Een foto van het begin van de bebouwde kom van Klein-Ulsda. Klein-Ulsda behoort dan nog tot de gemeente Bellingwedde,
tegenwoordig is dat de gemeente Oldambt. Bron: eigen verzameling

 

Geschiedenis

Een van de oudste plaatsen van bewoning in het noorden is wel Ulsda dat anno 2009 binnen de gemeente Reiderland ligt. Het is tegenwoordig niet meer dan een gehucht, een buurtschap vlakbij Beerta. In feite ligt het tussen de spoorlijn Groningen-Nieuweschans en de autoweg A7. Direct aan de andere kant van de A7 ligt Klein-Ulsda dat in 2009 de gemeente Bellingwolde ligt. Tegenwoordig liggen zowel Ulsda als Klein-Ulsda in de gemeente Oldambt. Er staan slechts enkele boerderijen meer. Als in het verleden de Dollard overstroomd is het eiland Ulsda altijd droog gebleven. Dat komt omdat het op een zandafzetting in het kleigebied van het Oldambt ligt.

Ulsda is samen met Wedde, Vlagtwedde, Onstwedde, Winschoten en Bunde één van de oudste nederzettingen in het gebied. De oudst bekende schrijfvorm van Ulsda is 'Olswida', dat gezien de suffix –‘wida’ ouder is dan de toponymen met suffices -lee/-loo en –wolda.

 

 

Groninger Archieven, 1536 inv.nr. 7302: Kaart van Ulsda en omgeving, 1617-1640

 

 

Klein-Ulsda

 

Klein-Ulsda (Gronings: Lutje Ulsda) is in de volksmond ook Hutten genoemd. Die naam is onder de inwoners thans geheel verdwenen. Het telt anno 2009 nog geen 50 inwoners meer. Klein-Ulsda telt twee straten, de Ulsderweg en ’t Molenlaantje. Het dorpje is waarschijnlijk gesticht vanuit Ulsda. Ulsda ligt een stuk hoger, en is ook tijdens de grootste uitbreiding van de Dollard altijd droog gebleven. Na het droogvallen van de Dollard worden vanuit de bestaande dorpen nieuwe nederzettingen gesticht.


Het dorp heeft van 1842 tot ongeveer 1870 een eigen schooltje in de achterkamer van een oude smederij; dit is een voortzetting van de school te Ulsda. De naam Klein-Ulsda is tenminste bekend sinds 1758. De naam De Hutten wordt al in 1753 vermeld [1]. Deze naam komt ook elders in de provincie Groningen voor: Termunten heeft in de eerste helft van de achttiende eeuw de arme hutten, Westerbroek kent in 1771 de hutten van de heer Hoeth [2]. Klein-Ulsda is ooit de woonplaats van atlete Fanny Blankers-Koen. Verder is het vooral bekend vanwege diverse seksclubs, die zich begin jaren zeventig van de vorige eeuw rond het gehucht vestigen en zich vooral op het Duitse grensgebied richten [3].

 

Groninger Archieven, 1536 inv.nr. 7188: Kaart van enkele stadsplaatsen bij Ulsda door H.W. Folckers, 1726. Kaart 11 van het Groot Caarteboek. Voor een uitgebreide inleiding en een uitgebreide beschrijving van de kaarten zie: De atlas der Stadslanden van Groningen / Meindert Schroor. - Groningen : Regio-Projekt Uitgevers ; Gemeentearchief Groningen, 1997. Toegangsnr. 1769 cat.nr. 17981

 

 

 

