De kerk van Meeden. Foto: Wikipedia.

Geschiedenis.

Meeden is een dorp dat ligt in het Wold-Oldambt. Het lag oorspronkelijk in een veengebied dat door de inbraken van de Dollard met een kleipakket werd bedekt. Dit gebied werd relatief laat geoccupeerd. De oudste sporen die tot nu toe zijn aangetroffen stammen uit de 12e eeuw. Het gaat hier dan onder meer om de verdwenen kerk in Midwolda. Relatief laat omdat in het noorden van Noord-Holland het veen al in de vroege 9e eeuw bewoond werd. Dus een drie eeuwen eerder. De deskundigen vermoeden dat de ontginners van het Wold-Oldambt uit het gebied rond Wagenborgen en Meedhuizen kwamen.

 

Tegenwoordig neemt men aan dat het oude dorp Meeden is gesticht vanuit Zuidbroek en pas in de late middeleeuwen zelfstandig is geworden. Meeden betekent zoveel als madelanden, dat zijn weidelanden. Argumenten voor de stichting vanuit Zuidbroek zijn dat Zuid- en Noordbroek samen met Meeden één rechtstoel vormde. Verder dat op het gewelf van kerk in Zuidbroek een wijdingstekst staat waarin de vicarius van Meeden wordt genoemd. De geestelijke verzorging werd in die tijd kennelijk nog vanuit Zuidbroek geregeld door een priesterlijke helper.

 

Avermiedum.

In de oudste akten wordt gesproken over Medum en Miedum. In een akte uit de eerste helft van de 15e eeuw, waarin een verbond wordt gesloten tussen de kerspelen van het Oldambt en de stad Groningen, komt zowel de naam Miedum als Avermiedum voor. Om de naam Avermiedum te verklaren moet u het volgende weten. Om de drassige veengebieden in cultuur te brengen hebben de bewoners gezorgd voor de afvoer van het overtollige water. Hierdoor ging het veen inklinken wat een daling van het maaiveld tot gevolg had. Grond- en veenwater en het water uit o.a. het Bourtanger Moor en de rivier de Eems kon dit gebied binnendringen. En natuurlijk was daar altijd de dreiging vanuit het noordoosten van de Dollard. De bewoners poogden doormiddel van natuurlijke en kunstmatige waterlopen en het plaatsen van dammen het veenwater tegen te houden. Men kon dan in de zomermaanden toch het land bewerken en oogsten. In de herfst- en wintermaanden had het water vrij spel. Vanwege de overlast van water kwam er een proces van dorpsverplaatsing op gang. Het oude dorp Meeden lag oorspronkelijk ongeveer één kilometer noordelijker. De naam Avermiedum geeft aan dat het om een buurtschap gaat dat buiten het oorspronkelijke dorp Miedum lag. Avermiedum = Overmiedum = Buitenmiedum. De nieuwe woonplaats werd buiten het oorspronkelijk dorp verder naar het zuiden op een keileemrug gesticht waar men geen last had van het water. Deze rug loopt door via Westerlee, Heiligerlee, Winschoten  en Beerta tot aan Finsterwolde. In de eerste helft van de 15e eeuw is het dorp Avermiedum inmiddels zo groot geworden dat het naast het moederdorp Miedum apart in de akte wordt vermeld. Het proces van dorpsverplaatsing zal zich in het begin, in de 14e en 15e eeuw, langzaam hebben voltrokken maar omstreeks het jaar 1500 moest men definitief het hoger gelegen land opzoeken omdat de Dollard verder doorbrak en het land overspoelde. Het oude dorp Meeden verdween en de toevoeging "Aver" voor het nieuwe dorp werd overbodig.

 

De Dollard.

Toen de Dollard zijn grootste uitleg had liep deze van Woldendorp via Zuidbroek - Meeden - Oostwold naar Finsterwolde met uitlopers tot aan Groningen. In een register uit de 15e eeuw wordt vermeld dat er 21 parochies in de Dollard zijn ondergegaan. Torum, Palmar, Ooster- en Westerreide zijn een paar namen van deze verdronken dorpen. Van Torum wordt verteld dat de stad zijn eigen munten sloeg en een belangrijke markt had. In oude verhalen wordt verteld dat er in de muren acht goudsmeden hun bedrijf hadden. Volgens een legende waren de inwoners echter zo hoogmoedig dat de stad als straf met zijn inwoners is ondergegaan in de Dollard. Dit verhaal zal in de loop van de eeuwen ongetwijfeld aangedikt zijn maar het geeft wel aan dat in dit gebied voor die tijd behoorlijk grote en welvarende dorpen lagen.

