Kiepkerels

De KiepkerelKiepkerels worden zo genoemd naar de "kiep" (mars of mand) vol koopwaar die ze op de rug met zich meedragen. Meestal bestaat hun handel uit lapjes, stoffen en kleding die ze 's winters thuis hebben vervaardigd of elders op de kop hebben getikt.

Daarom worden ze ook wel hozeveling of hozeveelnk genoemd.
Hozen zijn sokken of kousen, veel verwijst naar de streek van herkomst in Westfalen.
Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat er een kiepkierelbeeld in Münster (Dld) staat.
In de wintertijd zitten de kiepkerels, de Westfaalse marskramers, met hun gehele gezin achter het spinnewiel of weefgetouw.
Op hun tocht nemen de handelaren het op die manier vervaardigde linnengoed mee om het in Friesland of Groningen van de hand te doen.
Dat doen ze niet alleen in het zomerseizoen, maar ook in het voor- en najaar, als de wegen bijna onbegaanbaar zijn.

Op hun zware schoenen met ijzerbeslag en met een korf op de rug die wel 30 kilo weegt, lopen ze uren achter elkaar, soms wel twaalf uur lang. "Hun rugkorf of kiep was gemaakt van wilgentakken en zat tot de rand toe vol omet textiel, lappen geweven stof, garen en band", vertelt Niebaum. "Die kiepkerels hadden letterlijk heel wat in hun mars. Een pet met klep erop diende als bescherming tegen de regen en een stevige stok gebruikten ze om onder de korf te zetten als de handelaar even wilde uitrusten."
Evenals de hannekemaaiers roken de kiepkerels tijdens hun tochten een lange pijp, voorzien van een porseleinen kop, die soms zo groot is als een koffiekop. Tegenwoordig zijn deze bijzondere pijpen verkrijgbaar als souvenirs.
Het beroemde Westfaalse linnen, dat ooit als bijproduct in de korf van de marskramer heeft gelegen, groeit geleidelijk uit tot een belangrijke bestaansbron. Ook veel gevraagd is het wollaken, gesponnen vlaslinnen met wolvlokken erdoorheen, waardoor een bijzonder sterk product is ontstaan.

Het is een apart slag volk geweest, de tödden, hannekemaaiers, kiepkerels en marskramers. Volbeladen met koopwaar en snuisterijen trekken ze honderden kilometers door Nederland en vaak veel verder, in de hoop op wat verdiensten. En dat gaat niet zonder risico. Worden ze binnen de stadsmuren niet verguisd of verbannen; daarbuiten zijn ze volledig overgeleverd aan de grillen van natuur en struikrovers.

Stampot met spek
De eerste Westfaalse textielhandelaren die naar ons land komen, huren vaak bedsteden of hele vertrekken, die als opslagplaats voor hun handelswaar dienen. Ze zijn graag geziene gasten in de herbergen. Daar heeft ieder zijn eigen pijp in een rek aan de wand en staan 's winters behaaglijke pantoffels klaar.
De textielhandelaren, of "lapkepoepen" op z'n Fries, trekken er 's morgens al vroeg op uit met hun rugkorven, volgestouwd met linnenwaar, bever en duffel. Bij terugkomst 's avonds staat een maaltijd stampot met spek op hen te wachten, met pap als toetje. De pakkendragers geven rond 1835 als kostgeld tien stuivers per dag, waarbij het sokkenstoppen en klerenwassen is inbegrepen.

Het komt wel eens voor dat tijdens de afkondiging voorafgaande aan de zondagse preek in de kerk wordt meegedeeld: "De komende weken zullen koopman Lampe en koopman Voss ons dorp bezoeken." "Sommige families waren zo gesteld op de koopman dat hij als huisvriend werd binnengehaald", zegt Niebaum.

De KiepkerelPermanente vestigingen
De eerste kiepkerel die zich permanent in Nederland vestigt, is Bernhard Voss. Hij opent in 1797 een manufacturenzaak in Bolsward.
Omstreeks 1900 zijn er aan de Nieuwestad en Wirdumerdijk in Leeuwarden al meer dan veertig textiel- en kledingzaken van kooplieden die afkomstig zijn uit de Nederduitse streken. Daaronder zijn bekende firmanamen als Brenninkmeijer, Covers, Drontmann en Schweigmann. Sommige van die bedrijven bestaan nog steeds.

"Deze ondernemers van het eerste uur werden in de volksmond Tödden of Tüötten genoemd", vertelt Niebaum. Hij verwijst naar hotel Telsemeijer in het Duitse Mettingen, waar thans het Tüöttenmuseum is gevestigd. Dat toont een impressie over de ontwikkeling die deze ondernemers hebben doorgemaakt: van pakkendrager tot grootondernemer. "Hun ondernemersdevies in het Westfaals dialect is: "Mein Feld ist die Welt, buten und binnen, wugen und winnen." De pakkendragers willen overal naartoe, als er maar winst in het vooruitzicht wordt gesteld.