Het eiland Ulsda

Tussen 1450 en 1600 is Ulsda een eiland in de Dollard. Ulsda ligt op een keileemrug of stuwwal in het kleigebied van het Oldambt. Door die ondergrond is het ook tijdens de grootste uitbreiding van de Dollard droog gebleven. Oorspronkelijk ligt het op een schiereiland tussen de Pekel Aa en de Westerwoldse Aa. Door de inbraak van de Dollard is het echter een eiland geworden totdat het omliggende gebied in 1657 bedijkt wordt. Pas in 1596 krijgt de Pekel A zijn huidige verloop ten oosten van het eiland. De oude loop wordt voortaan Heerensloot of Olde Rensel genoemd. Corpus Roemeling vermeldt echter dat de parochie Ulda in de 15e eeuw door de Dollard is overstroomd. Notities ui 1567 vermelden het jaartal 1280 ‘wanneer dat hillichdoem dorch den van Wemer (Wymeer) gebracht en in den bolder beslagen worden’. [7]

 

Vermoedelijk zijn de eerste bewoners vanuit het zuiden gekomen. Ulsda heeft met Winschoten tot het bisdom Osnabrück behoord. Het is het meest noordelijke dorp binnen dit diocees geweest en vormt de zetel van een seendgerecht. Tevens is het de hoofdplaats van het zogenoemde Ulsder vijfdedeel geweest, een onderdistrict van het Reiderland. De rechtstoel verhuist in de 15e eeuw naar Winschoten. De landerijen van Ulsda grenzen in het oosten aan de kerspelen Houwingaham en Wynedaham, die tot het bisdom Münster hebben behoord.

 

 

De parochie Ulsda

 

De parochie is mogelijk gewijd geweest aan de heilige Lambertus [20], wiens verering vooral in het bisdom Osnabrück is verspreid. In een notitie uit 1504/05 wordt gesproken over 'Sunt Lambert van den Ulsda'. Het 17e-eeuwse kerspelzegel van Beerta, overgenomen uit Ulsda, toont echter een afbeelding van Laurentius, een heilige wiens verering doorgaans met de vroegste ontginningsfase verbonden wordt. Volgens een notitie in het misboek zou de kerk in 1280 vanuit Wymeer zijn gesticht, maar dat is niet erg waarschijnlijk. Ulsda is duidelijk ouder. Ook tufsteenrestanten die in de kerk van Beerta zijn verwerkt, stammen zeer waarschijnlijk uit Ulsda. Waarschijnlijk zijn de omliggende veengebieden van Beerta, Den Ham en Blijham vanuit hieruit ontgonnen. De ontginners zijn - wellicht in tegenstelling tot de oorspronkelijke bewoners - uit de Friese buurgewesten gekomen: dat verklaart waarom het hele gebied later bij het Reiderland is gaan horen. Vanwege toenemende wateroverlast wordt de parochie op 10 november 1462 samengevoegd met die van Beerta en wordt de kerk ontruimd, op last van de bisschop van Osnabrüick [7]. De pastorie in Ulsda wordt dan omgezet in of geïncorporeerd bij een vicarie te Beerta. Tot ver in de 16e eeuw noemen de vicarii aldaar zich pastoor te Ulsda [8]. In 1501 wordt onder meer geprocedeerd over land, op Den Ham gelegen naast land van de pastoor te Ulsda.

De beelden van Sunte Lambert en andere heiligen worden later samen met het misboek en het zegelstempel naar Beerta overgebracht [19]. Het kerkgebouw blijft nog enige tijd staan [9].

Het schattingsregister van omstreeks 1500 noemt Westerlee, Winschoten en Beerta onder het Wold-Oldambt [16][17]. Redmer Alma stelt van Bellingwolde en Blijham een afzonderlijk rechtsgebied blijven vormen; zij blijven buiten het Oldambt maar komen ook niet bij Westerwolde [18].

 

De geestelijke blijft zich echter pastoor van Ulsda en vicarius van Beerta noemen. Later wordt de kerk afgebroken. Er ontstaat een geschil tussen Beerta en Bellingwolde. Omstreeks 1504 worden de resterende stenen verdeeld: Beerta krijgt de grote toren en de half afgebroken muren van de kerk, waarvan de huidige kerk kan worden gebouwd, Bellingwolde krijgt de kleine toren [10]. Het bouwjaar 1504 wordt bevestigd door een gedenksteen in de kerk van Beerta [10]. In de noordmuur van Beerta is tufsteen [11] verwerkt, dat mogelijk afkomstig is van de kerk van Ulsda [11]. Volgens Steensma [12] kan de tufsteen ook afkomstig zijn geweest van de anterieure kerk te Beerta.

