Munnikeveen

Historie van de Maatschappij tot exploitatie van het onderdeelde Munnikeveen

xx


Geologie

Veen

Veen is een ophoping van plantaardig materiaal dat niet helemaal vergaan is. Wanneer de resten van planten en bomen zich op de bodem van een waterplas ophopen ontstaat het zogenaamde laagveen.

Hoogveen ontstaat uit planten die geen contact hebben met het grondwater, maar voor hun groei volledig afhankelijk zijn van regenwater. Veenmos is de belangrijkste van deze planten. Hoogveen kan meters boven de omgeving uitgroeien.

1200 Jaar ná Chr.

Na de laatste ijstijd stijgt niet alleen de zeespiegel maar ook het grondwaterpeil. Langs de kust ontstaan grote moerassen. Het veenmos groeit hier goed en vormt in de loop van de tijd dikke pakketten veen. Het veengebied is enorm uitgestrekt: rond 1700 v.Chr. bestaat half Nederland uit veen. Ook het huidige waddengebied is grotendeels een veengebied.

Menselijk ingrijpen
Vanaf de 10e eeuw gaan de boeren het land in cultuur brengen. Door het graven van sloten wordt de grondwaterstand verlaagd. Het water loopt weg uit het veen en het veen gaat inklinken. Door het verlagen van de grondwaterstand wordt het veen tevens blootgesteld aan de lucht, waardoor het plantaardig materiaal kan gaan rotten omdat er zuurstof bij kan komen.

Het veenoppervlak kan door het inklinken en oxideren maximaal ongeveer 2 centimeter per jaar dalen. Vanaf de ontginning van het veen is in de waddenregio het oppervlak daardoor al 5,5 meter gedaald. Het gevolg is dat het land gevoeliger wordt voor inbraken van de zee tijdens stormvloedrampen.

Een deel van de kust bij de Dollard is ooit bedekt geweest met een veenlaag van een meter of vijf. Dat veen is ontstaan tussen de vele riviertjes die een overblijfsel zijn geweest van de laatste ijstijd - het "Weichselien". Er is in deze streken weliswaar geen ijslaag maar wel een afwatering met veel stilstaand water naast de rivierbeddingen.
Het ‘eiland Munnikeveen’ dat nu ligt in de Finsterwolderpolder bestaat ook uit veen. Zelfs wordt hier in 1583 nog turf gegraven als het Reiderland al verdronken is en dus omringd door het water van de Dollard. Het zoute water zal echter aan de verdere veenvorming een halt hebben toegeroepen en het eiland verdwijnt. Het enige wat van het eiland overblijft is een veenlaag onder de klei.