Anekdotisch is de ondernemerszin van de broers Clemens en August Brenninkmeijer. Als Clemens eens bij een boer een lap stof aanbiedt, deelt deze hem mee dat hij net zo'n lap stof bij een andere textielhandelaar heeft besteld. Als Clemens vraagt welke prijs hij daarvoor heeft betaald, deelt de boer mee dat de koop nog niet helemaal is gesloten. "Ik bied je deze lap stof in ieder geval 6 gulden onder de prijs", antwoordt Clemens daarop. De boer koopt daarop prompt de stof. "Mag ik nu ook weten wie mijn concurrent is", vraagt Clemens Brenninkmeijer daarop. "Dat was je broer August", zegt de boer tegen een verbouwereerde Clemens. De ondernemingszin zit er bij de broers Brenninkmeijer, de grondleggers van het C&A-concern, al vroeg in. Als de firmanten van C&A over hun eerste zakenjaar 1841 de balans opmaken, blijkt dat ze 1000 gulden winst hebben gemaakt.

De zaak van Lampe
Een interessante marskramersgeschiedenis is die van de familie Lampe uit het Duitse Mettingen. Hermann Lampe Kiepkerel Hendericus Gerhardus Untiedgeeft zijn zoon Benedictus al heel vroeg les in het Nederlands. Hij vindt die taal nog belangrijker dan de "Heimatssprache".
Benedictus volgt zijn vader in de zaak op en reist al op zijn zeventiende levensjaar naar Friesland. Hij is een gewiekst koopman, die al gauw door heeft op welke manier hij het beste bij de Friezinnen in de gunst kan komen. Hij is hoffelijk en weet altijd wel een grapje of anekdote te vertellen. Benedictus leert zelfs een serie voordrachten uit het hoofd, zodat hij spoedig een welkome bezoeker wordt op de afgelegen boerderijen. Na zo’n smeuïg verhaaltje gaat de korf makkelijker open en gaan de stoffen vlot van de hand.

Benedictus opent in 1834 een stoffenwinkel aan het Grootzand in Sneek, dat dan al een centrumfunctie heeft voor de hele zuidwesthoek van Friesland. Omstreeks 1870 komen zijn zonen Julius en August in de zaak werken. Vaak gaan ze met vader Benedictus mee op reis naar Amsterdam om inkopen voor de zaak te doen. Omdat ze altijd contant betalen, weten ze steeds 6 procent korting op de koop te bedingen.
Later ontstaan er filialen van Lampe in Amsterdam en Den Haag. August Lampe, die later met Dina Voss uit Mettingen trouwt, heeft ook in Den Haag gewoond. Het is dan nog niet gebruikelijk dat de gezinnen zich permanent in Nederland vestigen. De marskramers zorgen er wel voor dat ze de kerstdagen in familiekring doorbrengen. De registers van de Duitse burgerlijke stand bevestigen dit, want de kinderen uit het gezin worden gewoonlijk in september of oktober geboren.
Een saillant detailias dat het huwelijk van August en Dina in ons land onwettig is verklaard. En dat terwijl ze al elf kinderen hebben. Achteraf is deze omissie, zij het met enige administratieve moeite, toch nog rechtgezet.

Standbeeld van een Kiepkerel in MünsterDreesmann
Vroom & Dreesmann, dat nu deel uitmaakt van het Vendex-concern met 22.000 werknemers, begint in 1881 met een vestiging in Amsterdam. De oorspronkelijk uit Ibbenbüren (Westfalen) komende Bernard Vroom wil eerst graag notaris worden, maar door zijn huwelijk met Catharina Vinke koopt hij een manufacturenzaak in Veendam.
Zijn zoon Anton Dreesmann gaat een maatschap aan met Willem Vroom. De beide firmanten van V&D worden ook nog zwagers van elkaar nadat ze trouwen met dochters van de Franeker manufacturenhandelaar Joseph Tombrock. Het is opvallend dat steeds in de functie van eerste directeur van een nieuw geopend filiaal familieleden worden benoemd die getrouwd zijn met een vrouw uit de textielbranche.
Wie tegenwoordig een van de tachtig filialen van het V&D-concern binnenstapt, kan zich nauwelijks voorstellen hoe het 140 jaar geleden allemaal is begonnen: de koopman zeulend met zijn zwaarbeladen kiep over de landwegen en met de pet in de hand vragend of de klant iets van zijn koopwaar nodig heeft.
Dat oerbegin van neringdoen is in Sneek te zien, waar bij het honderdjarig bestaan van de eerste C&A-vestiging in Nederland een sculptuur is onthuld van zo'n kiepkerel. Hij staat daar op zijn sokkel gemoedelijk te onderhandelen met een boerenvrouw, omringd door ganzen. Een huldeblijk aan taaie doorzetters.
Vroeger zijn eenvoudige kooplui vanuit Duitsland door Groningen getrokken met hun handelswaar in een kist of mand op de rug. Gemaakt door beeldhouwer Hans Mes, 30 juni 1986.