De aanspraken van Bellingwolde op afbraakmateriaal van de kerk te Ulsda zullen zijn gebaseerd op de pretentie dat Ulsda onder de rechtstoel Bellingwolde heeft behoord, een opvatting door de rechter van Bellingwolde, Jacob Prenger, 7 september 1554 aan Burgemeesteren en Raad van Groningen meegedeeld [12].

 

Volgens een overlevering zijn de stenen via een lange rij mensen doorgegeven totdat ze op hun nieuwe plek zijn aangeland. De inwoners van Wynedaham (de Hamsters) en mogelijk ook die van Houwingaham vallen tot het midden van de 16e eeuw kerkelijk onder Beerta, waar ze ook belasting betalen en na hun dood begraven zijn. Nadat omstreeks 1525 de Hamdijk is aangelegd, gaat dit gebied uiteindelijk bij Bellingwolde horen. In 1578 bezit de pastoor van Beerta nog twaalf akkers en vijf deimt land in Den Ham. De eigenaren uit Beerta verhuren sinds 1504 het recht om op Ulsda potklei, vlinten en bakstenen te delven. In 1562 koopt de stad Groningen het grootste deel van het eiland, nadat de heer van Westerwolde, de hertog van Aremberg, er aanspraken op maakt. In 1562 stelt de stad Groningen dat Ulsda tot het Oldambt behoort; het is dan nog tenminste 34 grazen (13,4 hectare) groot waarvan 10 grazen aan de kerk te Beerta toebehoren; 18 grazen koopt de stad nog in hetzelfde jaar, 4 grazen in 1563. Ook de overige gronden komen in haar bezit [8][13].

 

Volgens een samenvatting van getuigenverklaringen, afgelegd in 1567, maakt Ulsda destijds met Winschoten, Beerta, Westerlee, Bellingwolde en Blijham deel uit van het zogeheten 'Ulsdaër Vijfde deel van Reiderland' met als rechtstoel Winschoten welke deel na inundatie ‘den oldenampte annex gheworden en daerna alletijt voer een dewel des olden amptes geachtet’ is. Volgens deze verklaring wordt de vicarius te Beerta pastoor te Ulsda genoemd en betaalt hij hunnentwegen (dat wil zeggen de waarschijnlijk nog zeer weinige bewoners van het inmiddels eiland geworden stukje land) het chrisma [15].

 

Ulsda wordt in 1581 tijdelijk door de watergeuzen veroverd. Vier jaar later is het eiland verpacht aan de drost van Wedde.

 

In 1605 tracht de stad Groningen die het eiland Ulsda in de voorgaande decennia verwerft ‘der pastorie op Ulsda gelegen’ te kopen. De gemeente Beerta wil echter niet verkopen, evenmin echter bijdragen in de kosten van de onder Nieuweschans en Ulsda uit te voeren bedijkingen, volgens bericht van 24 juli 1605 [14].

 

Een deel van de gronden is inmiddels verpacht aan de eigenaars van twee tichelwerken, die de potklei gebruiken als grondstof voor het maken van dakpannen. Deze aankoop legt de stad geen windeieren: op grond van het recht van aanwas kan de stad zijn grondbezit verder uitbreiden.

 

 

Over de pastorie van Ulsda

 

Jasper de Almelo verkrijgt in Ulda op 16 januri 1453 dispensatie om kerkelijke beneficia te ontvangen niettegenstaande zijn onwettige geboorte, waarvoor het concilie van Basel [21] dispensatie geeft, en het bezit van het Driekoningenaltaar in de Johanskerk te Osnabrück en het Catharinaltaar in de kerk te Halle, bisdom Osnabrück, die hij wil ruilen voor het altaar van Maria en Allerheiligen in Versen [22], dat weer geruild is met het ‘alt. S. Lamberti in Olswide Osnab. dioc.’ [23]


Rodolphus is pastoor in Ulsda en vicarius te Beerta geweest. Hij komt voor op 2 mei 1508 [24], 10 juli 1509 [25] en 5 juni 1512 [26].