Geschiedenis

Het eiland Munnikeveen heeft in het westen van de Dollard gelegen, ten noorden van Oostwold. Heden ten dage laat de plaats van het eiland zich nog bij bodemkundig onderzoek vaststellen aan de venige ondergrond beneden de 60 cm dikke kleilaag. Voor het eerst komt het eiland voor op de tussen 1562 en 1574 door Johannes Florianus gemaakte kaart "Frisiae orientalis descriptio". Op deze, in 1579 door Abraham Ortelius in zijn "Theatrum orbis" gepubliceerde, kaart staan twee eilandjes; bij het noordelijkste is aangegeven "Munckersveen". Hoewel de maker langere tijd in Norden en Pilsum gewoond heeft en dus eigen waarnemingen in zijn kaart verwerkt zal hebben, bevat de kaart vele onjuistheden. Daarom kan alleen op grond van deze kaart niet tot het bestaan van twee eilandjes met die verbasterde naam besloten worden. Een eeuw later verschenen omstreeks 1685 de provinciekaart van De Witt en die van Visscher en Starckenborg. Daarop staat een eiland bij de punt van Reide. Dit eiland staat ook al op de door Ubbo Emmius vervaardigde en in 1595 uitgegeven kaart van Oost Friesland. Emmius gaf dit eiland geen naam, maar De Witt c.s. vermelden het
als Munnikeveen. Kennelijk weten zij dat er een eiland Munnikeveen in de Dollard ligt en geven zij die naam aan het enige bij Emmius anoniem gebleven eiland bij de punt van Reide. Alle navolgers van deze kaartmakers hebben de fout overgenomen, zodat bijvoorbeeld de kaart in de "Tegenwoordige staat" (deel 20 (1793) en zelfs nog een in 1825 door Maaskamp vervaardigde kaart het Munnikeveen onjuist bij de punt van Reide situeren. Een veel nauwkeuriger kartering heeft ten grondslag gelegen aan een kaart door de landmeter Cornelis Edzkens uit ca. 1648. Daarop is het eiland Monnixveen op de goede plaats aangegeven. Ook landmeter Bontko Bennens, die op last van gecommitteerden uit de Staten in 1690 een kaart maakt van de landen van Midwolda, Midwolderhamrik en Oostwold, tekent het eiland Munnicksveen. Op deze kaart heeft het eiland, in vergelijking met de kaart van Edzkens, een veel grotere omvang en ook een andere vorm. Dat kan twee redenen hebben. De tamelijk regelmatige vorm van het Munnikeveen op de kaart van Edzkens maakt de indruk niet gebaseerd to zijn op opmeting in het terrein, terwijl Bennens waarschijnlijk ook een deel van de aanwas heeft meegetekend. Negen jaar later, in 1699, maakt landmeter J. Tideman op last van gecommitteerden van Burgemeesters en Raad van de stad Groningen een nieuwe kaart van het door Bennens opgemeten terein. Op Tidemans kaart is het Munnikeveen veel kleiner dan op de kaart van Bennens. Tideman vermeldt ook de oppervlakte van het Munnikeveen: 13 3/4 deimt en 62 roeden, dus bijna 7. Over de eigenaren van het Munnikeveen worden we ingelicht door een akte uit 1583, betreffende de overdracht van goederen van het Grijzevrouwenklooster door de abt van Termunten, als kelner van het Grijzevrouwenklooster met de priores, de suppriores en de gezamenlijke conventualen van het Grijzevrouwenklooster. In deze akte worden o. m. meetlanden op het "eylandeken Monnickesveen gehieten" en twee dagwerken turflands in het (elders gelegen?) Grijzevrouwenveen genoemd. Het vrouwenklooster is in of kort na 1247 afgesplitst van het dubbelklooster Montrevalt, dat sedertdien als Sint Benedictusabdij of Grijzemonnikenklooster in de Cistercienser orde is opgenomen.

Met het Grijzevrouwenklooster bij Midwolda blijft het Grijzemonnikenklooster nauw verbonden. In 1569 en volgende jaren hebben beide kloosters van plunderingen te lijden. De monniken van het Grijze monnikenklooster nemen de wijk naar het moederklooster van Aduard, de nonnen moeten zijn overgegaan naar het refugium dat het Grijze monnikenklooster in de stad bezit. In deze tijd zullen de goederen van beide kloosters met elkaar verenigd zijn.

Na de Reformatie wordt "eenig land op Monnekenveen", met de overige goederen van het Grijzemonnikenklooster, eigendom van de provincie. Sedert 1597 worden in de rekeningen van de rentmeesters der voormalige kloostergoederen de (geringe) opbrengsten uit het Munnekeveen vermeld. Misschien is dat land wat het Grijzevrouwenklooster nog behouden heeft (maar dan is niet goed te verklaren waarom ook dit gedeelte in 1583 niet wordt overgedragen). Een andere mogelijkheid is, dat het aan de provincie gekomen deel van het Munnikeveen oorspronkelijk aan het Grijzemonnikenklooster behoort, misschien met het deel dat in 1583 eigendom van het Grijzevrouwenkloosterias. We kunnen ons voorstellen dat het Grijzemonnikenklooster oorspronkelijk het gehele Munnikeveen bezit (vandaar de naam van het eiland), maar later delen heeft overgedragen aan het vanuit het mannenklooster gestichte Grijzevrouwenklooster en aan de kerk van Oostwold, die in 1583 ook land op het Munnikeveen bezit.

