Over Marum

 

Het dorp Marum ligt in Vredewold een landschap in het Zuidelijk Wersterkwartier. In het Zuidelijk Westerkwartier, dat bestaat uit de beide landschappen Vredewold en Langewold, liggen een viertal ongeveer parallel van zuidwest naar noordoost verlopende, vrij vlakke zandruggen die door veen van elkaar zijn gescheiden. Op de zuidelijkste rug ligt het dorp Marum. Het tamelijk geïsoleerd gelegen landschap Vredewold bestond grotendeels uit ontoegankelijk hoogveenmoeras en raakte waarschijnlijk pas bewoond in de Merovingisch-Karolingische tijd. Het ontbreken van opgravingensvonsten van vóór de achtste eeuw versterken deze veronderstelling. Marum is het oudste dorp op deze zandrug.

 

Op oude kaarten wijst de onregelmatige blokverkaveling of blokpercelering op eeuwenoud gebruik van deze gronden. De blokverkaveling was mogelijk omdat de zandrug op deze plaats een aanzienlijke breedte had. De kolonisten van dit gebied stammen uit de omgeving van Roden in het noorden van Drenthe. Er was in Merovingische tijd maar één begaanbare pas door het veen vanuit het zuiden die toegang gaf tot het Zuidelijk Westerkwartier. Deze pas ligt op de plaats waar nu Leek ligt. De kolonisten trokken via de smalle zandrug naar het westen en vestigden zich op een plaats waar de rug breder was. Latere dorpen kennen de opstrekkende percelering.

 

De betekenis van Marum is heem (-um) aan het water (mar), in dit geval het Oude Diep. De kerk staat in Marum-West, het oudste deel van het tegenwoordige dorp. Het gebouw, één van de oudste bakstenen kerken in Groningen, bestaat uit een westtoren en een vrij kort schip met een inspringend koor. De absidiale sluiting is iets smaller dan het koor. Het muurwerk van zowel kerk als toren is uitgevoerd als kistwerk. Bij deze methode gaat men als volg te werk; men metselt een buiten- en binnenmuur en vult de tussenruimte op met brokken steen, keien en mortel. Vlakbij de kerk ligt de zogenaamde 'bult van Marum'.

 

De kerk van Marum. Bron: Wikepedia.

 

Bouwgeschiedenis

 

Het oudste gedeelte is het koor dat stamt uit de tweede helft van de 12e eeuw. Het is aannemelijk dat het koor een aantal jaren als een vrijstaand gebouw op het kerkhof heeft gestaan. De absis is vijfzijdig gesloten. Duidelijk zichtbaar is dat de sluitingsmuren naar boven smaller uitlopen, dit om de druk van het halfrond koepelgewelf beter te kunnen verwerken. Op de hoeken van de absis zijn stenen gemetseld die niet zijn behakt maar speciaal voor dit doel in natte klei zijn gevormd en daarna gebakken. Een van de weinige versieringen aan de kerk is een deel van een muizentandfries aan de koorsluiting. In de zuidmuur bevindt zich een dichtgemetselde rondbogige priesteringang waarvan de boog rust op een latei van rode zandsteen. Van de romaanse vensters in het koor is slechts in de noordelijke muur een rondbogig exemplaar in dichtgemetselde toestand bewaard gebleven. De opening is erg klein, slecht 25 cm breed en 75 cm hoog. In de schuine dagkanten van dit venstertje zijn speciale rombische stenen gemetseld. Deze stenen hebben de vorm van een parallellogram. Oorspronkelijk zaten in de koorsluiting geen vensters. In de 16e eeuw was er kennelijk behoefte aan meer licht en is er in het meest zuidelijk muurvlak van de koorsluiting een laag venster ingebroken dat naderhand is dichtgemetseld. De grote rondbogige vensters in het noordoostelijke en zuidoostelijke muurvlak van de sluiting zijn later ingebroken, vermoedelijk in 1770. Ook de beide vensters in de noord- en in de zuidgevel van het koor stammen van dezelfde grondige renovatie.
Voor de restauratie in 1963 was er in bij het oostelijk venster in de zuidgevel een rest van eenzelfde klein Romaans venster te zien als in de noordmuur. Deze is echter bij de restauratie niet als zodanig onderkend en weggerestaureerd.

 

De kerk van Marum uit het oosten, met daarvoor de oude begraafplaatst. Bron: Wikipedia.

 

Het lijkt aannemelijk dat er ter plekke van het westelijk venster in het koor een soortgelijk venster heeft gezeten.

Het schip, iets jonger dan het koor, stamt uit de eerste kwart van de 13e eeuw. De beide lange gevels zijn voor een deel om de koormuren heen gemetseld. Zowel de noord- als de zuidgevel had oorspronkelijk een ingang. Het noordelijke portaal is echter dichtgemetseld en voor een deel verborgen achter een steunbeer. Na een restauratie is er van deze ingang weinig oorspronkelijks meer te zien. Tegenwoordig geeft alleen het zuidelijk portaal toegang tot de kerk. De opening is rondbogig en omgeven door een rondstaaf. Boven de boog zit een halfsteens rollaag en een rij in gebogen vorm gebakken stenen. De beide rondboogvensters in de noord- en in de zuidmuur stammen van dezelfde renovatie als de grote koorvensters. Om het verder verzakken van de muren te voorkomen werd er in de tweede helft van de 18e eeuw aan de noord- en zuidzijde van het schip een steunbeer gemetseld.