Henricus Hus Zie hierna.


Hinricus Duesborch is pastoor te Ulsda en vicarius te Beerta geweest. Hij zegelt op 3 november 1562 [27]. Het zegelrandschrift, destijds gelezen als SVHLSVVI D….VS HUS [28], luidt HECVS HVS CVTS I VLSD, wellicht te emenderen als ‘HENRICVS HVS CVRATVS IN VLSDA'. Duesborch zou dan het zegel van een van zijn voorgangers gebruikt kunnen hebben tenzij HVS een toenaam of afkorting (?) is.

 

Sinds 1570 wordt de vicarie te Beerta bediend door de pastoor aldaar. In een ongedateerd stuk (uit 1634) verklaart Wesselus Dorgelo, predikant te Beerta, dat van oudsher de pastorie aldaar eigenaar is van éénderde van het eiland Ulsda (groot 18 koescharen). Hij verzoekt verbetering van tractement. Een 25-tal bejaarde inwoners van Beerta ondersteunen het verzoek, een deel daarvan in een wel gedateerde verklaring van 25 maart 1634 [29].

 

Wanneer de pastorie van Ulsda/Klein Ulsda is afgebroken is onbekend. De bouwgeschiedenis van Ulsda is (nog) niet onderzocht.

 

 

Exterhuis en de Tiddinga's

 

Volgens de overlevering heeft op dat eiland ook een klooster gestaan, maar dit is een verzinsel. Volgens het verhaal zijn de stenen van dit vermeende klooster gebruikt bij de bouw van de kerk van Beerta, maar dit is niet juist. De stenen zijn afkomstig van de kerk van Ulsda, die in al 1462 is afgebroken . In Ulsda heeft wel een steenhuis gestaan, waarvan men in de 19e eeuw de resten heeft gevonden tussen Ulsda en de Bult.

In het waterstaatsverdrag met het jaartal 1420 wordt Wyawert Hayens genoemd als hoofdeling in Ulsda. Waarschijnlijk is hij dezelfde als Liwert Hayens in het verdrag met het jaartal 1391, die dan als zetel 'Berda' (Beerta) heeft. Het steenhuis in Beerta ofwel het steenhuis in Ulsda heeft Exterhuis of Oud-Exterhuis geheten. Er is namelijk een duidelijk relatie tussen beide steenhuizen en de Eexter hoofdelingenfamilie Tiddinga. Voordat de Huninga's in Beerta zijn gekomen is hun steenhuis bewoond door het geslacht Tiddinga. 'Exterhuis' wordt veelal genoemd onder de verdronken dorpen in de Dollard, maar ook dit berust zeer waarschijnlijk op een misverstand. Als er op een gegeven moment een huwelijk tot stand komt tussen een mannelijke Huninga en een vrouwelijke Tiddinga, verdwijnen de Tiddinga’s langzamerhand van het toneel. Zo krijgt de Tiddingaborg van Beerta daarom ook de naam Huningaborg.

 

Het Molenlaantje in Klein-Ulsda.
Bron: eigen verzameling.