Koolzaad.

 

Sedert 1712 is dit kerkenland zonder huurder, tot het in 1712 aan mevrouw Hora wordt verhuurd .De in 1583 overgedragen meetlanden op het Munnikeveen, begrensd door de Dollard en ten oosten door "dat kyrckenlandt van Oestwolt", worden in 1724 eigendom van Johan Hora en zijn vrouw Catharina Wolthers. Johans moeder Anna Maria Clinge, weduwe van Wilhelmus Hora, heeft in 1698 reeds van Johan Auwe en zijn vrouw Anna Sibilla Clant verworven drie vierde parten van de Steenhuisheerd te Oostwold, strekkende van het meer tot aan de Oude Geut, "met het recht van het eiland Munniksveen". Deze eigendommen sluiten aan bij de overige bezittingen die de Hora's op de Ennemaborg hebben in Midwolda, Finsterwolde en Oostwold.

Johan Hora en Catharina Wolthers hebben twee dochters: Anna Maria en Anna Catharina. Anna Maria trouwt met Onno Joost Alberda, die Ekestein koopt. Hun kinderen zijn Onno Reint Alberda, Catharina Alberda, getrouwd met J.D. Quintus en Anna, getrouwd met P.R. Sickinge. De andere dochter Hora trouwt Wiardus Siccama, hun zoon Johan is de eerste Hora Siccama. Daarmee zijn de drie eigenaren van het Munnikeveen genoemd: de familie Hora, de kerk van Oostwold en de provincie. Alle drie verhuren zij hun landen op het Munnikeveen.

In 1758 krijgt de huurder van de provincie moeite met de uitoefening van zijn rechten aangezien de familie Hora en de kerk van Oostwold het recht van de provincie betwisten. Zij beroepen zich beiden op de akte uit 1583, terwijl de provincie zich op langdurig bezit baseert. De provincie laat het eiland nu opmeten. In 1758 bevinden rentmeester Wichers en de advocaat provinciaal Ippius het eiland 17 A 18 deimt (dus 8,5 A 9 ha) groot, ongeveer een half uur gaans van de Nieuwe Dijk (de in 1701 gelegde dijk); de ruimte tussen de dijk en het eilandje is geheel aangewassen. Ondanks vele besprekingen in de jaren 1758 - 1761 komt het niet tot een accoord. De zaak zou waarschijnlijk onbeslist zijn gebleven, als niet de bedijking van de Oostwolderpolder in 1769 zou hebben plaatsgehad. De dijk moet gedeeltelijk over het Munnikeveen (in die tijd 19 deimt en 111 roeden = 9,68 ha groot) gelegd worden. Daartegen verzetten de familie Hora en de kerkvoogden van Oostwold zich. Tegen hen spant de provincie een proces aan, dat zich jaren voortsleept. We danken er een zeer lijvig procesdossier aan. Tussen 1773 en 1776 schijnt het proces praktisch stil gestaan to hebben, mede in verband met het overlijden van mevrouw Hora Wolthers. Op 6 maart 1781 wordt de zaak in handen van gecommitteerden gesteld om to trachten partijen to verenigen. Tenslotte komen partijen in 1782 tot een dading en worden de in 1761 voorgestelde grenzen vastgesteld. Twee vijfde (of 14/35) van het binnen- en buitendijkse Munnikeveen en de aanwassen zullen eigendom zijn van de erfgenamen van Johan Hora en Catharina Wolthers: hun kleinzoon Johan Hora Siccama benevens de kinderen Alberda. Een zevende (of 5/35) zal eigendom zijn van de kerk van Oostwold en de rest (dus 16/35) zou eigendom zijn van de provincie. Verder wordt bepaald dat geen der partijen scheiding en deling van de aanwas zal mogen vorderen "eer en bevorens hetzelve ter zijner tijd zal zijn binnengedijkt".

Blauwborst in het koolzaad.