De kiepkerel
Vraauw, de koopman is ter komen,
dij hail oet Westfoalen komt.
Ales heb ik joe mitnomen;
as ie t zain, stoan ie verstomd.
Sloat oe slag, dizze dag.
Miene kiep het schöne loading;
k heb veur elk wat van zien goading;
wat je ook zuiken, altied keur;
en ik vroag hoast niks doarveur.
Veters, perels, nappen, kammen,
faailen, baandjes, beste taauw,
liekdoornzaalve, plaaisters, krammen,
goldbrons, testen, zakjes blaauw,
bloudkoralen, kamferbalen,
spenen, schouwiks, swaart-wit rokken,
moezevalen, bonestokken;
wat je ook zuiken, altied keur;
en ik vroag hoast niks doarveur.
Brillen, beugels, waskelappen,
piepen klaain en piepen groot,
spaigeltjes en röttestappen,
goarn, swaart, wit, gruin, blaauw en rood.
Piepenlak, aalmenak,
riefkes, braaischij, boordeknoopkes;
aal wat k breng, t is niks as koopkes,
wat je ook zuiken, altied keur;
en ik vroag hoast niks doarveur.
Snorrebinders, mezzen, vörken,
beugeltazzen, horentaauw,
praimen, hoaken-ogen, körken,
buusdouken mit en zunder raauw,
schriefpapier, breng k joe hier;
horrelozies, inkt veur t schrieven,
lampepoesters, kezerieven;
wat je ook zuiken, altied keur:
en ik vroag hoast niks doarveur.
Braainaaln, snoefdeuzen, alloziekasten,
hemden, sloapmutsen, lödderaain,
tondeldeuzen, lepels, kwasten,
nappen van holt en ook van stain,
Belze kant, veterband,
lampegloazen, piepedoppen,
buusdouken, hupselen, snorrekoppen,
wat je ook zuiken, altied keur;
en ik vroag hoast niks doarveur.
Viefschaft, bozzels, schuddeldouken,
piepereukels, beddetiek,
tandestokers, daagse brouken,
smeersels tegen rimmetiek,
knoopsgatrek, slim in trek,
prima zaalf veur open bainen,
hozen, stuutsiekoor, wetstainen;
wat je ook zuiken, altied keur;
en ik vroag hoast niks doarveur.
Beddelichters, moezevalen,
spaigeltjes en piepkerek,
stofkammen, potlood, spellen, nalen,
brilledeuzen, slim in trek,
onderrokken, swevelstokken,
zaalve tegen kolle in de handen,
tellers, ruimers, schoedebanden,
wat je ook zuiken, altied keur;
en ik vroag hoast niks doarveur.

 

Vraauw, nog veule schöne zoaken
zitten in dij kiep van mie,
wilt oe nou oe keuze moaken,
kiek ais, heb ie niks der bie?
Dizze dag, sloat oe slag.
Miene kiep het schöne loading,
k heb veur elk wat van zien goading.
Wat je ook zuiken, altied keur;
en ik vroag hoast niks doarveur.

Voor het gemeentehuis in Oude Pekela staat een prachtig beeld van een kiepkerel. Het is gemaakt door de kunstenaar Hans Mes. Het beeld wordt op 30 juni 1986 onthuld. Het is één van de beelden in Oude Pekela die aan het verleden refereert. Op andere locaties staan de Man met Hondekar en de Scheepsjagers.

Oud-burgemeester Scholtens van Oude Pekela (1945-1951) maakte een fraai lied over de kiep'nkerel voor de OPA-revue ter gelegenheid van het 350-jarig bestaan van Oude Pekela. Het werd gezongen door Georg Petzinger.

Bron tekst: De tekst van het lied is geschreven door Herman van der Meer, de “schoelnoam” van de voormalige “börgemeester” Scholtens van “Ol-Pekel”.

Standbeeld van de kiepkerel in Oude Pekela.

