De ‘mondzoen’
De mondzoen of weergeld is in het oude recht dat vooral uit het oud-Germaanse recht stamt. Het is  de vergoeding die door een dader of zijn familie na doodslag aan de familie van het slachtoffer wordt betaald. Dit is niet typisch Gronings, maar komt voor in het totale Germaanse gebied.

 

Beëindiging van een vete of twist is echter niet mogelijk als vijandige handelingen de strijd blijven aanwakkeren. Er moet eerst een acceptabele zoenovereenkomst worden opgesteld, waarin voor beide partijen billijke bepalingen zijn opgenomen. De materiële schadevergoeding ('compositie') in de vorm van betaling van weergeld, mangeld of zoengeld aan de verwanten van het dodelijke slachtoffer staat in de hele middeleeuwen centraal bij verzoeningen.

 

Herkomst van de woorden weergeld en zoengeld
Weergeld is een samenstelling van de woorden ‘weer’ en ‘geld’. Weer is een oud woord voor ‘man’, nog te herkennen in de Nederlandse woorden weerwolf en wereld (man-oud). Ook in andere Germaanse talen, zoals het Engels vindt men nog overblijfselen van dit woord, zoals in de Engelse uitdrukking ‘were and wife’ (man en vrouw).
De oorsprong van het woord 'zoengeld' vinden we in het woord 'verzoening'. Zoengeld is het geld dat moet worden betaald tijdens een verzoeningsbijeenkomst.
In niet-Germaanse culturen wordt deze schadevergoeding (vergelding) ook wel 'bloedgeld' genoemd.

 

Vroege Middeleeuwen
De oorsprong van het zoengeld is oud en gebaseerd op het weergeld in het Germaanse rechtsstelsel. De Romein Cornelius Tacitus (ca. 55-117) schrijft in zijn werk Germania, waarin hij de zeden en de gewoonten van de Germanen schildert, dat de aangedane schade met wraakneming kan worden vergolden of na onderhandelingen via een minnelijke schikking tot een oplossing kan worden gebracht.
Aan het oude weergeldbedrag ligt een basisbedrag ten grondslag. Het bedrag dat de directe erfgenamen, zoals de broers en de zonen van een slachtoffer ontvangen, is van oorsprong een equivalent van 30 tot 32 koeien. Het is het een bedrag waarvan men oorspronkelijk vindt dat deze overeenkomt met de waarde van de persoon die is gedood.

 

Het gebruikelijke weergeld voor een vrije is 200 solidi (shilling) ten tijde van de Grote Volksverhuizing, een bedrag dat betaald moet worden voor de dood van een kerel. Een kerel is een vrije man van de laagste klasse, volgens zowel de Angelsaksische en continentaal-Germaanse wetten. De vergoeding loopt op naargelang de sociale rang van het slachtoffer hoger is en naargelang de omstandigheden van de misdaad. Bijvoorbeeld, de 8ste-eeuwse Lex Alamannorum zet het weergeld voor het doden van een lage priester op 300 shilling, een hertog of aartsbisschop op 600. De 9de-eeuwse Mercische wet (twyhyndeman) spreekt van 200 shilling voor een kerel, 1200 shilling voor een edelman (twelfhyndeman), 15.000 voor een aartsbisschop, 30.000 voor een koning: 15.000 voor de Sibbe van de koning en 15.000 voor de onderdanen van de koning.

 

Voor horigen, lijfeigenen en slaven is het niet verplicht om weergeld te betalen, maar het is wel gebruikelijk om de koopwaarde van de slaaf te betalen. De waarde van vrouwen verschilt van volk tot volk: bij de Alemannen ziin vrouwen tweemaal de waarde van een man van gelijke rang, bij de Saksen de helft en bij de Friezen is het weergeld gelijk aan die van de man, overigens is bij de Friezen het weergeld van een horige de helft van een vrije man.

 

Tarieflijsten
Sedert de Vroege Middeleeuwen hanteert men tijdens de zoenonderhandelingen tarieflijsten ter berekening van de ontstane schade. Een gedode vrije man wordt als uitgangspunt genomen. De te betalen zoengelden na verwondingen of doodslag worden hiervan afgeleid. Een wraakneming kan dan door betaling worden afgekocht. De lijsten zijn evenwel niet dwingend; over de hoogte van het zoenbedrag onderhandelt men.
In heel middeleeuws Europa onderhandelt men om na schade compensatiegelden te verkrijgen. Schade aan personen kan worden gecompenseerd na veel onderhandelen en arbitrage.

 

Zoengeld in de Late Middeleeuwen
In laatmiddeleeuwse zoenovereenkomsten staat de materiële schadevergoeding in de vorm van zoengeld in de zoenovereenkomst centraal.
In de graafschappen Holland en Zeeland geldt dat in de Late Middeleeuwen na een doodslag een gefixeerd basisbedrag betaald moet worden aan de verwanten van het slachtoffer. In een groot deel van Holland geldt voor een dode die door een gewelddaad om het leven is gekomen een zoenbedrag van 32 ponden. Dit bedrag is terug te voeren op het oude Saksisch–Friese weergeld-bedrag van 160 schellingen (8 pond).