Het aandeel van de provincie gaat, ingevolge de Staatsregeling van 1798, over op het rijk. In 1812 wordt het aandeel van het rijk, voor zover het het to bedijken deel van het Munnikeveen betreft, geveild en verkocht aan E. Cremers, na scheiding en deling tussen het rijk en de overige eigenaren. In 1819, dus tijdens of na de bedijking die de Finsterwolderpolder doet ontstaan, heeft nog een correctie op deze verdeling plaats. Het rijk blijft echter voor 16/35 gerechtigd in de aanwassen. Deze rechten worden in 1841 bij publieke veiling voor f 62.000,- verkocht aan mr. H.O. Feith, archivarius en raadsheer in het Gerechtshof te Groningen. Dit bedrag, hoewel in zes jaarlijkse termijnen te betalen, is in die tijd een reusachtige som. Hendrikus Octavius Feith is de zoon van de dichter Rhijnvis Feith en Ockje Groeneveld. Uit de forse nalatenschap van zijn ouders van bijna 4 ton krijgt H.O. Feith f 43.500,- in onroerend goed in Oost-Friesland, waar zijn moeder vandaan komt, effecten, goud en zilver. Feiths echtgenote Harmanna Maria Meurs erft in 1820 van haar moeder ruim f 30.000,-, waaronder nogal wat land onder Oostwold en Finsterwolde, venen bij Veendam en 1/12 in de Westerleese participantenvenen. De aankoop van de aanwassen in het Munnikeveen sluit voor de familie Feith dus aan bij de eigendommen in het Oldambt. De 16/35 aandelen in het onverdeelde Munnikeveen bleven in de familie Feith, vermeerderd met enkele parten in de aandelen van de Alberda's en van Johan Hora Siccama, door H.O. Feith jr. gekocht. In 1899 is het aandeel van de familie Feith van 16/35 gegroeid tot bijna 18/35, dus iets meer dan de helft. In 1895, bij het overlijden van H.O. Feith jr. is er aan aandelen in het Munnikeveen ruim f 73.000 in de boedel. De totale erfenis van deze Feith en zijn vrouw Willemina Woltera Dull is ruim f 838.000! Het 7/35 aandeel van Johan Hora Siccama wordt na zijn dood in 1848 voor f 31.078,- gekocht door W. Alberda van Ekenstein en W.M. Quintus-Gockinga, ieder voor de onverdeelde helft. Daarnaast verwerft de familie Quintus aandelen van de Alberda's (voornamelijk uit het derde deel van Catharina Johanna Quintus-Alberda). In 1899 heeft de familie Quintus bijna 8/35, de familie Alberda van Ekestein 4/35. Het 5/35 aandeel van de kerk van Oostwold bleef onveranderd in dezelfde hand.

Bij de bedijking van de Reiderwolderpolder (in twee gedeelten: 1862 en 1874) worden de ingedijkte gronden van het Munnikeveen onder de eigenaren gescheiden en verdeeld. Onverdeeld blijven alle verdere kwelder en aanwas in de Dollard, de Reiderwolderpolderdijk, een deel van de dijk van 1819, de zogenaamde eerste laan tot aan de hoofdweg in de Reiderwolderpolder en de derde laan tot de binnenbermsloot van de polder.

In 1899 besluiten de eigenaren hun deelgenootschap to veranderen in een naamloze vennootschap: de Maatschappij tot exploitatie van het onverdeelde Munnikeveen, met als doel: het begraven, exploiteren en indijken der aan de vennoten behorende slikken, kwelders en dijk. Het bestuur wordt gevormd door drie directeuren, door en uit de vennoten gekozen. Het kapitaal van de vennootschap van f 84.000,- wordt in aandelen van f 100,- en onderaandelen van f 20,- aan de eigenaren uitgegeven. Voor 1/35 krijgt men f 2.400,- aan aandelen (de werkelijke waarde van 1/35 is in 1890 geschat op f 3.874,69 en een halve cent).

