'Ol Kerke'

Het dorp Midwolda lag oorspronkelijk ongeveer twee kilometer noordelijker in een veengebied dat door de inbraken van de Dollard in de 15e en 16e eeuw met een kleipakket werd bedekt. De oudste sporen die tot nu toe zijn aangetroffen stammen uit de twaalfde eeuw. De deskundigen vermoeden dat de ontginners van dit gebied zo rond het jaar 1000 uit het noorden zich in dit gebied vestigden. In het oorspronkelijk dorp Midwolda stond een dikke drie eeuwen geleden nog een grote romaanse kruisbasiliek, de oude gemeenschappelijke kerk van Midwolda en Midwolder Hamrik, het latere Nieuwolda. In 1994 zijn er opgravingen gedaan door het Biologisch Archeologisch Instituut van de Rijksuniversiteit te Groningen op het restant van de vroegere kerkhof naast de boerderij met de naam "Ol Kerke" aan de Kerkelaan richting Nieuwolda. Onderzoek gaf aan dat het gebouw, met een lengte van 63 meter, zelfs groter was dan de romaanse Martinikerk in Groningen, de voorganger van de huidige kerk. Het aan Johannes de Doper gewijde gebouw stamde uit de twaalfde eeuw en had vier torens. Twee aan de westzijde van de kerk en twee op de hoeken van het transept en het koor. De Oostfriese geschiedschrijver Eggerik Beninga vertelt dat de torens tot de spits van steen waren opgemetseld en Ubbo Emmius schrijft (1546) dat de kerk opvalt door haar vier torens. Het is goed mogelijk dat beide geschiedschrijvers de kerk in werkelijkheid hebben gezien. Volgens een overlevering zouden deze torens in het begin van de vijftiende eeuw (1413) zijn gesticht door Rinske Abdena, de dochter van de proost van Emden, Hiske Abdena. Rinske was getrouwd met Hayo Addinga, burchtheer van Wedde. Het is niet bekend waarom Rinske uit Wedde in Midwolda deze torens stichtte. Het lijkt ook onmogelijk want op het zegel van het Oldambt, aan een oorkonde uit het midden van de 14e eeuw (1347), staat de kerk van Midwolda al afgebeeld met vier torens. Ook op een 18e eeuwse koperen bus van het Termunterzijlvest staat een kerk met vier torens als het wapen van het Oldambt.

 

Verplaatsing van het dorp

Ubbo Emmius schrijft in het midden van de zestiende eeuw dat het eens zeer bloeiende Midwolda door herhaalde overstromingen haast verlaten is. Deze overstromingen waren deels door de bewoners zelf veroorzaakt met het in cultuur brengen van de drassige veengebieden. Om het land te kunnen bewerken moest men zorgden voor afvoer van het overtollige water. Hierdoor ging het veen inklinken wat een daling van het maaiveld tot gevolg had. Grond- en veenwater en het water uit o.a. het Bourtanger Moor en de rivier de Eems kon dit gebied binnendringen. Ook de Dollard rukte steeds verder op. De bewoners poogden doormiddel van natuurlijke en kunstmatige waterlopen en het plaatsen van dammen het water tegen te houden. Men kon dan in de zomermaanden toch het land bewerken en oogsten. In de herfst- en de wintermaanden had het water steeds meer vrijspel. Vanwege de overlast van water kwam er een proces van dorpsverplaatsing op gang. Het dorp werd verplaats naar een zandrug met het hoogste punt op 3 m + NAP. De dorpen Scheemda en Meeden ondergingen hetzelfde lot en werden ook verplaatst. De kerk werd sedert een lange tijd bij hoog water van alle kanten door het water omringd met als gevolg dat in 1667 één van de torens is ingestort. Ook het schip was in die tijd al bouwvallig. De Groninger Raad besluit dan ook op 4 juli 1668 tot afbraak. Het heeft nog vrij lang geduurd voordat het gebouw daadwerkelijk werd afgebroken want pas in 1738, dus 70 jaar later, werd de laatste preek in het oude gebouw gehouden. Een klok uit de oude kerk hangt nu in de toren van Uitwierde. Deze werd gegoten door Johannis Bremensis in het begin van de zestiende eeuw (1516).