Ook volgens een niet betrouwbare Dollardkaart van 1574 bevindt zich in de omgeving van Ulsda het steenhuis Oldt-Exterhueß of Olt-Exterhuis Dit wordt niet door door iedereeen ondersteund en berust (volgens Woebcken) vermoedelijk op een misverstand. De auteur van de kaart heeft kennelijk gebruik gemaakt van oudere documenten waarin 'het steenhuys in der Op Ext' (Boven-Eexta) wordt vermeld. Er vindt bovendien een verwisseling plaats met Stocksterhorn, waardoor Exterhuis in de omgeving van Drieborg wordt gekarteerd. Op dezelfde wijze belandt ook Eexterhoff of Exterhof op de kaart (in de omgeving van Hamdijk). Een recente theorie, die evenmin als de vorige op schriftelijke bronnen is gebaseerd, veronderstelt dat leden van de familie Tiddinga de naam Exterhuis vanuit Eexta meenemen naar hun borg te Beerta. Ds. Hendricus van Berkum veronderstelt in zijn 'Kerkelijke geschiedenis van Nieuw-Beerta' uit 1856 dat het voormalige gehucht 'Aaksterij' te Nieuw-Beerta zijn naam aan Olt-Exterhuis ontleent.

 

Nog in 1602 bevindt zich midden op het eiland een 'berchtgen ofte hoege plaetse', waarvan men vertelt dat er vroeger een 'edelmans hues' gestaan heeft. Mogelijk is dit de woning van Liwert of Wyawert Hayens, die in 1391 wordt genoemd als hoofdeling te Beerta en in 1420 te Ulsda. In 1447 wordt een steenhuis in het rechtsgebied van Ulsda (Olswyder Vyfftendele) verkocht aan de kerk en de proost van Weener, die het met geweld in bezit wil laten nemen. Een medegerechtigde uit Beerta maakt bezwaar; hij wil de kwestie liever 'to Olswyda oft in den Beerde' beslechten en dreigt met tegenmaatregelen als de proost zijn wil gaat doordrijven[5]. Mogelijk gaat dit om de borg van Ulsda. In 1563 is de hoogbejaarde Hayo Tonckens namens de stad Groningen huismeester op Ulsda; misschien beheert hij de vroegere borg, dan wel het 'stats huisje' waar later sprake van is [6].Hij is de voorvader van het Drentse bestuurdersgeslacht Tonckens. Starkenborgh tekent omstreeks 1680 op zijn Dollardkaart eveneens een steenhuis op Ulsda, met de notitie: 'Ulsda voor deesen een Eylandt genaemt na een adelijcke familie'. Tussen Ulsda en De Bult heeft een nog een tweede steenhuis gestaan, waarvan in het begin van de 19e eeuw het fundament is gevonden, bestaande uit zware bakstenen. Burgemeester Jacob Heeres te Oudeschans heeft het dan over het 'Exterhuis' [5].

 


Tiddinga

 

Rond 1435 komen we ook een Tiddinga tegen. Het blijkt te gaan om Doedo Boeles Tiddinga. Doedo komen we tegen in een akte van 20 mei 1454 (NL 1963, kol. 83-116). Hij is dan voogd over een broer van de vrouw van Hayo Huninga. We zien dat er dus dan al een relatie bestaat tussen de Tiddinga’s en de Huninga’s.

 

Voormalige veer bij Klein-Ulsda. Bron: eigen verzameling.

Nog eerder komen we de naam Tiddinga tegen in 1271 en ook in 1276. Dan wordt er een Ebbo Tiddinga genoemd in het Oorkondenboek van Groningen en Drenthe. Verder wordt in 1391 een Tyacko Tyddinga in Eexta genoemd als een van de hoofdelingen bij de grensscheiding van Reiderland en het Oldambt. Deze Tyacko leeft nog in 1420.

 

Rond 1460 heeft een zekere Ailko Houwerda op de Holm (Termunten) het staandrecht in zijn bezit. Dit wil zeggen dat alleen deze Houwerda over het gebied recht mag spreken. Zijn gebied strekt zich uit over het Klei-Oldambt. Zijn collega in Zuidbroek, een Gockinga, doet dit over het Wold-Oldambt. Al de hoofdelingen die in het Wold- en het Klei-Oldambt wonen zoals de Huninga’s in Woldendorp en Oostwold en de Tiddinga’s in Beerta hebben daardoor niets meer te zeggen en zijn ondergeschikt aan respectievelijk de Houwerda’s en de Gockinga’s. Ze vervallen in feite weer terug in de ‘gewone’ boerenstand. Door deze ondergeschiktheid kunnen de Tiddinga’s en de Huninga’s zich in de 17e eeuw alleen maar meer door hun vroegere belangrijke positie boven de anderen verheffen, waardoor ze wel vaak jonker worden genoemd.