 

Verder is er een overlevering van een rijke boer, Tidde Winninga, deze wilde niet eerder dijken voordat het water speerhoog over het land liep. De “hemelse gerechtigheid” zorgde er voor dat hij arm werd en verder moest leven van aalmoezen van het klooster Palmar, dat later ook in de Dollard is verdronken.

 

Naast Meeden zijn o.a. ook de dorpen Midwolda en Scheemda verplaatst naar drogere gebieden. Dat het oude spreekwoord "Wel nait wil dieken, mout wieken" nog steeds opgaat hebben we de afgelopen winter rond de grote rivieren gezien.
Vanaf de tweede helft van de 16e eeuw werd er een begin gemaakt met het dijkherstel en in de loop van de daarop volgende eeuwen werd de Dollard terug gedrongen. Het oude veengebied was nu echter bedekt met een pakket klei. En hier tussen de nieuwe kleigronden in het noorden en het oude veengebied in het zuiden ligt Meeden.

 

De stad Groningen.

Zo vanaf de 15e eeuw kreeg de stad Groningen in het Oldambt langzamerhand steeds meer macht, wat niet zonder slag of stoot ging. Hoofdelingen als de Gockinga's uit Zuidbroek en de Houwerda's uit Termunten, maar ook de eigenerfde boeren hebben zich verzet tegen de toenemende macht van de stad. Tot de komst van de Fransen, aan het eind van de 18e eeuw, heeft de stad Groningen het hier voor het zeggen gehad. In één van de resoluties die de regering van de stad Groningen naar de kerkbestuurders in Meeden heeft gestuurd gaat het over de introductie van de Statenbijbel in maart 1638 en in een andere resolutie uit 1666 staat dat “'t Wandelen in de Kerken gedurende 't voorlezen en zingen verboden” is.

 

De toren van Meeden. Foto: Wikipedia.

Exterieur.

Het kerkgebouw stamt uit de late gotiek. Uit die zelfde periode stammen o.a. ook de kerken in Middelstum, Onstwedde en Bellingwolde. Het gebouw is bijna 25 meter lang en 9½ meter breed met muren van tachtig centimeter dik. Bij een restauratie in 1934 hebben ze het jaartal 1482 gevonden wat dan ook als stichtingsjaar wordt aangenomen. De rechtgesloten zaalkerk heeft vijf traveeën, die worden gemarkeerd door tweemaal versneden steunberen. De steunberen aan de lange zijden van het gebouw zijn vernieuwd in een kleinere steensoort. Als enige versiering aan het gebouw is een zaagtandfries onder de dakrand aangebracht. Het is waarschijnlijk dat het gebouw niet veel veranderd is want in het metselwerk zijn weinig sporen van wijzigingen aanwezig. Opvallend is dat de vijf spitsboogvensters in de noordgevel smaller zijn dan de vier vensters in de zuidgevel. De stenen traceringen (versiering in een gotisch venster) in de vensters zijn in de loop van de eeuwen verdwenen. In de oostgevel is het oude venster dichtgemetseld. Boven in de gevel is een rond venster aangebracht. De steunberen op de hoeken zijn in hetzelfde verband en met dezelfde stenen gemetseld en zullen nog origineel zijn. Hetzelfde geldt voor de steunberen aan de westzijde. Het venster is hier voor de helft dicht gemetseld. In de 19e eeuw werd er aan de zuidzijde een toegangsportaal gebouwd met een classicistische omlijsting. Om het vocht te weren werd in deze eeuw een hoge plint van donkere harde machinale steen rond de kerk gemetseld.

 

Interieur.

Voordat we de kerk binnengaan lopen we over een altaarmensa die als stoepsteen bij het ingangsportaal ligt. In de kerk zien we een gedrukte houten tongewelf op een kooflijst. Het tongewelf rust op sleutelstukken die op de afgeschuinde kanten zijn versierd met plantenmotieven. Op het gewelf zijn sterren geschilderd.

 

Het orgel in de kerk van Meeden. Foto: Wikpedia.

Het orgel.