Een dichtgemetseld venster in de noordmuur. Bron: Wikipedia

De toren stamt uit dezelfde tijd als het schip; de eerste kwart van de 13e eeuw. De romp bestaat uit twee geledingen en is vrijwel onversierd. De oostmuur van de toren vormt samen met de vleugelmuren de westgevel van het schip. De muren die aan de noord- en zuidzijde naast de toren de westgevel vormen worden vleugelmuren genoemd. Door verzakking helt de toren ongeveer 20 cm naar het noordwesten over.

 

De afmetingen zijn binnenwerks van oost naar west 2,23 m. en van noord naar zuid 2,75 m. Het rechthoekige grondvlak van de toren, met de lengte van noord naar zuid, wijst op een zadeldak dwars op de lengterichting van het schip. Een voorbeeld van deze situatie is de kerk van Oostum.

 

Omdat er een nieuwe kap op de kerk werd geplaatst die steiler en hoger was, werd de toren verhoogd en de galmgaten hoger aangebracht. In de oostelijke torenmuur is nog vaag de moet van het steile dak zichtbaar. Vanwege de verzakking van de toren werden de gevels bij de ophoging gecorrigeerd. Toen zal ook de torenspits zijn veranderd. Dat gebeurde in de loop van de eeuwen een aantal keren. Een tekening uit 1672 in het Gemeentearchief van Groningen toont een ingesnoerde naaldspits. In het Aardrijkskundig Woordenboek van Van der Aa staat: "Tot aan 1770, was de toren, ter hoogte van 100 voeten, geheel van steen tot aan boven toe gebouwd en met eene spits voorzien." Schildwolde en Onstwedde hebben nog steeds een van steen gemetselde spits. De smeedijzeren muurankers met het jaartal 1696 in de zuidgevel van de toren, staan wellicht in verband met de bouw van de gemetselde spits. Deze spits heeft dan een korte levensduur gehad wat niet verwonderlijk is door de kans op inwateren in de hellende voegen.

 

Toren

 

De huidige spits werd pas in 1925 op de toren geplaatst nadat de vorige door blikseminslag was beschadigd. De muren van de toren zijn beneden 1.11 meter dik maar door het naar boven smaller worden en enkele versnijdingen zijn ze bij de galmgaten nog slechts 0,84 meter. In de westgevel bevindt zicht een dichtgemetseld rondbogig portaal. Opmerkelijk is dat deze ingang origineel is en niet naderhand ingebroken. Smalle rechthoekige spleetvensters zijn aangebracht in de noord-, west en zuidgevel. Op 13 meter hoogte heeft elke gevel een rondbogig galmgat. Het fragment van een zaagtandfries boven het oostelijk galmgat is vermoedelijk een overblijfsel van de oorspronkelijke daklijst. Zowel het schip als de toren hebben een plint. Opmerkelijk is dat deze plint nog zichtbaar is wat duidt op het feit dat het kerkhof in de loop van de eeuwen nauwelijks is opgehoogd. De totale lengte van de kerk plus toren is iets meer dan 20 meter. Het schip en het koor zijn binnnenwerks beide vrijwel even lang, iets minder dan 8 meter.

 

Interieur naar het oosten, met links de herenbank en achteraan in het midden de preekstoel. Bron: Wikipedia.

 

Het interieur

 

In het verleden was het koor ongetwijfeld gescheiden van het schip door een triomfboog, deze is echter verdwenen. Wel is duidelijk zichtbaar waar het schip in het koor overgaat door een verspringing van het muurwerk. Ook de absis spring iets naar binnen ten opzichte van het koor. Hoewel het koor aan de buitenzijde vijfzijdig gesloten is, was deze aan de binnenzijde oorspronkelijk tot ongeveer halve muurhoogte halfrond. Hierdoor ontstond de basis waarop het halfrond koepelgewelf rustte, zoals nog steeds te zien is in de kerk van Doezum. In de zuidmuur bevindt zich de dicht gemetselde ingang. Een naderhand ingehakte nis voor het bewaren van het Hl. Sacrament, zit verscholen achter de herenbank. Omdat de muren binnen van een pleisterlaag en een lambrizering zijn voorzien zijn verder geen details te ontdekken. Wellicht dat bij een komende restauratie meer interessante zaken aan het licht komen. Zowel schip als koor hebben een houten zoldering die rust op eiken balken. Bij een aantal balken heeft men bij de restauratie in 1963 sleutelstukken aangebracht omdat de uiteinden van de balken vermolmd waren. Voor zover bekend zijn het schip en het rechthoekig gedeelte van het koor nooit overwelfd geweest. De vloer loopt schuin af naar de koorsluiting. De ingang naar de toren bevindt zich achter het orgel. De rondboog van deze opening rust op impostlijsten. Dat is de profilering van een muur op de hoogte waar de boog begint, een soort lijstkapiteel.