 

Toch komen we in latere tijden nog wel Tiddinga’s tegen. Op 27 februari 1603 bijvoorbeeld woont er in Midwolda (Folio 68v) een weduwe Buncke Hewens Tiddinga. Zij koopt daar dan twee akkers in de heerd te Midwolda waarop Nanne Hayens woont, zoals destijds gekocht van Reint Tiackens en door deze verzet in wijlen Ipe Hewens heerd. Het is echter geheel onduidelijk waarom zij de naam Tiddinga is gaan voeren. Er zijn namelijk geen aanwijzingen dat zij van dat geslacht afstamt. Wel weten we dat op 21 febr. 1607 (of 1608) in Midwolda een zekere Buncke Hillens Tiddinga wordt begraven.

 

 

Voormalig tichelwerk. Bron: Eigen verzameling.

In latere eeuwen

 

Ulsda wordt in de 17e en 18e eeuw een belangrijk knooppunt voor het scheepvaartverkeer met verlaten te Ulsda en De Bult. Hier wordt tevens tol geheven. De aanleg van het verlaat in 1646 leidt tot felle conflicten met de schippers uit Pekela onder leiding van Feike Clock, die eigenhandig de sluisdeuren verwijdert. Voor de verdediging van de riviermonding is vermoedelijk in 1624 een redoute [4] gebouwd, dat in het begin van de 19e eeuw komt te vervallen. Bij bedijkingsplannen in 1636 worden de gerechtigden uit Ulsda beschouwd als inwoners van een afzonderlijk dorp. In 1659 wordt Ulsda een kerspel met een eigen belastingregister, maar kerkelijk blijft het onder Beerta vallen. De vijf boerderijen met het 'stats huisje' te Ulsda staan afgebeeld op twee kaarten uit het midden van de 17e eeuw en uit 1726. Dit stadshuisje heeft op de oudste kaart een uithangbord als bij een herberg. In 1807 heeft Ulsda een eigen schooltje, vermoedelijk een kamer in een van de boerderijen. Het schooltje bestaat nog in 1830, maar het is moeilijk een schoolmeester te vinden die genoegen wil nemen met de geringe verdienste. In 1842 opent in plaats daarvan de school in Klein-Ulsda zijn deuren (zie boven). Tussen 1856 en 1916 bevindt zich in Ulsda opnieuw een tichelwerk (zie foto hierboven) dat dakpannen vervaardigt.

 

Het 'station' van Ulsda in vroegere tijden
Foto boven: Het voormalige station van Ulsda. Bron: eigen verzameling.

 

 

 

Noten:

 

1. RHC Groninger Archieven, nr. 758, inv.nr. 692, fol. 59-6-; inv.nr. 693, fol. 5-6. Vgl. Groninger Courant, 10 april 1790.
2. Doopboeken van Nieuw-Beerta, Termunten en Westerbroek.
3. Rien Robijns, 'Sex tussen het strokarton', in: Het Vrije Volk, 2 februari 1974.
4. Een redoute is een kleine geheel omsloten veldschans met alleen uitspringende en geen inspringende hoeken.
5. A.S. de Blécourt, Oldambt en Ommelanden, 1935, p. 321-322, bijl. 11. De tekst is dubbelzinnig: de uitdrukking mit welde slyten zou eventueel ook om het afbreken van het huis kunnen gaan. Zie voor het origineel Groninger Archieven, 2100: Stadsarchief van Groningen, inv.nr. 1461.27.
6. Nederlands Patriciaat 34 (1948), p. 310.