Het inwendige van de kerk valt op door de twee galerijen. De tekst op de westelijke galerij kan aanleiding geven tot enige verwarring omdat hier melding van een orgel wordt gemaakt die op de oostelijke galerij staat. De tekst luid:

 

Dit orgel is ter eeren Godes gemaakt, ten tijden als Ds Wesselius Knock pastor, Tiddo Syerts en  Toncko Ayalts kerkvoogden deses carspels  waren, door A.A. Hinz Anno 1751.

 

In het midden van de 17e eeuw (1645) heeft Joest Syborch uit Göttingen een orgel voor deze kerk gebouwd. Dat orgel werd in 1751 geheel verbouwd door Albertus Antoni Hinsz. Hinsz maakte gebruik van het pijpwerk van het oude instrument. Hij kreeg als vergoeding voor de werkzaamheden een bedrag van 751 gulden en timmerman Van Buizen ontving 250 gulden voor de bouw van de orgelkast. Dus voor een dikke ƒ1000,-- een compleet orgel. Meer dan twintig jaar heeft Hinsz het orgel jaarlijks een onderhoudsbeurt gegeven voor een bedrag van 10 gulden per jaar. In 1818 werd het orgel door Nicolaus Albertus Lohman verplaatst naar de oostelijke galerij. Aan weerszijden van de kast zijn vleugelstukken met gesneden engelen aangebracht. In het midden bevindt zich een opzetstuk met muziekinstrumenten en een muziekblad. Het geheel rust op een paar forse houten pijlers met een vierkante basis.

 

De preekstoel van klankbord in de kerk van Meeden. Foto: Wikipedia.

De preekstoel.

Er werd in 1801 een nieuwe preekstoel besteld bij de kistenmaker Berend Bekenkamp uit Groningen. Deze ontving hiervoor een bedrag van 870 Caroli guldens. In een aantal publikaties wordt Eexta genoemd als de woonplaats van Bekenkamp maar dit is niet juist. Het misverstand is in de wereld gekomen omdat de kerkvoogdij een aannemer uit Eexta de opdracht gaf de oude preekstoel, die los van de muur kwam, opnieuw vast te zetten. De oude preekstoel kon dan nog dienst doen tot de nieuwe door Bekenkamp werd opgeleverd. De aannemer uit Eexta kwam met een knecht naar Meeden maar in plaats van de preekstoel te repareren ging hij naar de kroeg. De kerkvoogdij kreeg echter wel een rekening gepresenteerd. Om dit recht te zetten zijn vertegenwoordigers van de kerkvoogdij verschillende malen naar Eexta geweest. Het is uiteindelijk zelf op een proces uitgelopen. Omdat de kerkvoogden een aantal keren naar Eexta zijn geweest in de periode dat de preekstoel was besteld en dit in de archieven is opgetekend is het misverstand ontstaan en werd Berend Bekenkamp geplaatst in Eexta.
Wanneer we het houtsnijwerk van de preekstoel hier in Meeden vergelijken met dat van de preekstoel in Huizinge is het aannemelijk dat dezelfde beeldhouwer het houtsnijwerk heeft geleverd. Nu is bekend dat in Huizinge Mattaeus Walles uit Groningen hiervoor zorgde, daarom kunnen we wel aannemen dat dezelfde Walles ook hier verantwoordelijk is voor het houtsnijwerk.

 

Op de panelen van de kuip zijn allegorische vrouwenfiguren afgebeeld. Op de deur zien we "standvastigheid" met een zuil en de Heilige Schrift, vervolgens "liefde", "waakzaamheid" met een kraanvogel als symbool, "hoop" met het anker en "de hoorn des overvloeds". Boven aan de kuip ziet u een tandlijst en een eierlijst. Dezelfde versiering vinden we ook terug op het klankbord. Verder zien we op de hoeken van de uitbuiking acanthusbladeren en daartussen hulst wat vrijwel niet op een preekstoel voorkomt. Onder de kuip zitten korbelen versiert met acanthusmotieven. Het geheel wordt afgesloten door een druiventros. Bijzonder fraai is de leuning met zijn getorste zuilen die naar onderen verjongen (dunner worden) en boven een bladmotief hebben. Aan het eind van de leuning ook weer houtsnijwerk met acanthusmotieven.

Diversen.

