte van de kerk


De kerk is georiënteerd met een afwijking van ZO naar het Z.
Het gebouw bestaat uit een schip van drie traveeën, welks oostelijke travee dieper is dan de beide ongeveer vierkante westelijke, met een door vijf zijden van een onregelmatige veelhoek gevormde sluiting; en een zware toren op 75 cm. uit de zeer lichte westmuur van de kerk, die door dunne uitwendig-gecemente dichtingsmuurtjes aan de toren is verbonden.
De uitwendige lengte van kerk en toren bedraagt, in de as gemeten 39,85, de breedte van de kerk 9,50 meter.; de binnenswerkse maten zijn 29,85 en 7,45 meter. De zuid- en noordzijden van de toren meten resp. 8,98 en 7,98, zijn front 8,30 meter. Zijn opgaand muurwerk reikt 21,60 en de totale hoogte 28,48 meter vanaf de vloer. De kruin van de kerkgewelven ligt van het westen gerekend onderscheidenlijk 8,65, 8,80, 8,71 en 7,22 meter boven de (in het laatste geval 15,5 cm verhoogde koorvloer.
De bakstenen van de eerder gepleisterde kerkmuren en gewelven, voor zover waarneembaar, meet 30,5 à 32 × 8,5 à 9 cm. De toren is tot de eerste latere waterlijst van moppen, in het formaat van 30 à 31 × 8,5 à 9,2 cm, 10 lagen 1,03 meter, en daarboven van iets kleinere en dunnere steen, 28 à 29 × 6 à 6,5 cm, 10 lagen 75 cm., met zandstenen hoekblokken opgetrokken; uitwendig is hij met jongere steen hersteld [7].

 

Het orgel uit 1704 gemaakt door Arp Schnitger.

 

 

Het orgel


In de kerk staat een Arp Schnitgerorgel uit 1704. De kerk is in 1865 bepleisterd, maar bij een restauratie tussen 1984 en 1987 is deze weer verwijderd. De gewelven van de kerk zijn van de 13e tot de 16e eeuw beschilderd met religieuze motieven.
In Godlinze geeft de geschiedschrijving minder problemen dan in Eenum. Hier is zelfs het contract met Schnitger, getekend 29 januari 1704, bewaard gebleven. Het nieuwe instrument, dat een ouder orgel heeft vervangen, is geschonken door de collatoren Jan Rempt Renghers op Rengherda en Willem Alberda tot Godlinze. De laatste is een neef van Reindt Alberda van Eenum. De kas is door Allert Meijer vervaardigd, het snijwerk en de bekroningen zijn geleverd door 'Jan Rijckens'. Het bestek van Allert Meijer, gedateerd 2 januari 1704 is eveneens bewaard gebleven. Het orgel te Godlinze vormt qua grootte het 'middelpunt' van deze Groninger 'Arp Schnitger-familie'. Het bezit aanvankelijk een Hoofdwerk en een Onderpositief; de orgels van Groningen, Uithuizen en Noordbroek bezitten een Hoofdwerk, Rugpositief en drie van de vier - een vrij Pedaal; die van Mensingeweer, Eenum, Harkstede en Nieuw Scheemda zijn éénklaviersinstrumenten. In de "Opstellinge van een Niuw Orgel tot Godlinse" uit 1704 vermeldt Arp Schnitger de dispositie:

 

Manuaal

Borstwerk

Prestant 8 vt

Prestant 4 vt

Holpijp 8 vt

Gedekt (hout) 8 vt

Octaaf 4 vt

Octaaf 2 vt

Fluit 4 vt

Quint 1'/2 vt

Quint 3 vt

Scherp 3 st

Octaaf 2 vt

Vox Humana 8 vt

Fluit 2 vt

 

Sesquialter 2 St

 

Mixtuur 4-6 St

 

Trompet 8 vt

 

 

 

Opvallend is het verschil tussen de ontwerptekening van Schnitger en de weergave van de huidige situatie op een door de orgelmakers Reil vervaardigde tekening . Schnitger ontwerpt de orgelkas in een harmonische proportie tot de kerkruimte. Nu ligt de orgelgalerij echter ongeveer 60 cm hoger en is de onderkas dienovereenkomstig ingekort: zij staat als het ware tegen de Hoofdwerkkas van het orgel aangedrukt. De sporen van deze verbouwing zijn nog duidelijk aan het orgel waarneembaar: doorgezaagde en ingekorte stijlen, verzaagde regels, nieuw aangezette houtverbindingen, verwijderde consoles, enzovoorts. Aanvankelijk is verondersteld dat deze ingreep in verband moet staan met de verwijdering van het binnenwerk uit het Onderpositief en de uitbreiding van het Hoofdwerk, omstreeks 1783 door Hinsz uitgevoerd [1].