De eerste aandeelhouders zijn geweest: Oogsten in het Munnikeveen.
fam. Feith 84 aandelen en 4 onderaandelen
totaal f 42.400,- 17,66/35
fam. Quintus 36 aandelen en 8 onderaandelen
totaal f.18.800,- 7,8/35
fam. Alberda van Ekenstein 19 aandelen en 10 onderaandelen
totaal f 10.800,- 4,5/35
N.H. gemeente Oostwold 24 aandelen
totaal f 12.000,- 5/35

Wat hebben de eigenaren van het onverdeelde Munnikeveen met hun eigendom gedaan? Zij trekken inkomsten vooral uit de verkoop van kweldergras. De jaarlijkse winst is nogal wisselend: in de jaren 1900 t/m 1911 gemiddeld f 7.000, met uitschieters naar beneden en naar boven. In de jaren 1912 t/m 1916 stijgt de gemiddelde jaarlijkse winst tot bijna f 15.000,-. Daarna komen de vier topjaren 1917 t/m 1920, met een gemiddelde jaarlijkse winst van ruim f 38.000,-.

De aanwas wordt bevorderd door de kwelder te begreppelen: in de kwelder worden greppels gegraven, het slik uit de greppels wordt over de meetjes (rechthoekige percelen in de kwelder) verspreid. Hieraan wordt door losse arbeiders in het zomerseizoen gewerkt.
Voor de leiding van dat werk en het dagelijks toezicht op hun eigendommen maken de gezamenlijke eigenaren gebruik van een opzichter; sedert 1864 fungeert als zodanig J.P. Dallinga te Finsterwolde. Hij wordt in 1901 opgevolgd door zijn zoon O.S. Dallinga, die in 1932 wordt opgevolgd door G. Tiddens te Finsterwolde. Na het overlijden van Tiddens in 1955 wordt zijn schoonzoon 0. Kloosterman te Finsterwolde administrateur.

In het kweldergebied, half water, half land, is het moeilijk de eigendomsgrenzen duidelijk af te bakenen. Onenigheden met de daangrenzende eigenaren kwamen dan ook herhaaldelijk voor. In het kader van de werkverschaffing besluit de provincie in 1923 tot inpoldering van een gedeelte van de kwelders voor de Reiderwolderpolder. In 1924 komt de Carel Coenraadpolder tot stand, genoemd naar de oud-commissaris der koningin C.C. Geertsema, die ook oud-directeur van het Munnikeveen en van de Johannes Kerkhovenpolder is geweest. Het Munnikeveen krijgt 145 ha in de polder. Na enige discussie besluiten de aandeelhouders het eigendom onverdeeld te laten. Daarmee komt het Munnikeveen in een nieuwe fase. Niet langer vormt de opbrengst van het kweldergras de voornaamste bron van inkomsten: de pachten krijgen een grotere betekenis.

In 1927 worden voor het eerst huuropbrengsten in de polder geboekt: f 12.590,-, naast f 10.155,- opbrengst van de kwelder. Dertig jaar later, 1957, zijn de landpachten verdubbeld tot f 25.758,-, de opbrengst van dijken en kwelders met de helft verminderd tot f 5.440,-. De eigendommen in de polder betekenen natuurlijk ook hogere uitgaven: de inkomsten in 1927 zijn nauwelijks hoger dan de waterschapslasten van bijna f 30.000,-. De inpoldering van de Carel Coenraadpolder brengt grote kosten met zich mee, die bestreden worden uit een kasgeldlening van f 13.000,-, een gedwongen inkomstenobligatielening van f 21.000,- en door de winst in het bedrijf te houden: van 1925 t/m 1939 wordt geen dividend uitgekeerd. In 1940-1941 wordt de laatste termijn van de kasgeldlening afgelost en wordt de inkomstenobligatielening omgezet in een obligatielening tegen 7 %. Nu kan weer een bescheiden dividend worden uitgekeerd: 2 %, 4 %, 6 %, in de jaren vijftig 7 %.

Oogsten in het Munnikeveen.