 

In de kerk staan eenvoudige banken met knopversiering. Op de grond liggen gesmoorde plavuizen.
Verder bezit de kerk nog een koperen doopbekken uit 1719 met de naamletters B.H. voor Berent Harms en L.T. voor Luitjen Tonnis die in die tijd kerkvoogden waren en dit doopbekken vermoedelijk hebben geschonken. Op de koperen collectebus uit 1771 treffen we de naamletters aan van Ayolt Tonkes en Tiddo Sierts eveneens kerkvoogden, hun namen lezen we ook op de voormalige orgelgalerij.

 

De toren.

De bijna twintig meter hoge toren bevindt zich vrij ver ten zuidwesten van de kerk. Het bijzonder interessante gebouw meet een kleine acht meter in het vierkant en is iets later gebouwd dan de kerk, zo rond 1500. Aan het begin van deze eeuw is het kleine open spitsje weggebroken en zijn de sluitgevels van het zadeldak vernieuwd. De muren zijn plm. 1.40 mtr dik. Een holle waterlijst verdeelt de onversierde romp in twee geledingen. In de bovenste geleding bevinden zich de galmgaten. Binnen in de toren zitten op de begane grond een groot aantal nisjes met kepervormige bogen. Mogelijk heeft deze ruimte een liturgische functie gehad en waren de nisjes voor het plaatsen van kaarsen. In de zuidmuur bevindt zich een haardplaats. Het gewelf is bij de laatste restauratie gereconstrueerd. De verdieping was en is nog steeds alleen via een buitentrap toegankelijk. De ruimte zal ongetwijfeld als toevluchtsoord zijn gebruikt vanwege zijn verdedigbaar karakter. Op de verdieping bevindt zich in de zuidmuur een grote spitsbogige nis met een kraalprofiel, die als haardplaats dienst heeft gedaan. In de zuid- en noordmuur zijn kloostervensters aangebracht, het venster aan de westzijde is dichtgemetseld. In de oostmuur zitten een paar smalle raamspeten. De klokkestoel is geschikt voor drie luidklokken. In het archief wordt vermeld dat er in 1651 370 gulden werd betaald aan een klokgieter. Wat er met deze klok is gebeurd is niet bekend. Titie Goossens goot twee klokken in het begin van de 18e eeuw (1714 en 1716). Claudius Fremy goot de derde klok een zeventig jaar later (1784). De tweede klok van Goossens, die in de dakruiter op de toren hing, werd aan het begin van deze eeuw (1917) overgebracht naar de toren van de toenmalige openbare school. In de tweede wereldoorlog zijn de twee overgebleven klokken verdwenen. Na de oorlog is in het midden van de klokkestoel een nieuwe luidklok opgehangen. Aan het einde van de 18e eeuw worden de kerkvoogden door de stad Groningen gelast een klokluider aan te stellen

 

"die bij versterf van een oude doode 's morgens te 8 uur 2 pozen de klok zal luiden; en bij de begrafenis ad idem genietende daarvoor van 't sterfhuis 9 stuivers waarvan 2 voor de kerk en 7 voor hem zijn; van een jonge doode 6 stuivers 2 voor de kerk en 4 voor hem; voorts de klok moeten luiden op verjaardagen van Z. en H. Hoogheden en verlossing van Groningen, 's morgens van 8 - 9, van 12 - 1, 5 - 6 uur."

 

Het kerkhof

Tot slot wil ik u wijzen op een van de belangrijkste kerkhoven van Groningen. Op het kerkhof kunt u een hele serie prachtige grafzerken uit de 17e en 18e eeuw vinden. Vele generaties hebben hun doden hier begraven en ieder heeft op zijn eigen manier en mogelijkheden een gedenkteken achtergelaten. Hele rijen zerken van één familie compleet met wapens naast elkaar geplaatst omgeven door een hek, hele eenvoudige rechtopstaande grafpalen en zelf het graf van een kunstenaar ontbreekt niet op het kerkhof. Helaas ontbreekt het geld voor een grondige opknapbeurt. Nu worden een groot aantal zerken door weer en wind en andere invloeden meer of minder onherstelbaar beschadigd. Het zou prachtig zijn wanneer het tot de diverse overheden door zou dringen dat op deze manier een belangrijk stuk cultuur definitief verloren gaat.  Wellicht kan er net als momenteel in Scharmer een regeling worden getroffen om de zerken te restaureren.

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.

 

Hoogeveen, 23 juni 2017.

Tekst: naar een lezing door Harm Hofman, Middelstum, jaren '90.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.

Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top