Een aanleiding tot deze verbouwing moet tevens worden gezocht in een wijziging van de ingang tot het kerkgebouw, waardoor de orgelgalerij omhoog is gebracht. Deze hypothese wordt nog versterkt door het feit dat er camouflerend snijwerk in Louis XVI-stijl is aangebracht onder de Hoofdwerkkas ter weerszijden van het Onderpositief, dit ter vervanging van de twee Schnitger-consoles. In het kerkarchief noch in het kerkgebouw zelf zijn echter aanwijzingen of sporen gevonden, die wijzen op een latere verbouwing van het kerkinterieur ter plaatse van de orgelgalerij. Daarom moet vooralsnog worden aangenomen dat de orgelgalerij al direct bij de bouw niet volgens het ontwerp van Schnitger op de aangegeven hoogte is aangebracht, doch ca. 60 cm hoger. Daardoor zien Schnitgers gezellen zich bij de plaatsing van het orgel genoodzaakt de orgelkas op de bovenomschreven wijze in te korten. Mogelijk heeft bij dit misverstand het verschil gespeeld tussen de Groningse voet (29,27 cm) en de Hamburgse voet (28,65 cm) [1].

 

De verbouwing door Hinsz


In 1786 wordt aan Frans Caspar Schnitger Jr. f 950,- uitbetaald wegens werk aan het orgel. Men kan aannemen dat dit werk in 1784 of 1785 is uitgevoerd. Volgens opgave in de dispositieverzameling van N. A. Knock uit 1788 blijkt het orgel nog slechts één klavier te bezitten:


Schnitger heeft het orgel, zoals in zijn tijd nog gebruikelijk, voorzien van een kort octaaf in de bas, waarbij de tonen Cis Dis, Fis en Gis ontbreken. Deze tonen zijn in de middentoonstemming weinig gebruikt en het weglaten betekent een aanzienlijke besparing van ruimte en (kostbare) materialen. Maar al kort na de dood van Arp Schnitger in 1719 begint men een volledig groot octaaf te verlangen, hetgeen tot vaak ingrijpende verbouwingen van orgels heeft geleid. De bestaande windladen hebben meestal geen mogelijkheid tot vergroting geboden, zodat men zich genoodzaakt heeft gezien om geheel nieuwe windladen met bijbehorende tractuur en klaviatuur te vervaardigen. Zo ook in Godlinze, waar Hinsz tevens de gelegenheid te baat heeft genomen om de klavieromvang in de discant van c3 uit te breiden tot d3.


Het Onderpositief is verwijderd en zo is het tweeklaviers instrument gereduceerd tot een éénklaviers orgel. Uit het verwijderde Onderpositief is wel enig pijpwerk overgenomen; zo zijn de frontpijpen van het Onderpositief (Prestant 4 vt) nu op het Hoofdwerk aangesloten als Prestant 16 vt discant, de Vox Humana is zelfs in zijn geheel overgeplaatst.


Verder zijn een groot aantal binnenpijpen van de Prestant 4 vt, alsmede pijpen van de Octaaf 2 vt, Quint 1 1/2 vt en Scherp uit het Onderpositief benut voor overeenkomstige registers in het Hoofdwerk, vermoedelijk ter vervanging van aangetaste en beschadigde pijpen en ook voor de klavieruitbreiding en voor enige mensuur correcties. Ook is de samenstelling van de Mixtuur en Sesquialter gewijzigd; voor de ontbrekende tonen Cis, Dis, Fis en Gis van de vergrote registers vervaardigde Hinsz nieuwe pijpen [1].


Reparaties en wijzigingen


In de 19e eeuw zijn diverse reparaties aan het orgel uitgevoerd door belangrijke orgelmakers, zoals door Freytag en Lohman o.a. in 1809, 1819, 1830, 1848 en 1860. Daarna breekt de ook voor oude orgels zo kritieke periode aan, waarin aanvankelijk vanwege totale vernieuwing of vervanging en later tengevolge van ingrijpende restauraties, die vaak moderniseringen blijken te zijn, veel waardevol historisch bestand verloren is gegaan. Ook het orgel van Godlinze ontkomt niet aan de vernieuwingsdrang uit het begin van 20e eeuw, al zijn de resultaten gelukkig minder fataal dan op vele andere plaatsen. In 1919 brengt de orgelmaker Doornbos de volgende wijzigingen aan:


De klaviatuur wordt van de achterzijde naar de zijkant van het orgel verplaatst, hetgeen een totale vernieuwing van de tractuur en een verbouwing van de orgelkas met zich meebrengt. De toetsen en de registerknoppen van Hinsz blijven hierbij bewaard. De Mixtuur wordt vervangen door een Gamba; de Sesquialter wordt verwijderd. Op het balgenhok wordt een houten Subbas 16 vt opgesteld, pneumatisch geregeerd uit de ladeboringen van de Vox Humana, die eveneens wordt verwijderd. Hiertoe worden de achterschotten uit de kas genomen. De op de orgelgalerij achter het orgel opgestelde drie spaanbalgen worden vervangen door een horizontaal opgaande balg. Het mag een wonder heten dat bij dit alles het overige pijpwerk van Schnitger en Hinsz voor ernstige ingrepen gespaard zijn gebleven. Hierdoor bezit het orgel ook door de jongste restauratie nog de fraaie karakteristieke 18e eeuwse klank [1].

 

De voorzijde van de Nederlands Hervormde pastorie van de kerk.

 

Restauratie


Omstreeks 1980 verkeren kerk en orgel in een staat van ernstig verval. Van het orgel is vooral de kas er slecht aan toe: het snijwerk brokkelt af, het lijstwerk scheurt en laat los en het front dreigt met pijpen en al voorover te vallen. In 1980 worden dan door de adviseurs Wiersma en Bolt in allerijl de grootste frontpijpen uit het orgel genomen en in veiligheid gebracht. In 1983 wordt het hele instrument gedemonteerd en overgebracht naar de werkplaats van de orgelmakers Gebr. Reil in Heerde, die het in de jaren 1985/86 restaureren. Bij de voorbereiding van deze restauratie wordt korte tijd overwogen om het orgel terug te brengen tot de tweeklaviers Schnitger-situatie uit 1704. Maar omdat hierbij belangrijke historische onderdelen uit 1785 van Hinsz, zoals pijpwerk, windlade en klavier, moeten worden prijsgegeven, wordt van een zodanige reconstructie afgezien. Zo wordt de situatie Hinsz uit 1785 hersteld door het ongedaan maken van latere wijzigingen, die in feite aantastingen zijn geweest. De klaviatuur is weer aan de achterzijde van het orgel aangebracht, waarbij de klavieromlijsting op fraaie wijze in oude trant nieuw is vervaardigd. Dit geldt eveneens voor de tractuur en de gereconstrueerde spaanbalgen, alsmede voor het in Schnitger-factuur bijgemaakte pijpwerk van de in 1919 verwijderde registers Mixtuur, Sesquialter en Vox Humana. Het in vele kleine stukjes als van een legpuzzel uiteengevallen lofwerk is hersteld en waar nodig aangevuld. De orgelkas is ontdaan van de bruine imitatie houtkleur en de ontbrekende achterpanelen en schotten zijn opnieuw aangebracht. De frontpijpen zijn hun aluminium verflaag verloren en zijn weer van tinfolie voorzien, de labia hebben nieuw bladgoud gekregen.


Het uitgangspunt voor deze restauratie is in principe gelijk aan dat van Eenum. Evenwel moet bij Godlinze meer worden geïnterpreteerd. Ook is de intonatie meer bijgewerkt dan die te Eenum, hoewel men ook hier zo weinig mogelijk aan het intonatiebeeld van voor de restauratie heeft willen wijzigen [1].


Fronttypering


Het front te Harkstede gelijkt, vanwege de daar nog aanwezige insnoerende consoles, nog het meest op de model-ontwerptekening van Arp Schnitger. Toch is ook daar, evenals te Godlinze, het Onderpositief direct onder de grote middentoren aangebracht. Dit gegeven ondersteunt de eerder genoemde hypothese met betrekking tot de mogelijke bouwtoedracht in Godlinze, waar het orgel immers negen jaar later is gebouwd. Zeker zijn ook daar insnoerende consoles aanwezig geweest. Afgezien van dit feit betreft het enige 'maar' in de frontopzet het 'hoog op de benen staan', i.c. een niet evenwichtige proportionering van onder-en bovenbouw en van de balustrade. Dit heeft ook tot gevolg dat het aanzien van het front vanuit de kerk lange tijd een groothoek-achtig effect (achteroverleunen) geeft. Midden in de ruimte staande ziet men vervolgens de te hoge en te dunne pilaren met daarop een fors meubel, dat proportioneel te hoog in de ruimte staat. Opvallend is om te zien, hoe Jan de Rijck zijn eigen ideeën omtrent snij- en beeldhouwwerk vorm heeft gegeven, in vergelijking met het snijwerk op de tekening. In Harkstede echter zijn juist wel de op de tekening afgebeelde bekroningen aangebracht. Doch ook te Harkstede vinden we, evenals te Godlinze en bij de meeste andere Schnitger-orgels, de bazuinblazende engel. Zie voor verdere aspecten van het front hierboven onder Eenum [1].