 

Aangezien de maatschappij is opgericht voor de duur van 50 jaar, is in 1949 verlenging nodig. In verband daarmee worden de statuten, met een enkele wijziging, opnieuw vastgesteld. In 1961 worden de statuten opnieuw gewijzigd, voornamelijk om de in 7 obligaties uitstaande schuld van f 21.000,- om to zetten in aandelen. Daarmee zal het kapitaal boven de ton komen, waardoor de NV "een geschikte fusiebruid" (IS) (nl. voor de NV Maatschappij tot exploitatie van den Johannes Kerkhovenpolder) zal worden. Deze fusie gaat echter niet door. In de nieuwe statuten wordt het instituut van commissarissen ingevoerd; in feite controleren voordien twee directeuren als commissaris de als administrateur fungerende derde directeur. Het dividend komt na 1961 op 11 á 12 %, maar de 7 % rente uit de obligatielening is vervallen.

Sedert de jaren twintig onderzoekt de provincie de mogelijkheden om, ter bestrijding van de werkloosheid, kweldergronden to bedijken. In het voorjaar van 1929 komt de provincie met een plan tot het uitvoeren van landaanwinningswerken in de Dollard met toepassing van de zogenaamde Sleeswijk-Holsteinse methode. Dit plan voorziet erin dat de eigenaren een deel van de kosten voor hun rekening zullen nemen, tegen een vergoeding voor de aangewonnen kwelders. Alleen Domeinen en de gemeente Groningen gaan accoord, de overige eigenaren zijn niet tot medewerking bereid. Gedeputeerde Staten voelen eerst niet voor een onteigening en uitvoering van de werken voor rekening van de provincie. In 1935 echter besluit de provincie niet langer of te wachten. Provinciale Staten machtigen G.S. om, mits de arbeidslonen voor de landaanwinningswerken door het rijk vergoed zullen worden en voor de overige kosten steun van het Werkfonds 1934 zal worden verkregen, die werken ter hand te nemen en de onteigening te bevorderen. Het provinciale voorstel tot onteigening van de slikken wordt door de regering op 13 april 1940 bij de Tweede Kamer ingediend. Het Munnikeveen en de NV Maatschappij tot exploitatie van den Johannes Kerkhovenpolder maakten bezwaar. Zij betwisten niet het algemeen nut van de werken, maar prefereren een andere methode van landaanwinning. "Achteraf," zo verzucht de 2e afdeling der provinciale griffie in 1946, "vraagt men zich of hoe het mogelijk is geweest dat de eigenaren een zoo nuttige zaak zoo lang hebben kunnen tegenhouden. Men krijgt bij het doorlezen van het dossier den indruk dat aan hun bezwaren wel eens wat to veel aandacht is geschonken." Munnikeveen en Johannes Kerkhovenpolder, aldus diezelfde nota, "hebben het spelletje van uitstellen en ophouden op meesterlijke wijze gespeeld". Het wetsontwerp tot onteigening komt op de Kameragenda van 9 mei 1940 voor. De behandeling wordt een dag uitgesteld, maar die dag, 10 mei 1940, heeft men wel andere dingen aan het hoofd! Na de capitulatie dreigt de provincie met onteigening krachtens oorlogsrecht, hoewel de Regeringscommissaris voor de wederopbouw heeft meegedeeld dat de hem door de Opperbevelhebber van land- en zeemacht toegekende bevoegdheid tot onteigening in dit geval niet kan worden gebruikt. Onder druk van de omstandigheden bezwijkt het Munnikeveen: met 21 tegen 19 stemmen besluiten de aandeelhouders het bod van een door het Munnikeveen te betalen vergoeding van f 600,- per ha aangewonnen kwelder (tussen de door demarcatie vast te stellen kwelderrand en 800 m uit de teen van de zeedijk) te accepteren. Voor de verderaf gelegen aan te winnen kwelders zal het Munnikeveen (overeenkomstig het in 1939 tussen provincie en gemeente Groningen gesloten contract) moeten betalen 75 % van het verschil tussen de verkoopwaarde van die kwelders bij beeindiging van de landaanwinningswerken en de waarde van de slikken bij de aanvang van de werken (bepaald op f 200 per ha). Op 14 oktober 1940 sluit het Munnikeveen met de provincie een overeenkomst inzake de landaanwinning. Tot uitvoering van de werken op de aan het Munnikeveen behorende gronden komt het echter pas na de oorlog, in 1946. Daarbij worden enige honderden arbeiders (aanvankelijk geinterneerden, later werklozen) ingezet.