 

Het klooster

In Menterwolde bij Nieuwolda stond een dubbelklooster van de benedictijnen. Over de stichtingsdatum van het klooster met de naam Campus Silvae is niets bekend. In het midden van de 13e eeuw deed het klooster een verzoek om te worden opgenomen in de orde van de cisterciënzer. Omdat het samenwonen van monniken en nonnen binnen deze orde niet meer was toegestaan, kregen de nonnen een eigen onderkomen in Midwolda, een kleine kilometer ten noorden van de huidige kerk. De monniken zijn aan het eind van de dertiende eeuw overgebracht naar de Sint Benedictusabdij in Menterna bij Termunten. Het vrouwenklooster in Midwolda bleef wel nauw verbonden met de Sint Benedictusabdij. De abt trad op als vertegenwoordiger bij belangrijke zaken. Ook had het klooster geen eigen zegel maar werd het zegel van de Sint Benedictusabdij gebruikt. In de tweede helft van de 16e eeuw hebben de watergeuzen het klooster geplunderd en grotendeels verwoest. De nonnen vluchten naar het refugium van het monnikenklooster in de stad Groningen. (Een refugium is een huis in de stad die o.a. als wijkplaats dienst deed voor kloosterlingen in tijden van gevaar.) De goederen van het vrouwenklooster kwamen onder het beheer van het klooster te Aduard.

 

De nieuwe toren

In het begin van de achttiende eeuw werd er begonnen met de bouw van een kerk in het nieuwe dorp Midwolda. De bewoners uit Midwolder Hamrik hebben eerst nog gekerkt in een school voordat ze in 1718 een eigen kerk bouwden. Het oudste deel van de nieuwe kerk in Midwolda is de toren, gebouwd in 1708. Aan de noordzijde boven de ingang bevindt zich een gedenksteen met de volgende tekst:

 

Deze toren is gebouwd in den jare 1708
ter vervanging van de vier torens,
voorheen gestaan hebbende op de vier hoeken
van de vervallende kruiskerk tussen Midwolda en Nieuwolda
als gemeenschappelijke tempel voor de beide gereformeerde gemeenten,
toen onder het bestuur van den edelachtbaren heer Johan Hora,
terwijl predikant dezer plaats was ds. Jacobus Sparringa.

 

De toren bestaat uit een vrijwel vierkante onversierde onderbouw. Halverwege het kerkdak gaat hij over in een achtkantig bovendeel. Op de hoeken van de onderbouw staan siervazen. Het onderste gedeelte van de bovenbouw bestaat uit een gemetselde geleding, met daar boven een houten bekroning. Vier velden van deze bekroning zijn als galmgaten gebruikt en de tussenliggende velden zijn versiert met in reliëf  gesneden vazen op voetstukken. Op het gebogen dak staat een open achtkantig spitsje. Er hangen twee klokken in de toren, één uit 1791 gegoten door Claudius en Mammeus Fremy en één uit 1807 gegoten door Andries Heeres van Bergen. Alle drie klokgieters waren afkomstig uit het naburige Ostfriesland.

 

Achterzijde van de kerk te Midwolda. Foto: Wikipedia.

De nieuwe kerk

De nieuwe kerk werd in 1738 gebouwd. Aan de noordzijde in het fronton van het later toegevoegde portaal bevindt zich een gedenksteen met de volgende tekst:

 

In den jare 1738 is desen tempel ter eren Godes bebouwd door de edele heer Johan Hora, raadsheer der stad Groningen en de edele Jan Ritzes, in der tijd kerkvoogd deses carspels. Ingezegend den 26 oktober desselvigen jaars door ds. Wilhelmus Schortinghuis, bedienaar des evangelie Jesu Christi ter deser plaatse, uit de woorden 1 Koningen 8 enz.