Windvoorziening


In het ruighouten balgenhuis direct achter het orgel staan, naar de maten van het contract, drie nieuwe spaanbalgen (71/2 bij 31/2 voet), inclusief balgstoel, treden en terugslagkleppen. Ook de maten van de windkanalen, welke voor een groot deel nieuw zijn, zijn teruggevonden. Daarbij is, analoog aan de methoden van Schnitger en Hinsz bij kleine(re) orgels, een hoofdkanaal aangebracht, dat slechts in geringe mate wijder is dan de overige kanalen in het orgel. Dit resulteert, in combinatie met de vrij grote 'windvraag', in een zeer sensibele windkarakteristiek, die de nodige aandacht van de speler vergt. Het instrument heeft geen tremulant [1].


Windlade, klaviatuur en mechaniek


De nieuwe register- en speelmechaniek is geheel van eiken. Evenals te Eenum zijn de uiteinden van de abstracten met touw omwonden. Enige oude wellen zijn nog in het welbord van Doombos overgenomen, zodat het nieuwe welbord weer een originele maatvoering heeft. De aanhechting van de abstracten aan de klaviatuur is op dezelfde wijze gemaakt als te Eenum. De registerknoppen zijn oud, van notenhout, en hebben weer de originele vorm: in de bewaard gebleven oude registerknoppen zijn in 1918 door Doornbos registerschildjes aangebracht. De registernamen zijn op ebbenhouten plaatjes in goudletter geschilderd (het lettertype is niet specifiek 18e eeuws), waarbij een moderne spelling is gevolgd. De toetsen, inclusief het beleg zijn van Hinsz, de bakstukken en het pedaalklavier zijn gereconstrueerd naar Hinsz-voorbeelden. Of het orgel i.v.m. het oorspronkelijk aanwezige Onderpositief een pedaal heeft gekend is niet met zekerheid te zeggen. De Hinsz-windladen (C- en Ciskant) met een zo volledig mogelijk uitgebouwde omvang (C-d3) hebben ternauwernood plaatsruimte in de eigenlijk te kleine kas. De deling moet daarbij ook nog eens eng worden genomen, zodat de pijpen soms dicht op elkaar staan, hetgeen nogal eens onderlinge beïnvloeding geeft in toonvorming en stemming. De factuur van de laden lijkt veel op die van Schnitger, de maatvoering echter is beduidend verschillend. De ventielen zijn, net als te Eenum, aan de achterzijde met leerstroken vastgelijmd [1].


Pijpwerk


Bij de verbouwing in 1785 heeft men het orgel vooral ook in praktisch economische zin aangepakt: de pijpen die om wat voor reden dan ook zijn vervangen, vindt men veelal in het Onderpositief. Hierbij heeft men niet altijd even nauw naar de strakke mensuurlijn gekeken of een even lange pijpvoet. Zo staan her en der verspreid een flink aantal pijpen van het oude Onderpositief tussen de overige. Daarnaast heeft Hinsz pijpen toegevoegd of heeft hij een aantal vervangen, bijv. in het front. De vroegere Mixtuur 4-6 sterk is gebaseerd geweest op 2/3 voet en repeteerde zeven maal. De Sesquialter is oorspronkelijk 2 sterk geweest en repeteert één maal. De huidige samenstelling van beide vulstemmen representeert geheel die van Hinsz. Met name ook hierdoor krijgt men de indruk meer met een Hinsz- dan met een Schnitger-orgel van doen te hebben.


Van de Vox Humana blijkt door  Doornbos één onderconusbekertje in de Trompet te zijn verwerkt. Dit gegeven, alsook de ladedeling geeft aan dat de mensuur van de Vox Humana dezelfde moet zijn geweest als te Uithuizen. Van dat register is dan ook een kopie vervaardigd. Op voorstel van schrijver dezes is het orgel gestemd in een mogelijke Hinsz-stemming, gebaseerd op de 'Telemannische' 1/6-komma stemming en hier, evenals de gelijkzwevende temperatuur, zeer regelmatig verdeeld over de kwintencirkel. De stemming laat zich bij het oude pijpwerk zonder aanpassingen aanbrengen [1].