Momenteel (aug. 2009) is Jhr. Ir. Cornelis de Ranitz directeur van de Maatschappij tot Exploitatie van het Onderverdeelde Munnikeveen BV in de Dollard en de Carel Coenraadpolder. Ook is hij oud-docent chemie en tecnnologie van het Van Hall Instituur (Groningen/Leeuwarden). Stopzetting van de rijkssubsidie leidt in 1957 tot het staken van de landaanwinningswerken. De in de overeenkomst van 1940 voorziene afrekening met het Munnikeveen wordt uitgesteld. Nieuwe plannen tot inpoldering van de Dollard leiden in 1966 en volgende jaren tot nieuw overleg en nieuwe moeilijkheden. Het Munnikeveen wenst de overeenkomst van 1940 buiten beschouwing to laten en meent dat er geen aanwas valt te verrekenen. Een met de provincie gemeenschappelijke taxatiecommissie wijst het Munnikeveen af. Daarop benoemt de provincie zelf taxateurs en stelt de to betalen vergoeding vast.

Zo verloopt de oude taak van het Munnikeveen, de landaanwinning. Wat blijft is de exploitatie van de eigendommen in de Carel Coenraadpolder: voornamelijk door verpachting, maar sinds 1970 ook (zij het niet zonder aarzeling onder de aandeelhouders) in eigen beheer.

Tegenwoordig
Momenteel is Jhr. Ir. Cornelis de Ranitz directeur van de Maatschappij tot Exploitatie van het Onderverdeelde Munnikeveen BV in de Dollard en de Carel Coenraadpolder. Ook is hij oud-docent chemie en tecnnologie van het Van Hall Instituur (Groningen/Leeuwarden).

Boerderij ‘Munnekeveen
De boerderij ‘Munnekeveen’ (nr. 175) ligt aan de Provincialeweg 12 te Nieuwwolda en is momenteel het bezit van W.H. Breunissen. Eigenaar-bewoners: Wessel Hendrik Breunissen, geb. 3-7-1956 te Elst, geh. 17-5-1979 met Jannegiene Dianne van Weeghel, geb. 17-4-1958 te Deventer.
* K.: Geeske Johanne, geb. 19-9-1983 te Elst.
* Jan Tjarco Herman, geb. 26-7-1985 te Elst.
* Dirk Wessel, geb. 26-5-1990 te Arnhem.

Het bedrijf is 111.70 ha groot (bb. Nw., 12), waarvan 74 ha voor de veehouderij wordt gebruikt. Het overige areaal is akkerbouw en erf. Breunissen koopt in 1994 de boerderij van D.T. Barlagen Czn., die tot 1990 ook fruitteelt op het bedrijf heeft. Zijn huwelijk met mevr. C.A. Leemhuis is in 1987 ontbonden.
Barlagen koopt in 1983 15.50 ha land, dat hij tot dan heeft gepacht. In 1985 laat hij een nieuwe woning bouwen. In 1986 verkoopt hij 5.22 ha aan de fam. Meyer (170). Het bedrijf is dan 111.70 ha groot. In 1995 laat Breunissen een ligboxenstal en een voeropslagplaats bouwen voor rundvee en schapen.

Meer lezen: Johannes Kerkhovenpolder. Verder lezen: Johannes Kerkhovenpolder.

Bronnen/referenties/literatuur:
1. Geschiedenis van het Munnikeveen (Uit: Inventaris van het archief van de Maatschappij tot exploitatie van het onverdeelde Munnikeveen ((1583) 1782-1973. F.C.J. Ketelaar).
2. Ecomare, Encyclopedie over kust, wadden en Noordzee.


Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten

voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...

geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.

Hoogeveen, 24 aug. 2009
Verhaal: © Harm Hillinga

    Menu ArtikelenHomePage