7. GA, GAG, R.F. 1567.68
8. GA, GAG, R.F. 1567/68.

9. GA, GAG, R.F. 1632.66.

10. De Vrieze, ‘Beerta’, 147.
11. GA, GAG, R.F. 1567.68; Groenendijk, ‘Vasbinder’, 141.

12. Steensma, ‘Beerta’, 24.

13. GA, GAG, R.F. 1562.113, 17 november 1562 en R.F. 1563.88, 15 oktober 1563; vergelijk De Blecourt, 371-372 die zich afvraagt of de berekening van Smith, ‘Ulsda’, 211 van 34 grazen juist is; naar zijn mening moet het groter zijn geweest. terwijl ook het overige particuliere land in haar bezit komt.

14. Smith, ‘Ulsda’, 210-211; vergelijk De Blecourt, 372; over het bezit van de kerk te Beerta van 10 grazen zie GA, GAG, Resoluties Burgemeesteren en Raad, 24 juli 1610.

15. GA, GAG, Resoluties Burgemeesteren en Raad, 24 juli 1610.

16. Smith, ‘Ulsda’, 220-221; zo ook de lijsten van de jaartax 1509-1510 en 1511-1516.

17. Redmer Alma, ‘Schattingen’, 177. Bellingwolde en Blijham komen daarin niet voor.

18. Redmer Alma, ‘Schattingen’, 183.

19. GA, GAG, R.F. 1567. 68; vergelijk De Blecourt, , 82-83 noot 3. In 1567 verklaart de dan tachtigjarige Hayo Tonckes dat hij ‘heft sunt Lambert van den Ulsda mede in de beerta helpen brengen’; GA, GAG, R.F. 1567.68. het beeld van Lambertus is dus eerst in 1504/5 (en niet in 1462) overgebracht. De waarschijnlijke plaats van de kerk werd omstreeks 1955 vastgesteld door Vasbinder; bij drainagewerkzaamheden werd middeleeuws muurwerk aangetroffen.

20. Koers, , 5; de patroon van de kerk van Ulsda is Lambertus. Reeds het overbrengen van diens beeld naar de kerk te Beerta waar de ingezetenen van Ulsda (dat dan nog steeds bewoond wordt) ter kerke gaan doet zulks veronderstellen. In 1453 is sprake van een ruil waarbij het altaar van ‘Lambertus in Olswide’ in het bisdom Osnabrück betrokken is.

RG V nr. 620, 16 januari 1453. Het zegel, door Henricus Duesborch, pastoor te Ulsda en vicarius te Beerta, in 1562 gebruikt toont Lambertus.

21. Restconcilie te Basel 1431 en 1433-1439

22. Het regest geeft ‘Bosen’, bedoeld zal zijn Versen (bij Meppen) of Bersen (Bersenbrück).

23. RG V nr. 620 (Vaticaans Archief, Lat. 482, 256v. vlg.).

24. Arch. Klooster Ter Apel nr. 36 reg. 138.

25. Arch. Klooster Ter Apel nr. 1, 82v.

26. Arch. Klooster Ter Apel nr. 36 reg. 158.

27. GA, GAG, R.F. 1562.113.

28. Smith, ‘Ulsda’, 204.

29. HNA, Arch. Staten-Generaal nr. 12548 nr. 278 nr. 4, 2e hoofdbundel, nr. 2.

 

 

Bronnen:


1. De Boerderijen in het Wold-Oldambt, deel I/II, 1977
2. Wikipedia

3. Verschillende genealogiën
4. A.J. Smith, 'Het eiland Ulsda', in: Groningse Volksalmanak (1901), p. 196-224, 239.
5. Egge Knol, 'Nooit verdwenen Dollardland', in: Karel Essink (red.), Stormvloed 1509. Geschiedenis van de Dollard, Groningen: Stichting Verdronken Geschiedenis 2013, p. 117-126.
6. RHC GA (Groninger Archieven)

7. Corpus Roemeling

 

 


Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 14 mei 2009
Update: 4 mei 2020
Update: 7 mei 2020
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top