 

Het orgel in de kerk van Marum. Bron: Wikipedia.

 

De inventaris

 

De preekstoel is door D. Duursma uit Drachten in 1826 vervaardigd. Op de hoeken van de zeszijdige kuip staan rechthoekige halfzuiltjes met kapitelen voorzien van een bladversiering. Daartussen zijn onversierde rechthoekige panelen aangebracht. Het forse klankbord en het ruggenschot stammen uit dezelfde periode. Op de kuip staat een dubbele kaarshouder uit de periode rond 1800.

 

Tot 1939 heeft de gemeente een harmonium gebruikt dat in het begin van de 20e eeuw door ds. de Graaf is geschonken. Het huidige orgel heeft een bewogen geschiedenis achter de rug. Het instrument is in 1658 gebouwd door Johann Reimschmitt uit Breda voor de Hervormde kerk van Ginneken vlak bij Breda. Reimschmitt stamt oorspronkelijk uit Silezië maar ontvlucht tijdens de Dertigjarige Oorlog zijn thuisland. In het begin van de 18e eeuw (1708) voegt Jacobus Zeemans een vrij pedaal toe aan het orgel. In 1890 bouwt J. van Gelder uit Leiden een nieuw orgel in een deel van de oude kas. Dit Van Gelder-orgel wordt in 1939 voor  ƒ 640,- verkocht aan de Hervormde Gemeente van Marum. Het instrument wordt grondig gerestaureerd en geplaatst op een laag podium door de firma Valckx en van Kouteren & Co voor een bedrag van ƒ 1035,-

 

Tegen de noordwand staat een herengestoelte bestaande uit een blok van twee achter elkaar geplaatste en van zijdeuren voorziene banken. Het rugschot op de achterste bank wordt bekroond door een gesneden opzetstuk. Twee omziende leeuwen houden een gekroond wapen vast. Het wapen is van Carel Ferdinand von Inn- und Kniphausen. Carel Feridinand woonde op Carelsveld in Midwolde. Hij was van 1714 tot 1717 Heer van Nienoord en Vredewold. Achter deze herenbank gaat nog een ingehakte nis schuil, alwaar het Heilig Sacrament bewaard werd. Aan weerszijde van de voorste bank zitten twee kleine gesneden hoekvullingen. De herenbank stamt uit de periode rond 1700.

 

Tot 1963 bezat de kerk een aantal eenvoudige banken uit eind van de 18e eeuw. Het is erg jammer dat deze door stoelen zijn vervangen. De doopstander is gemaakt van koud smeedwerk en stamt nog uit de 17e eeuw. De messing schaal is jonger. Verder bezit de kerk een koperen kroonluchter uit het begin van de 19e eeuw. Het is een tweemaal zeslichts luchter.

 

Tot slot over de problemen van een aantal predikanten in het midden van de 17e eeuw. Op 26 november 1655 gaan de predikanten J. Staal uit Nuis, A. Groenou uit Lettelbert, A. Knijphuisen uit Marum en Ph. Knopaeus uit Niebert op reis als classicale commissie. Ze belanden tegen de avond in de herberg "tot Brandt Hoeckhuis" in Zuidhorn waar ze ook de predikant Smalzius ontmoeten. Dan staat in de oude kroniek: "Ze continueerden tot laat in de nacht bij den dronck, en vervielen tot gekijf en vuistslagen". 

Dominee Staal is blijkbaar de belhamel van het stel geweest want hij wordt voor een half jaar gesuspendeerd en moet een boete van 2 dukaten betalen voor de armen van Zuidhorn.

Doninee Knijphuisen wordt voor 3 maanden gesuspendeerd van alle classicale commissies en moet een zilveren dukaat betalen aan de diaconie van Zuidhorn.

 

 

Literatuur en bronnen:
Publikatie van de SOGK band III, blz. 145: Het Groninger orgelbezit van de reformatie tot de romantiek II; Frans Talstra.

De Gereformeerde kerk in de Ommelanden tussen Eems en Lauwers (1595-1796); G.A. Wumkes.

Voorlopige lijst der Nederlandsche monumenten van geschiedenis en kunst, deel XI, de provincie Groningen.

Groninger Kerken. Tiende jaargang nr. 4.
Stichting neemt kerken van Marum en Warffum over. Groninger Kerken. 12e jaargang nr. 2.
Leven en werk van Jan de Rijk, beeldhouwer, deel 2; Freerk J. Veldman.

Westerkwartier, langs putto en pingo; Ada van Deijk en Karel Vlak.

Historie van Groningen: Red. dr. W.J. Formsma.

De kern-kolonisatie van zuidelijk Westerkwartier; G. Overdiep.


Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 28 mei 2018.
Tekst: Harm Hofman, december 1996.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top