In de tekst staan veel woorden die duiden op huishoudelijke artikelen en gebruiksvoorwerpen die in de tijd van de kiepkerels in de gezinnen in gebruik zijn geweest. Ze geven een schat aan informatie over hoe men hoe men in die dagen heeft geleefd.

beugels metalen bogen voor de sluiting van beugeltassen
waskelappen wasdoekjes
piepen pijpen
röttestappen rattevallen
goarn garen
piepke lak pijpje (zegel)lak
aalmenak almanak of jaarboekje, met astronomische gegevens (zon, maan, enz.), weersvoorspellingen, praktische huishoudelijke tips en allerlei spreuken
liefkes lijfjes (kousenophouder)
braaischij breinaaldenhouder, kokertje dat onder de arm geklemd werd om de achtereinden van breinaalden in te steken als steun tijdens het breien
alloziekasten doosjes voor zakhorloges
lodderain eau de cologne
Belze kaant kant uit België
piepkedoppen dekseltjes voor pijpen
hupselen bretels
buusdouken zakdoeken
Mit en zunder raauw duidt erop dat er speciale zakdoeken waren met een rouwrand, die hoorden bij de zwarte kleren die men droeg in een periode van rouw.
snorrekoppen mokken met half gesloten bovenkant, waardoor de snorharen van snorrendragende mannen niet in de koffie kwamen (grote snorren waren lange tijd in de mode)
beddelichters handgrepen aan een touw in de bedstee (waar je moeilijk uit kon komen). Hiermee kom men zich optrekken als hulp bij het opstaan.
moezevalen muizenvallen
piepkerek pijpenrek
swevelstokken lucifers
zaalf veur kòl in handen zalf voor winterhanden (rode, gevoelige handen en vingers)
scheertjes schaartjes
tellers borden
faailen dweilen
boantjes boezeroenen borstrokken
bonetouw bindtouw
goldbrons goudkleurige verf voor metalen voorwerpen zoals petroleumstellen
testen vierkante stenen potjes voor kooltjes vuur in een stoof, om de voeten warm te houden
zakjes blaauw zakjes met blauw poeder dat toegevoegd werd aan de witte was om te voorkomen dat het geel kleurde
schouvik schoenpoets
snorrebinders elastiekjes waarmee mannen 's-nachts hun grote snorren(punten) in model brachten of hielden (vastgezet achter de oren), eind negentiende eeuw in de mode
hoorntaauw touw om de koeien vast te zetten
praimen breinaalden
lampepoesters wissers voor de hoge, smalle lampeglazen van olielampen
kezerieven soort kaasschaven
viefschaft grove kledingstof, geweven op een weefgetouw met vijf schachten ('viefschacht'), van wol of linnen, voor hemden of rokken
bözzels borstels
schöddeldouken vaatdoeken (ook schuddeldouken)
piepereukels pijperagers
beddetiek overtrek van beddegoed
knoopsgatrek knoopsgat-elastiek
hozen kousen, sokken
steutkoor ribfluweel of Manchester stof (ook wel stuutsiekoor)
wetstainen wetstenen, fijnkorrelige stenen om geslepen gereedschap extra scherp te maken
     
Wim Dussel as kiepkerel, rechts börgmeester Schollema van Pekel De Zwagers (George Petzinger in blauwe kiel) bij het beeld van de kiepkerel in Oude Pekela Georg Petzinger

Bij de drie foto's boven: Voor het gemeentehuis in Oude Pekela staat een prachtig beeld van een kiepkerel. Het is gemaakt door de kunstenaar Hans Mes (rechts). Het beeld wordt op 30 juni 1986 onthuld. Het is één van de beelden in Oude Pekela die aan het verleden refereert. Op andere locaties staan de Man met Hondekar en de Scheepsjagers.

Oud-burgemeester Scholtens van Oude Pekela (1945-1951) heeft een fraai lied gemaakt over de kiep'nkerel voor de OPA-revue ter gelegenheid van het 350-jarig bestaan van Oude Pekela. Het is gezongen door Georg Petzinger 1879-1969), geh. met Antje de Raaf (1883-1968).

Gerelateerd artikel: Hannemaaiers.

Referenties/bronnen:
1 Zie http://www.rtvnoord.nl/groningeninbeeld/index.asp?actie=foto&id=818&pid=5&gid=7 en meer dan honderd "hits" op Google
2 Ellis, Edward Robb, The Epic of New York City. Old Town Books, 1966, p. 26
3. Gelkinge.
4. De foto's komen uit een collectie van Borstkas over de Oosterpoort en het Zuiderpark (slideshow).
5. Nieuwsblad van het Noorden.
6. Wikpedia.
7. Gemeente Pekela.


Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten

voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...

geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.

Hoogeveen, 4 aug. 2009
Verhaal: © Harm Hillinga.

 

Menu Artikelen. HomePage
Top