Verder bevindt zich op de noordoosthoek een kleine steen die vermeld dat Anna Maria Hora, de jongste dochter van Johan Hora, de eerste steen heeft gelegd. Johan Hora was de bewoner van de nabijgelegen Ennemaborg. Hij heeft zich nogal met de bouw van de kerk bemoeid. De kerk is een eenvoudig, in verhouding tot de toren, zeer breed rechthoekig zaalgebouw met afgewolfde zadeldaken. Op het dak staan vier torenachtige spitsjes als een herinnering aan de vier toren van de oude kerk. Door de 70 cm dikke muren, de tweemaal versneden steunberen en de spitsboogvensters heeft het gebouw een gotisch karakter. Zowel door de beide daken als de door een steunbeer gescheiden vensters aan de oostzijde wekken de indruk dat het om een tweebeukig gebouw gaat. De kerk is echter steeds één ruimte geweest met een laag houten tongewelf met brede zijdelen en gedragen door dwarsbalken. Tot 1880 rustten de dwarsbalken op zes houten zuilen met composietkapitelen (samenstel van Corinthische en Ionische bestanddelen). De vier buitenste zijn vervangen door ijzeren kolommen. De korbelen zijn beschilderd met cartouches en rolwerk. Sedert de laatste restauratie, iets meer dan twintig jaar geleden, zijn de oorspronkelijke kleuren en schilderingen weer teruggebracht.

 

Gevelsteen uit 1738. Foto: Wikipedia.

De inventaris

Het overwegend eikenhouten meubilair dateert grotendeels uit de bouwtijd. Bij de restauratie is ook hier de oude kleurgeving hersteld. Tegen de oostwand bevindt zich de preekstoel, uitgevoerd in Lodewijk XIV-stijl. De kuip is versierd met bladwerk en plantenmotieven.

 

De trap heeft sierlijk gesneden balusters. Kistenmaker Jan Bitter heeft de preekstoel en het doophek vervaardigd.

 

Voor de preekstoel ligt de zerk van de eerder genoemde predikant Wilhelmus Schortinghuis. Hij was een bekend piëtist en auteur van het werk 'Het innige Christendom'.

 

Ook was hij de 'uitvinder' van de vijf nieten: "Ik wil niet, ik kan niet, ik weet niet, ik heb niet en ik deug niet". Hij hield op 18 oktober 1738 de laatste dienst in de oude kerk en een week later wijdde hij de nieuwe kerk in.

 

De avondmaalstafel is vermoedelijk nog uit de 17e eeuw, dus ouder als de kerk. De overhuifde herenbanken hebben gesneden zijpanelen en op de afdekking de wapens van Johan Hora en Catharina Wolthers. Vroeger hadden de Hora Siccama's naast hun eigen banken ook een knechten- en een meidenbank. Verder staan er veel eenvoudige banken in de kerk met gesneden zijstukken

 

Het orgel van de kerk te Midwolda (Albertus Antoni Hinsz). Foto: Wikipedia.

Het orgel

Tot slot het pronkjuweel van de kerk, het orgel. Gebouwd door de bekende orgelbouwer Albertus Antoni Hinsz, die het instrument in jaar 1772 voltooide. Hinsz stelde twee jaar eerder een bestek op voor het maken van een orgel met twee klavieren en een vrij pedaal voor een aanneemsom van 4700 caroligulden. De orgelkas en de balgenkamers werden vervaardigd door de kistenmaker Berend Bekenkamp uit Groningen. Beeldhouwer Kreemer maakte de beeldjes op het orgel en beeldsnijder Smit leverde het blinderingssnijwerk voor de frontpijpen

Opvallend is het rijk bezette pedaal met tien registers. In zijn lange leven veranderde Hinsz nogal van 'huisstijl'; nieuwe registers als roerquint 6' en de labiale cornet deden hun intrede, de totale klank werd donkerder en was minder op helderheid gericht. In 1971 werd een restauratie uitgevoerd door de orgelmakers Flentrop  uit Zaandam. Dit jaar werd het orgel omgestemd naar Young door de orgelmakers Van der Putten en Veger te Winschoten. Deze ongelijkzwevende stemming is meer in overeenstemming met de oorspronkelijke bedoelingen van Hinsz.

 

Literatuur:

De Ned. Monumenten van Geschiedenis en Kunst in Oost Groningen; M.D. Ozinga.
Publikatie van de Stichting Oude Groninger Kerken. Diverse auteurs.
Groninger Gedenkwaardigheden; A. Pathuis.
Albertus Antonius Hinsch Orgelmaker; W.J. Dorgelo Hzn.
Het gebruik van de Herv. Kerken in Groningen; Dr. R. Steensma.
Historie van Groningen Stad en Lande; Dr. W.J. Formsma.

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.

 

Hoogeveen, 25 juni 2017.

Middelstum, 16-12-1995, Harm Hofman. Oorspronkelijke tekst: lezing voor de Stichting Oude Groninger Kerken.
Samenstelling: © Harm Hillinga.

Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top