 

Dispositie


De huidige dispositie is gelijk aan die van 1785 (Kock 1788), na de verbouwing door Hinsz (F.C. Schnitger Jr.).
Klavieromvang: C-d3 met volledig groot octaaf; de klaviatuur aan de achterzijde.
Aangehangen pedaal, omvang C-d1.
De aangegeven volgorde is die van het pijpwerk op de lade. De indeling op de lade is in tertsopstelling in de zijtorens (door Hinsz aan het frontschema aangepast), de middentoren en de tussenliggende discantpijpen in diatonische opstelling; v.l.n.r. (achter het orgel staande) (b=h, bes=b)
De mensuur is over het algemeen (relatief gezien) enigszins wijder dan te Eenum.
Pijplegering: ca. 9% tin. De pijpfactunr van Schnitger komt in grote lijnen overeen met die van Eenum.
Van alle oude registers zijn de pijpen voor Cis, Dis, Fis en Gis door Hinsz toegevoegd [1].

 

Avondmaalsbeker

 

De Avondmaalsbeker zal geschonken zijn door ds. Jacobus Schickhart in 1693, dit volgens de inscriptie:

 

JACOBUS SCHICKHART V.D.M. ANNO 1693 [8]


Wapens: Rechts: Een dwarsbalk, vergezeld van boven van twee rozen aan gebladerde stengels, samen komend uit de dwarsbalk [Schickhart]. Links: Een keper, beladen met drie sterren.


Wapens: Rechts: Een linkerschuinbalk, beladen met drie gebogen en van onderen puntig eindigende voorwerpen, misschien afgezaagde koeiehoorns, de zaagsnede evenwijdig met de linkerschuinbalk. Links: Een moriaanshoofd met halsdoek, doch zonder wrong.


N.B. Zilver. GMG, Groninger keur 3/C [= 1656/1657]. Wapens misschien aangebracht voor Caspar Henrick Schickhart, schout van Meppel, Colder- en Nieuveen, en Judith ter Welberch, 1676. Vergelijk: Bulletin van het rijksmuseum, 1972, blz. 102.283
GDW, blz. 282, nr. [1312]. [2]

 

De Pancratiuskerk van Godlinze voor de restauratie.


 

 

Afbeeldingen:

Alle afbeeldingen zijn onder licentie geplaatst volgens Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported.
Bron van de afbeeldingen: WP.

 

Afkortingen:

GRK. Stichting Oude Groninger Kerken
GDW. A. Pathuis, Groninger Gedenkwaardigheden. Assen 1977.

 

 

Noten en bronnen:

1. Stef Tuinstra. ‘Het Orgel’, Godlinze, april 1989.
2. Groninger Gedenkwaardigheden, A. Pathuis (1977) en Redmer Alma (2013).
3. Kerkgodlinze.nl.
4. Reliwiki.nl.
5. Rijksmonumenten.nl; Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.
6. Stichting Oude Groninger Kerken.
7. DBNL. Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren: De monumenten van geschiedenis en kunst in Oost-Groningen, erven M.D. Ozinga, 2014. Literatuur. Joosting, blz. 55. - Beantw. Vragen Comm. v. Onderwijs.  (Ms). – Van der Aa, IV (1843), blz. 593. – Kremer-Westendorp, blz. 346 – Ferré Jacobs, Voorheen en thans, blz. 80 e.v. - Vinhuizen, Kroniek, blz. 49. - Hoogenwerf, I, blz. 309/11. - Gron. Volksalm., 1893, blz. 189/190.

8. In een oude nog aanwezig Bijbel schrijft ds. Jacobus Schickhart o.a. het volgende: 'Eyndelyck ben ik, Jacobus Schickhart, in syn plaetze wettelyck beroepen. Dit alles volgens relaes van moey Bieuwke, eene vrouwe in dese gemeynte, van over de tnegentigh jaren, die alle die praedicanten gesien en gekent heeft, verhalende mede dat het recht van versegelen ende vonderschouwen ten tyde Sibrandi noch by die geestelyckheyt zy geweest.' In het ledematenregister lezen we: 'Anno 1682 den 18. Junii is in tot predickant en Herder der Gemeijnte Jesu Chr… tot Godlinse bevestight Jacob Schickhart, doende de bevestigh-predicatie D. Bottichin... praedicant tot Bierum (uijt 1. Thess.5.14) de hant geevende D. Schenkius predicant tot Leermens. En is voorts des naedemiddaghs daer op van D. Schickhart gepredickt, uijt 1. Cor. 9. vers 17'.

 

 


Deze pagina maakt deel uit van de website www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 23 november 2019
Samenstelling: © Harm Hillinga
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top