 

Bij het zoengeld is het gebruikelijk om het bedrag te verhogen bij verzwarende omstandigheden. Doodslag na een inval in een woning leidt al snel tot een verdubbeling van het bedrag. Ook personen met een hoge status ontvangen meer zoengeld. Voor een gedode stadsbestuurder moet een schuldige en zijn verwanten een dubbel bedrag neertellen.

 

Na een doodslag op een edelman, zijn er geen vaste zoenbedragen meer van kracht en moet over de hoogte van het zoenbedrag worden onderhandeld. De te betalen zoenbedragen voor edellieden na doodslagen zijn hoog. Bemiddelaars spelen een grote rol bij de bepaling van een redelijk zoengeld. Zij trachten een bedrag te verkrijgen dat overeenstemt met het sociale aanzien van de gestorven persoon met edel bloed en de draagkracht van de dader.

 

Voorzoen, mondzoen en maagzoen
Het laat-middeleeuwse zoengeldbedrag bestaat uit drie delen: de voorzoen, de mondzoen (ook erfzoen genaamd) en de maagzoen.
De voorzoen is bestemd voor diegenen die zich hebben ingespannen om de zoen tot stand te brengen. De mondzoen of erfzoen is het gedeelte van de zoen (vaak een derde deel) dat de schuldige aan de naaste mannelijke bloedverwant (vaak de oudste broer) uitkeert en bestemd is voor degenen die van het slachtoffer zullen erven. Deze persoon treedt ook op als de mondzoener, hij ontvangt de mondkus van de dader tijdens de zoenceremonie. De maagzoen is de rest van het zoengeld. Dit geld verdeelt men over de verdere familie. Ook de erfzoeners en eventueel de verwanten betalen mee.

 

Niet alleen de dader, maar ook de verwanten van een dader zijn verantwoordelijk voor de betaling van zoengeld. Dit betekent dat alle verwanten van de dader met dezelfde ouders, grootouders of overgrootouders en soms alle verwanten van de dader met dezelfde betovergrootouders verantwoordelijk zij voor de betaling van de zoengelden.

 

Vanouds wordt de verplichte bijdrage van onschuldige verwanten aan het zoengeld als een heilige familieplicht beschouwd. In de 14de-eeuwse praktijk is de verplichting van verre verwanten om mee te betalen aan het zoengeld na doodslag of verwonding voor velen een drukkende last. Het geld moet vaak bij de onwillige verwanten door dwangexecutie worden geïnd. In Vlaanderen is de verplichte bijdrage door onschuldige verwanten reeds in de 14e eeuw verdwenen. In Holland en Zeeland heeft de vorst ditzelfde besluit pas ver in de 15e eeuw genomen. In 1462 maakt Philips van Bourgondië namelijk op verzoek van de steden een einde aan dit gebruik in Holland.

 

Vrouwen en zoengeld
Oorspronkelijk delen vrouwen niet in de te ontvangen zoengelden na doodslagen. In een aantal zoenovereenkomsten van edellieden wordt echter van deze gewoonte afgeweken. Aparte bepalingen in zoenovereenkomsten regelen soms betalingen aan dochters en moeders.

 

Aan het einde van de 15e eeuw treedt een wijziging op in de opvatting dat vrouwen geen recht hebben op deling in de zoengelden. In de Zeeuwse landkeur bepaalt Philips de Schone in 1495 nadrukkelijk dat vrouwelijke erfgenamen het zoengeld mogen ontvangen na toestemming van de twee naaste en oudste mannelijke verwanten van de dode. De een moet spreken namens de verwanten van vaderszijde en de ander namens de verwanten van moederszijde. Ook in Holland wordt het na 1500 gebruik dat vrouwen mee mogen delen in de zoengelden. In de 16de-eeuwse zoenovereenkomsten gaat de weduwe een centrale rol innemen. Bovendien geldt het recht op zoengeld voor steeds minder personen, vaak nog enkel voor de zeer naaste verwanten, zoals de nagelaten weduwe of de kinderen, of voor diegenen die door de arbeid van de gedode worden onderhouden. voorzoeners delen hierin mee.
Opmerking: In de Late Middeleeuwen wordt in heel West-Europa een scherp onderscheid gemaakt tussen doodslag en moord. Moord is niet zoals in de huidige tijd een doodslag in koelen bloede of met voorbedachten rade. De middeleeuwse moord is de doodslag waarvoor de dader niet openlijk uitkomt, of waarvan de dader zich niet binnen een bepaalde termijn bekend heeft gemaakt. Alleen doodslag is zoenbaar, moord niet.


 

Literatuur:
Glaudemans, Om die Wrake wille; E. Muir, Ritual in early modern Europe (Cambridge 1997), p. 249-270.
His, Das Strafrecht des deutschen Mittelalters, p. 588.
His, Das Strafrecht der Friesen, p. 239-240.
Zie voor een overzicht van het weergeld in laat–middeleeuws Friesland: aldaar, p. 225-231.
Om die wrake wille, p. 249-250; Idem, p. 251-257; Idem, p. 267-269.

 


Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 22 juli 2018..
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top